Uitspraak
RECHTBANK Amsterdam
1.[gedaagde 1] ,
[gedaagde 2],
1.De procedure
- de conclusie van antwoord
- de mondelinge behandeling van 5 februari 2026
Bij de mondelinge behandeling waren aanwezig:
[gedaagden] met mr. Blom en mr. Johansen.
Na verder debat is vonnis bepaald op 19 februari 2026.
2.De feiten
Op basis van bestemmingsplan is een gemengde bestemming toegestaan” en “
De woning is gelegen in een gecombineerde woon/werk omgeving.” Ook is hierin opgenomen dat het pand een woonoppervlakte heeft van 106 m2.
Graag doen we hierbij een bod voor de vraagprijs van 699.000 € op de [adres] . We zijn niet gebonden aan banken of andere vormen van financiering en kunnen het in één keer betalen. Kunnen jullie het bod bevestigen?”
Klopt, we kennen het pand want we hebben er 2 jaar terug gezeten.” Daarbij ziet ‘we’ op de vennootschap van [gedaagden] , ‘ [bedrijf] B.V.’, die het bedrijfsgedeelte van 2018 tot 2020 van [eiser] had gehuurd. [1]
de vergunning voor opbouw is niet rond, er komt een groot kinderdagverblijf in de straat etc.” hadden meegenomen in hun bod. Daarbij hebben [gedaagden] opgemerkt dat de voornaamste reden voor het bod was dat hun (schoon)moeder op haar oude dag dan vlakbij [gedaagden] kon wonen.
Geachte heer [eiser] ,
3.3. Het geschil
4.De beoordeling
Partijen verschillen van mening over de vraag of [gedaagden] deze bescherming genieten. Volgens [eiser] is dit niet het geval omdat het pand een zakelijke bestemming heeft, [gedaagden] niet hebben beoogd zelf ook daadwerkelijk in het pand te gaan wonen en zij voorts hebben overwogen het pand als meester althans via hun besloten vennootschap [bedrijf] B.V. aan te kopen. Met [gedaagden] is de voorzieningenrechter van oordeel dat deze omstandigheden niet met zich brengen dat [gedaagden] niet kunnen worden aangemerkt als consument-kopers aan wie artikel 7:2 BW Pro bijzondere bescherming biedt.
pieds-à-terreen vakantie- en recreatiewoningen. De voorzieningenrechter volgt [gedaagden] in hun standpunt dat het schriftelijkheidsvereiste daarom evenzeer geldt voor de aankoop van een woning voor (in dit geval) een (schoon)moeder, omdat dit in de privésfeer valt. Dat [gedaagden] dus niet zelf hun intrek zouden nemen in het pand, maakt niet dat artikel 7:2 BW Pro niet op hen van toepassing zou zijn.
overwegingvan [gedaagden] om het pand als meester dan wel via hun besloten vennootschap aan te kopen, maakt dat niet anders. De door [eiser] gestelde kopers zijn immers natuurlijke personen die naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook niet handelden in de uitoefening van een beroep of bedrijf, zoals hiervoor is overwogen.
5.De beslissing
mr. G.P. Raats, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2026. Bij afwezigheid van mr. De Vries is dit vonnis ondertekend door mr. E.A. Messer, die het vonnis uitsprak.