ECLI:NL:RBAMS:2026:1674

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
17 februari 2026
Zaaknummer
705132 712754 712812
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 BewijsverordeningArt. 12 lid 2 sub a UitvoeringswetArt. 12 lid 2 sub c UitvoeringswetArt. 12a Uitvoeringswet Bewijsverkrijgings-verordeningArt. 166 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek rechtstreekse bewijsverkrijging in collectieve actie dieselvoertuigen

In deze civiele procedure betreffende collectieve acties over vermeende verboden manipulatie-instrumenten in Euro 5 dieselvoertuigen, hebben Stellantis c.s. verzocht om rechtstreekse bewijsverkrijging in Frankrijk op grond van artikel 19 van Pro de Bewijsverordening. De rechtbank heeft dit verzoek toegewezen en de heer Alexander Blumrosen als deskundige aangewezen voor de uitvoering van de bewijshandelingen.

Stellantis c.s. wilden tegenbewijs leveren door het openstellen van een databank met software en schriftelijke stukken over het emissiecontrolesysteem van de voertuigen. De rechtbank oordeelde dat het tegenbewijs zich niet leent voor een getuigenverhoor vanwege de technische aard, en dat schriftelijke stukken en software passend zijn.

Het verzoek tot vertrouwelijke behandeling van de software werd afgewezen omdat de rechtbank onvoldoende concrete belangen zag die geheimhouding rechtvaardigen, mede gezien het tijdsverloop sinds de introductie van de Euro 5 voertuigen en de gewijzigde marktomstandigheden.

De rechtbank bepaalde een termijn voor het openstellen van de databank en het indienen van schriftelijke stukken en wees verdere beslissingen aan. De procedure wordt voortgezet met inachtneming van de toegewezen bewijsverkrijging.

Uitkomst: Verzoek tot rechtstreekse bewijsverkrijging toegewezen, verzoek tot vertrouwelijke behandeling afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
zaaknummer / rolnummer: C/13/705132 / HA ZA 21-687, C/13/712754 / HA ZA 22-71 en C/13/712812 / HA ZA 22-72
Vonnis van 21 januari 2026
in de zaak C/13/705132 / HA ZA 21-687 van
de stichting
STICHTING EMISSION CLAIM,
gevestigd te Amsterdam,
eiseres,
advocaat: mr. C. Jeloschek te Amsterdam,
tegen
1. de naamloze vennootschap
STELLANTIS N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
STELLANTIS NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagden 1 en 2,
advocaat mr. A. Knigge te Amsterdam,
en
in de zaak C/13/712754 / HA ZA 22-71 van
de stichting
STICHTING CAR CLAIM,
gevestigd te Rotterdam,
eiseres,
advocaat mr. P. Haas te Rotterdam,
tegen de hiervoor onder 1 en 2 genoemde gedaagden [1] en tegen
4. de rechtspersoon naar buitenlands recht
STELLANTIS AUTO S.A.S.,voorheen
PSA AUTOMOBILES S.A.,
gevestigd te Poissy, Frankrijk,
5. de rechtspersoon naar buitenlands recht
AUTOMOBILES PEUGEOT S.A.,
gevestigd te Poissy, Frankrijk,
6. de rechtspersoon naar buitenlands recht
AUTOMOBILES CITROËN S.A.S.,
gevestigd te Poissy, Frankrijk,
7. de rechtspersoon naar buitenlands recht
GM DEUTSCHLAND HOLDINGS GMBH,voorheen
ADAM OPEL GMBH,
gevestigd te Frankfurt am Main, Duitsland,
8. de rechtspersoon naar buitenlands recht
OPEL AUTOMOBILE GMBH,
gevestigd te Rüsselsheim am Main, Duitsland,
9. de rechtspersoon naar buitenlands recht
GENERAL MOTORS HOLDINGS LLC,
gevestigd te Detroit (Michigan), Verenigde Staten van Amerika,
10. de rechtspersoon naar buitenlands recht
GENERAL MOTORS COMPANY,
gevestigd te Detroit (Michigan), Verenigde Staten van Amerika,
gedaagden 4 tot en met 10,
advocaat mr. A. Knigge te Amsterdam,
en tegen
gedaagden 11 tot en met 137, [2]
advocaat mr. M.J. van Joolingen te ’s-Hertogenbosch,
en
in de zaak C/13/712812 / HA ZA 22-72 van
de stichting
STICHTING DIESEL EMISSIONS JUSTICE,
gevestigd te Amsterdam,
eiseres,
advocaat mr. J.D. Edixhoven te Amsterdam,
tegen de hiervoor onder 1, 2 en 4 tot en met 137 genoemde gedaagden.
Eiseressen zullen hierna afzonderlijk SEC, SCC en SDEJ worden genoemd. Gezamenlijk zullen zij de Stichtingen worden genoemd. Gedaagden 1, 2 en 4 tot en met 10 zullen hierna gezamenlijk Stellantis c.s. worden genoemd. Gedaagden 4, 5 en 6 zullen hierna afzonderlijk Stellantis Auto, Automobiles Peugeot en Automobiles Citroën worden genoemd. Gedaagden 11 t/m 137 zullen hierna gezamenlijk de Autodealers worden genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 30 juli 2025 (het tussenvonnis),
- de akte uitlaten tegenbewijs en overlegging producties 56 tot en met 62, vordering tot geheimhouding op grond van artikel 28 Wetboek Pro van Burgerlijk Rechtsvordering (Rv) en verzoek tot rechtstreekse bewijsverkrijging van Stellantis c.s.,
- de akte uitlaten wijze bewijsvoering van de Autodealers,
- de akte uitlaten verzoeken Stellantis c.s. in verband met tegenbewijslevering van de Stichtingen.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.Verzoeken van Stellantis c.s.

2.1.
Stellantis c.s. hebben bij akte de rechtbank verzocht om:
1. op grond van artikel 19 Bewijsverordening Pro [3] een verzoek tot rechtstreekse bewijsverkrijging te richten aan het Département de l’entraide, du droit international privé et européen (DEDIPE) in Frankrijk overeenkomstig het in paragraaf 6.10 en 6.11 van de akte bepaalde en met gebruikmaking van het als productie 58 bij de akte gevoegde formulier L, althans een in goede justitie te bepalen andere wijze van invulling van formulier L in bijlage 1 bij de Bewijsverordening;
2. op grond van artikel 19 lid 3 Bewijsverordening Pro jo. artikel 12 lid 2 sub c Uitvoeringswet Pro jo. artikel 186 Rv Pro, de heer Alexander Blumrosen aan te wijzen als deskundige voor het verrichten van de verzochte bewijshandelingen in Frankrijk, bestaand uit het maken van afschriften van de (bewijs)stukken zoals omschreven in productie 57 bij de akte die zich in Frankrijk bevinden bij Stellantis Auto, Automobiles Peugeot en Automobiles Citroën, het overdragen van die afschriften aan (de advocaten van) Stellantis c.s. in Nederland, het openstellen van een databank met de software en het eventueel opzetten van een videoverbinding voor het getuigenverhoor;
3. op grond van artikel 19 lid 3 Bewijsverordening Pro jo. artikel 12 lid 2 sub a Uitvoeringswet Pro de meervoudige kamer die de zaak behandelt aan te wijzen om de rechtstreekse bewijsverkrijging tijdens het getuigenverhoor te kunnen verrichten;
4. de datum voor het openstellen van de databank met software en het indienen
van schriftelijk tegenbewijs voorlopig te stellen op 3 december 2025, onder voorbehoud dat het DEDIPE tijdig toestemming verleent;
5. SEC, SCC en SDEJ met ingang van de datum dat de software toegankelijk is, te verplichten de software vertrouwelijk te behandelen en hen:
a. te verbieden de software te gebruiken voor enig ander (toekomstig) geschil, onderzoek of doel, in welke jurisdictie dan ook, dan deze Nederlandse procedures;
b. te verbieden aan derden (digitaal of fysiek) afschrift van de software te verstrekken of mededelingen te doen over de inhoud daarvan, waaronder begrepen het voorlezen of citeren daarvan;
c. te verplichten de software (inclusief alle kopieën, notities en afgeleide documenten) te bewaren op een wijze die past bij de aard en gevoeligheid daarvan en ongeoorloofde toegang uitsluit;
d. te verplichten het aantal fysieke of digitale kopieën te beperken tot wat strikt noodzakelijk is voor deze procedures en iedere kopie te voorzien van de aanduiding “STRIKT VERTROUWELIJK - UITSLUITEND VOOR GEBRUIK IN PROCEDURES C/13/705132, C/13/712754 en C/13/712812”;
e. te verplichten de software (inclusief alle kopieën, notities en afgeleide documenten) binnen veertien dagen na het onherroepelijk einde van deze procedures te vernietigen;
6. SEC, SCC en SDEJ afzonderlijk te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 100.000 voor elke overtreding van het bepaalde onder 5 die ieder van hen begaat, met een maximum van € 1.000.000;
7. te bepalen dat SEC, SCC en SDEJ voorafgaand aan het verschaffen van toegang tot de (databank met) software aan hun deskundigen ten behoeve van deze procedures, eerst aan Stellantis c.s. een afschrift van een door die deskundigen ondertekende geheimhoudingsverklaring toezenden waarin zij verklaren zich te houden aan het genoemde onder 5 onder straffe van dezelfde dwangsom als genoemd onder 6.
2.2.
De Autodealers hebben zich aangesloten bij de stellingen en de inhoud van de akte van Stellantis c.s.
2.3.
De Stichtingen hebben zich verzet tegen inwilliging van de verzoeken van Stellantis c.s.
2.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, ingegaan.

3.De beoordeling

3.1.
Op deze zaak zijn de bepalingen van Rv van toepassing zoals die bepalingen luidden voorafgaand aan de inwerkingtreding van het nieuwe bewijsrecht per 1 januari 2025.
Het aangekondigde tegenbewijs door Stellantis c.s.
3.2.
De rechtbank heeft Stellantis c.s. en de Autodealers in het tussenvonnis van 30 juli 2025 toegelaten tot het leveren van tegenbewijs tegen het vermoeden dat alle Euro 5 PCD-voertuigen zijn voorzien van een of meer verboden manipulatie-instrumenten. De rechtbank heeft overwogen dat, indien Stellantis c.s. en de Autodealers van die gelegenheid gebruik maken, de aard van de zaak meebrengt dat zij volledige openheid van zaken zullen moeten geven in de oorspronkelijke werking en de oorspronkelijk toegepaste kalibraties in de software van het emissiecontrolesysteem van Euro 5 PCD-voertuigen.
3.3.
Stellantis c.s. hebben bij akte aangekondigd dat zij tegenbewijs willen leveren door:
- het overleggen van nadere producties met schriftelijk bewijsmateriaal;
- het openstellen van een databank met een verzameling van de originele kalibraties/softwarebestanden en/of softwaredocumentatie van de Euro 5 PCD-voertuigen (de software), met een nadere schriftelijke toelichting op de werking van het emissiecontrolesysteem, waar nodig en mogelijk mede aan de hand van testresultaten; en
- het als getuige doen horen van [naam] .
3.4.
De rechtbank zal Stellantis c.s. in de gelegenheid stellen dit tegenbewijs te leveren, met dien verstande dat zij vooralsnog geen aanleiding ziet voor het horen van [naam] als getuige.
3.5.
Het uitgangspunt is dat Stellantis c.s. in beginsel zelf bepalen op welke wijze zij invulling geven aan de aan hen gegeven bewijsopdracht. Het is dus aan Stellantis c.s. van welke bewijsmiddelen zij in dat kader gebruik willen maken.
3.6.
Met de Stichtingen is de rechtbank echter van oordeel dat het te leveren tegenbewijs zich in dit geval niet leent voor een getuigenverhoor als bedoeld in artikel 166 Rv Pro. De informatie over welke kalibraties voor de werking van de EGR in Euro 5 PCD-voertuigen zijn toegepast, is zeer technisch van aard. Om die reden heeft de rechtbank in het tussenvonnis ook overwogen dat het voor de hand ligt het tegenbewijs te leveren aan de hand van schriftelijke stukken (waaronder de rechtbank ook digitale stukken, zoals de software, verstaat).
3.7.
De rechtbank begrijpt het verzoek tot het horen van [naam] mede als een verzoek tot het horen van hem als een niet door de rechtbank benoemde deskundige als bedoeld in artikel 200 Rv Pro. Voor het op die grond horen van [naam] ziet de rechtbank bij de huidige stand van zaken geen aanleiding. Gelet op het technische karakter van de bewijsopdracht zal Stellantis c.s. eerst in de gelegenheid worden gesteld schriftelijke bewijsstukken te verstrekken. Daarna kan desverzocht worden beoordeeld of er reden is om in aanvulling op de schriftelijke bewijsvoering [naam] als deskundige te horen.
3.8.
Stellantis c.s. mogen gelet op het in 3.5 genoemde uitgangspunt tegenbewijs onder meer leveren door middel van het openstellen van een databank. Aan de bezwaren van de Stichtingen daartegen, die erop neerkomen dat het verstrekken van een door Stellantis c.s. naar eigen inzicht samengestelde verzameling software geen toegevoegde waarde heeft, gaat de rechtbank voorbij. Met deze bezwaren lopen de Stichtingen vooruit op de vraag of Stellantis c.s. erin zullen slagen met de over te leggen software het in het tussenvonnis aangenomen vermoeden te ontzenuwen. Die vraag is nu nog niet aan de orde.
Het verzoek om vertrouwelijke behandeling op grond van artikel 28 lid 1 onder Pro b Rv
3.9.
Aan het verzoek om de software vertrouwelijk te behandelen en het verbod om afschriften van de software aan derden te verstrekken of aan derden mededelingen te doen over de inhoud daarvan leggen Stellantis c.s. ten grondslag dat er nog steeds voertuigen in gebruik zijn waar deze software is toegepast. Bovendien vormt volgens Stellantis c.s. dezelfde architectuur de technische basis voor de doorontwikkeling van latere generaties voertuigen (Euro 6d-temp en 6d). Openbaarmaking van deze bedrijfsgevoelige informatie zou directe inzage geven in engineering-keuzes in de emissiestrategieën die voor rivaliserende fabrikanten substantiële tijd- en kostenbesparingen opleveren. Verspreiding van deze gegevens zou de concurrentiepositie en de intellectuele-eigendomsrechten van Stellantis c.s. ernstig schaden, zo stelt zij.
3.10.
De Stichtingen hebben zich verzet tegen inwilliging van dit verzoek, omdat – kort gezegd – geen sprake is van belangen die bescherming verdienen.
3.11.
Bij de beoordeling van het verzoek van Stellantis c.s. moet de rechtbank een
belangenafweging maken tussen het belang van openbaarheid van rechtspraak en de
eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van Stellantis c.s. waartoe voor hen als
rechtspersonen de waarborging van de vertrouwelijkheid van bedrijfsgegevens kan worden
gerekend. De rechtbank is van oordeel dat Stellantis c.s., tegenover het verweer van de
Stichtingen, onvoldoende hebben geconcretiseerd dat de software zodanige
bedrijfsgevoelige en/of concurrentiegevoelige informatie bevat die thans nog
bescherming verdient dat het belang bij geheimhouding daarvan zwaarder zou moeten
wegen dan het (zwaarwegende) belang bij openbaarheid van rechtspraak in deze collectieve
actieprocedure.
3.12.
De dieselvoertuigen van de emissiegeneratie waar het hier om gaat (Euro 5) zijn al geruime tijd geleden, namelijk in de periode van 1 september 2009 tot 1 september 2014, (nieuw) op de markt gebracht. Aangenomen kan worden dat de software door derden met enige kennis van zaken kan worden gedownload van de ECU (boordcomputer). Sinds de invoering van de Euro 6-norm zijn er ook aanzienlijke wijzigingen in het emissiecontrolesysteem van dieselvoertuigen doorgevoerd. Verder gaat het hier om dieselvoertuigen, terwijl het marktaandeel daarvan sinds 2015 enorm is verminderd. Stellantis c.s. hebben in het licht van deze omstandigheden onvoldoende gemotiveerd dat openbaarmaking van de software van deze oudere dieselvoertuigen, ondanks het aanzienlijke tijdsverloop, nog van (relevante) waarde is voor concurrerende fabrikanten en de intellectuele eigendomsrechten van Stellantis c.s. nog kunnen schaden.
3.13.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de door Stellantis c.s. gedane verzoeken tot geheimhouding niet proportioneel en daarmee niet toewijsbaar.
Het verzoek tot rechtstreekse bewijsverkrijging
3.14.
Stellantis c.s. hebben de rechtbank verzocht een verzoek te doen tot rechtstreekse bewijsverkrijging in een andere lidstaat als bedoeld in artikel 19 lid 1 van Pro de Bewijsverordening. De rechtbank zal dit verzoek toewijzen. De rechtbank overweegt daarover het volgende.
3.15.
Stellantis Auto, Automobiles Peugeot en Automobiles Citroën (PSA c.s.) zijn gevestigd in Frankijk. Niet weersproken is dat de software van de Euro 5 PCD-voertuigen en de schriftelijke informatie over het emissiecontrolesysteem van deze voertuigen (de schriftelijke stukken) berusten bij PSA c.s. in Frankrijk en dat de software en schriftelijke stukken vallen onder het toepassingsbereik van het naar Frans recht geldende ‘Blocking Statute’. [4] Het Blocking Statute verbiedt (personen namens) PSA c.s. om in het kader van een gerechtelijke procedure in het buitenland te communiceren (zowel mondeling als schriftelijk) over informatie die zich bij PSA c.s. in Frankijk bevindt, tenzij sprake is van een toegewezen verzoek tot rechtstreekse bewijsverkrijging op grond van artikel 19 van Pro de Bewijsverordening.
3.16.
De route via de Bewijsverordening biedt Stellantis c.s. dus de mogelijkheid om met inachtneming van het Blocking Statute tegenbewijs te leveren. De rechtbank ziet geen reden Stellantis c.s. die mogelijkheid te onthouden. Een andere kamer van deze rechtbank heeft eerdere verzoeken van Stellantis c.s. met het oog op bewijslevering in deze procedure toegewezen en die verzoeken zijn door DEDIPE voortvarend uitgevoerd.
3.17.
Gelet hierop is voor de rechtbank niet doorslaggevend of PSA c.s. een reëel risico op strafrechtelijke vervolging lopen als er geen verzoek op de grond van de Bewijsverordening wordt gedaan en evenmin dat Engelse rechters geen medewerking verlenen aan verzoeken om rechtshulp vanwege het Blocking Statute. In de uitspraken waarnaar de Stichtingen verwijzen, was bovendien sprake van een door de Engelse rechter gegeven ‘disclosure order’. Daarvan is hier geen sprake.
3.18.
Een verzoek tot rechtstreekse bewijsverkrijging leidt, anders dan de Stichtingen hebben aangevoerd, niet tot onredelijke vertraging van de procedure. Het centraal orgaan van de aangezochte staat, in dit geval het eerdergenoemde DEDIPE, moet op grond van artikel 19 lid 4 Bewijsverordening Pro binnen 30 dagen na ontvangst van het verzoek om rechtstreekse bewijsverkrijging aan de rechtbank meedelen of het verzoek is aanvaard. Aangenomen mag worden dat de Franse autoriteiten (DEDIPE) binnen deze termijn hun medewerking zullen verlenen.
3.19.
Aan de Stichtingen kan worden toegegeven dat Stellantis c.s. hun verzoek, net als hun eerdere verzoeken op grond van de Bewijsverordening, al enkele weken eerder met een daartoe strekkend verzoekschrift hadden kunnen indienen. Dat is echter onvoldoende reden om de rechtstreekse bewijsverkrijging nu te weigeren. Uit proceseconomische overwegingen zal de rechtbank in deze procedure beslissen op het verzoek in plaats van bij afzonderlijke beschikking.
3.20.
Het verzoek voldoet aan de formele bepalingen van de Bewijsverordening.
3.21.
Het verzoek ziet op drie bewijshandelingen:
  • i) het horen van een getuige ( [naam] );
  • ii) het door een deskundige openstellen van een databank met daarin de software van een verzameling van de Euro 5 PCD-voertuigen, die zich bevindt bij
  • iii) het door een deskundige maken van afschriften van (bewijs)stukken die nader zijn omschreven in productie 57 bij de akte van Stellantis c.s.
3.22.
De rechtbank zal voor het verzoek voor genoemde bewijshandelingen gebruik maken van het door Stellantis c.s. ingevulde en aangeleverde L-formulier. Dat het formulier ook ziet op het horen van [naam] als getuige is niet bezwaarlijk gelet op een mogelijk in de toekomst te bepalen verhoor op grond van artikel 200 Rv Pro.
3.23.
Als deskundige zal de heer Alexander Blumrosen worden aangewezen voor het verstrekken van afschriften van de schriftelijke stukken, het openstellen van een databank met de software van een verzameling van de Euro 5 PCD-voertuigen en voor het eventueel opzetten van een videoverbinding tussen [naam] in Frankrijk en de rechtbank ten behoeve van een verhoor als bedoeld in artikel 200 Rv Pro.
3.24.
De onderhavige meervoudige kamer van de rechtbank die deze zaak behandelt, dan wel een door die kamer aan te wijzen rechter-commissaris, zal worden aangewezen om de rechtstreekse bewijsverkrijging ter zitting te kunnen verrichten.
3.25.
De rechtbank zal op grond van artikel 12a Uitvoeringswet Bewijsverkrijgings-verordening bepalen dat Stellantis c.s. zorgen voor en de kosten betalen van een door een beëdigde vertaler vervaardigde Franse vertaling van de relevante stukken ten behoeve van de toezending aan DEDIPE. Als relevante stukken in de zin van artikel 5 lid 3 Bewijsverordening Pro merkt de rechtbank aan het als productie 58 door Stellantis c.s. ingevulde formulier L (inclusief de daarbij gevoegde bijlage), de akte van Stellantis c.s. van 10 september 2025 en dit vonnis.
3.26.
Gelet op de hiervoor genoemde beslistermijn van 30 dagen is er, anders dan Stellantis c.s. heeft verzocht, geen reden een termijn van acht weken voor het verkrijgen van toestemming van het DEDIPE aan te houden. De rechtbank acht een termijn van vijf weken, te rekenen vanaf de datum van dit vonnis, toereikend, daarbij ook rekening houdend met een korte termijn voor de door Stellantis c.s. aan te leveren vertaling van de relevante stukken aan de rechtbank. Stellantis c.s. moeten in staat zijn om binnen een daaropvolgende termijn van vier weken de databank met software open te stellen voor de Stichtingen en schriftelijke stukken in te dienen. Dit betekent dat de zaak zal worden verwezen naar de rol van
25 maart 2025 voor het openstellen van de databank met software en het indienen van schriftelijke stukken.

4.De beslissing

De rechtbank
4.1.
draagt de griffier op om op grond van artikel 19 Bewijsverordening Pro een verzoek tot rechtstreekse bewijsverkrijging te richten aan het DEDIPE in Frankrijk met gebruikmaking van een door Stellantis c.s. aan te leveren Franse vertaling van de in 3.25 genoemde relevante stukken,
4.2.
wijst de heer A.B. Blumrosen aan als deskundige voor het verrichten van de verzochte bewijshandelingen in Frankrijk,
4.3.
wijst deze meervoudige kamer van de rechtbank (of een door de meervoudige kamer aan te wijzen rechter-commissaris) aan om de rechtstreekse bewijsverkrijging tijdens een eventueel verhoor van [naam] te kunnen verrichten,
4.4.
bepaalt dat Stellantis c.s. zorgen voor en de kosten betalen van een Franse vertaling van de relevante stukken als bedoeld in 3.25,
4.5.
wijst de overige verzoeken af,
4.6.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
woensdag 25 maart 2025voor het openstellen van de databank met software en het indienen van schriftelijke bewijsstukken door Stellantis c.s.,
4.7.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.T. Kruis, mr. N.C.H. Blankevoort en mr. M. Wouters en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2026.

Voetnoten

1.De oorspronkelijke gedaagde 3 wordt niet meer vermeld, omdat de rechtbank zich in het eerdere vonnis van 16 augustus 2023 onbevoegd heeft verklaard om kennis te nemen van de vorderingen tegen gedaagde 3. Datzelfde geldt voor de oorspronkelijke gedaagden 138 tot en met 141.
2.Voor de gegevens van gedaagden 11 t/m 137 wordt verwezen naar het vonnis van 30 juli 2025.
3.Verordening (EU) 2020/1783 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2020 betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken (bewijsverkrijging).
4.Loi nr. 68-678 du 26 juillet 1968 relative à la communication de documents et renseignements d’ordre économique, commercial, industriel, financier ou technique à des personnes physiques ou morales étrangères (Wet nr. 68-678 van 26 juli 1968 met betrekking tot de openbaarmaking van economische, commerciële, industriële, financiële of technische documenten en informatie aan buitenlandse of natuurlijke of rechtspersonen).