De rechtbank Amsterdam behandelde op 18 februari 2026 het verzoek tot overlevering van een Nederlandse verdachte aan Oostenrijk op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd op 23 oktober 2025. De verdachte, die de Nederlandse nationaliteit bezit en in Nederland woont, werd bijgestaan door zijn raadsman tijdens de zitting.
De strafbare feiten waarvoor overlevering werd verzocht betreffen deelneming aan een criminele organisatie en georganiseerde of gewapende diefstal, strafbare feiten die in Nederland op de lijst van bijlage 1 bij de Overleveringswet staan. Hierdoor is een onderzoek naar dubbele strafbaarheid achterwege gelaten. De rechtbank heeft de termijn voor uitspraak met 30 dagen verlengd en de verdachte in voorlopige hechtenis gesteld met schorsing tot uitspraak.
De verdachte beriep zich op de garantie uit artikel 6, eerste lid, Overleveringswet, omdat hij sterke banden met Nederland heeft en zijn strafuitvoering hier beter kan plaatsvinden. Oostenrijk heeft een schriftelijke garantie afgegeven dat de opgeëiste persoon een eventuele onvoorwaardelijke gevangenisstraf in Nederland mag ondergaan. De rechtbank acht deze garantie voldoende en constateert dat geen weigeringsgronden aanwezig zijn.
De rechtbank besluit daarom de overlevering toe te staan. Tegen deze uitspraak is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk. De uitspraak is openbaar gedaan door de voorzitter en rechters van de internationale rechtshulpkamer van de rechtbank Amsterdam.