ECLI:NL:RBAMS:2026:1667

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
13 februari 2026
Publicatiedatum
17 februari 2026
Zaaknummer
11859569 \ CV EXPL 25-11935
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:52 BWArt. 6:96 BWArt. 6:119a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betalingsovereenkomst en proceskosten bij bouwproject tussen aannemers

In deze civiele bodemzaak vordert de eiser, een eenmansaannemer, betaling van openstaande facturen van de gedaagde, een aannemersbedrijf dat betrokken was bij een bouwproject. De gedaagde voert verweer met opschorting en verrekening wegens vermeende bouwfouten en schade, en vordert in reconventie schadevergoeding.

De rechter stelt vast dat tussen partijen een contractuele relatie bestond waarbij de eiser in opdracht van de gedaagde werkzaamheden verrichtte. De gedaagde mocht zich niet beroepen op opschorting of verrekening omdat zij onvoldoende aannemelijk maakte dat zij een vordering op de eiser had. De vermeende bouwfouten zijn door de eiser hersteld en de achterliggende opdrachtgever bevestigt dat het werk naar behoren is uitgevoerd.

De gedaagde heeft een betalingsregeling erkend en deels nagekomen, waardoor haar beroep op dwaling faalt. De tegenvordering van de gedaagde wordt eveneens afgewezen. De kantonrechter veroordeelt de gedaagde tot betaling van het openstaande bedrag, de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten van de eiser.

Uitkomst: De gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van openstaande facturen, incassokosten en proceskosten, en de tegenvordering wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11859569 \ CV EXPL 25-11935
Vonnis van 13 februari 2026
in de zaak van
[eiser] (H.O.D.N. [handelsnaam eiser] ),
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie,
gemachtigde: mr. S. van Buuren,
tegen
[gedaagde] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie,
procederend in persoon.
Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 20 augustus 2025 met producties,
- de conclusie van antwoord in conventie en eis in reconventie met producties,
- het tussenvonnis van 14 november 2025 waarin een mondelinge behandeling is bepaald,
- de conclusie van antwoord in reconventie met producties,
- het bericht van [gedaagde] van 9 januari 2026 met aanvullende producties,
- de berichten van [eiser] van 9 en 12 januari 2026 met aanvullende producties,
- de mondelinge behandeling van 13 januari 2026, waarvan de griffier zittingsaantekeningen heeft gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vandaag vonnis gewezen.

2.De feiten in conventie en in reconventie

2.1.
[eiser] is aannemer en heeft een eenmansbedrijf. [gedaagde] is een aannemersbedrijf, gespecialiseerd in renovatie en onderhoud van vastgoed.
2.2.
[eiser] heeft in 2023 en 2024 werkzaamheden verricht aan de woning van de heer [naam] (hierna: de achterliggende opdrachtgever). [eiser] heeft onder andere de funderingsbekisting gebouwd. [gedaagde] was ook betrokken bij dit project en stuurde [eiser] en andere werklieden op de bouwplaats aan.
2.3.
Voor zijn werk heeft [eiser] [gedaagde] vier facturen gestuurd, gedateerd 28 juli, 28 augustus, 29 september 2023 en 30 januari 2024.

3.Het geschil

In conventie
3.1.
[eiser] vordert veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 21.305,76, vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
[eiser] vordert betaling van de facturen die hij aan [gedaagde] heeft gestuurd voor het werk dat hij heeft verricht. Deze heeft [gedaagde] al deels betaald en [eiser] vordert nu het nog openstaande bedrag.
3.3.
[gedaagde] voert verweer en beroept zich op opschorting en verrekening. [gedaagde] heeft namelijk schade geleden door [eiser] , die zij ook in reconventie vordert. Door deze schadevordering mag [gedaagde] de betaling van de facturen opschorten, of anders moeten deze twee vorderingen met elkaar worden verrekend.
In reconventie
3.4.
[gedaagde] vordert veroordeling van [eiser] tot betaling van € 36.177,37, vermeerderd met rente en kosten.
3.5.
[gedaagde] vordert vergoeding van schade die zij als gevolg van fouten van [eiser] heeft geleden. [eiser] is bij zijn werk afgeweken van de bouwtekeningen zonder dit te overleggen met [gedaagde] . Door deze fouten heeft de gemeente een bouwstop van acht maanden bevolen en is onenigheid ontstaan met de achterliggende opdrachtgever. Deze opdrachtgever heeft vervolgens de eindafrekening van [gedaagde] niet betaald, wat [gedaagde] nu op [eiser] verhaalt.
3.6.
[eiser] ontkent te zijn afgeweken van de bouwtekeningen en fouten te hebben gemaakt. Dat de eindafrekening van [gedaagde] niet is betaald ligt dus niet aan hem.

4.De beoordeling

In conventie
4.1.
De vraag die partijen aan de kantonrechter hebben voorgelegd is of [eiser] recht heeft op betaling van zijn facturen, en of [gedaagde] zich mag beroepen op opschorting of verrekening. De kantonrechter komt tot het oordeel dat [gedaagde] de facturen moet betalen. Haar verweren slagen niet. Hieronder volgt de toelichting op dit oordeel.
Rechtsverhouding tussen partijen
4.2.
Het eerste punt waar partijen het over oneens zijn is hun onderlinge rechtsverhouding. Volgens [eiser] was hij de onderaannemer en was [gedaagde] de hoofdaannemer en dus zijn opdrachtgever. [gedaagde] voert aan dat zij slechts tussenpersoon was en dat [eiser] een overeenkomst had gesloten met de achterliggende opdrachtgever. Dit heeft [gedaagde] naar eigen zeggen mondeling gemeld aan [eiser] . [eiser] ontkent dit, hij had alleen rechtstreeks contact met [gedaagde] en kreeg van haar instructies. Hem is nooit verteld dat [gedaagde] optrad namens een achterliggende opdrachtgever. Ook zijn facturen waren aan [gedaagde] gericht en zijn door haar betaald. [gedaagde] heeft dit alles op haar beurt niet weersproken.
4.3.
Bij het vaststellen van de rechtsverhouding van partijen moet gekeken worden naar alle relevante omstandigheden, waaronder het onderlinge contact en de verwachtingen die partijen hieraan mochten ontlenen. [gedaagde] heeft alleen aangevoerd dat zij mondeling aan [eiser] heeft medegedeeld dat hij een overeenkomst aanging met een achterliggende opdrachtgever en niet met [gedaagde] . [eiser] heeft dit ontkend en deze mondelinge mededeling kan, mede bij gebrek aan enig bewijsaanbod, ook niet meer worden achterhaald. Gezien de omstandigheden die [eiser] aanvoert over de aansturing van de werkzaamheden door [gedaagde] op de bouwplaats, de aan haar gerichte facturen en door haar gedane betalingen mocht hij erop vertrouwen dat hij als onderaannemer werkte in opdracht van [gedaagde] . Daar komt bij dat partijen eerder al een betalingsregeling hebben getroffen, waaruit blijkt dat [gedaagde] heeft erkend dat zij een betalingsverplichting met [eiser] is aangegaan (zie 4.9 hierna).
4.4.
Hieruit volgt dat [eiser] en [gedaagde] een contractuele relatie zijn aangegaan waarbij [eiser] in opdracht van [gedaagde] tegen betaling werkzaamheden heeft verricht. In principe moet [gedaagde] haar betalingsplicht nakomen en de facturen betalen, tenzij zij deze betaling mag opschorten of verrekenen, wat hierna aan bod komt.
Het opschortingsverweer van [gedaagde]
4.5.
doet een beroep op opschorting van haar betalingsplicht, omdat zij stelt zelf schade te hebben geleden door fouten van [eiser] . [eiser] is namelijk op eigen initiatief en zonder overleg afgeweken van de bouwtekeningen van de funderingsbekisting. Hierdoor zijn fouten gemaakt en heeft de gemeente vervolgens een bouwstop bevolen. Als gevolg hiervan zijn de verhoudingen met de achterliggende opdrachtgever dusdanig verslechterd dat die de eindafrekening van [gedaagde] niet heeft betaald. Deze eindafrekening bedraagt € 36.177,37, wat volgens [gedaagde] haar schade is. Ook stelt [gedaagde] dat ze recht heeft op een specificatie van de werkzaamheden die op de facturen vermeld staan, voordat zij deze betaalt.
4.6.
[eiser] betwist dit, hij heeft geen fouten gemaakt bij de uitvoering van zijn werkzaamheden en [gedaagde] heeft hier op de bouw ook nooit over geklaagd. [eiser] is niet op eigen houtje afgeweken van de bouwtekeningen. Toen volgens de gemeente aanpassingen nodig waren, heeft hij alles op eigen kosten aangepast. [eiser] verwijst naar een schriftelijke verklaring van de achterliggende opdrachtgever waar dit uit blijkt. De achterliggende opdrachtgever geeft in deze verklaring aan de kosten van de werkzaamheden van [eiser] te hebben betaald aan [gedaagde] . [gedaagde] zou dit op haar beurt moeten betalen aan [eiser] , zoals zij ook via WhatsApp meermaals aan [eiser] heeft beloofd en partijen in hun regeling hadden afgesproken.
4.7.
Een partij mag een verplichting jegens zijn wederpartij opschorten, als hij zelf een opeisbare vordering heeft op dezelfde wederpartij (artikel 6:52 Burgerlijk Pro Wetboek). De vraag is dus of [gedaagde] een vordering heeft op [eiser] waardoor zij haar betalingsverplichting mag opschorten.
4.8.
De kantonrechter laat in het midden of er sprake is van bouwfouten en aan wie die te wijten zijn. Tijdens de zitting waren partijen het er immers over eens dat [eiser] in dat geval de gestelde fouten op eigen kosten heeft hersteld. Volgens [gedaagde] heeft zij desondanks schade geleden, omdat de achterliggende opdrachtgever door de (nasleep van de) fouten van [eiser] de eindafrekening niet heeft betaald. [eiser] weerlegt dit met de verklaring van deze zelfde opdrachtgever. Uit de verklaring volgt dat er een meningsverschil is ontstaan tussen de opdrachtgever en [gedaagde] , maar dat dit ligt aan allerlei verschillende omstandigheden die verder geen betrekking hebben op de werkzaamheden van [eiser] . De achterliggende opdrachtgever verklaart ook dat het werk van [eiser] naar behoren is uitgevoerd. De kantonrechter kan bij die stand van zaken niet vaststellen dat de verhoudingen tussen [gedaagde] en de achterliggende opdrachtgever door toedoen van [eiser] zo ernstig zijn verstoord dat [gedaagde] schade heeft geleden. [gedaagde] komt in dat verband dus ook geen beroep op opschorting toe. De kantonrechter komt daarmee niet meer toe aan het aanbod dat [eiser] op de zitting heeft gedaan om een aanvullende e-mail van de achterliggende opdrachtgever in te dienen, en de bezwaren van [gedaagde] daartegen.
4.9.
Verder overweegt dat kantonrechter dat [gedaagde] niet heeft ontkend dat zij met [eiser] op enig moment een betalingsregeling heeft afgesproken en die ook deels is nagekomen. [eiser] heeft terecht betoogd dat [gedaagde] met het treffen en deels nakomen van die regeling haar betalingsverplichtingen heeft erkend. Tijdens de zitting heeft [gedaagde] in dit verband een beroep op dwaling gedaan omdat haar pas na het treffen van deze regeling de door haar gestelde schade bekend werd. Omdat hiervoor is geoordeeld dat die schade niet kan worden vastgesteld, kan het daarop gebaseerde beroep op dwaling ook niet slagen. [gedaagde] heeft verder niet toegelicht waarom het uitblijven van de in deze zaak gevraagde specificaties haar er destijds niet van heeft weerhouden een betalingsregeling met [eiser] te treffen en deze ook deels na te komen. Bij gebreke aan een verdere toelichting op dit punt, kan ook het hierop gebaseerde opschortingsverweer niet slagen.
Het verrekeningsverweer van [gedaagde]
4.10.
Als laatste voert [gedaagde] aan, dat zij een beroep kan doen op verrekening van haar schadevordering op [eiser] met zijn betalingsvordering. Voor het bestaan van haar schadevordering, wijst [gedaagde] naar dezelfde omstandigheden als hiervoor onder 4.8. Omdat de kantonrechter die omstandigheden niet heeft kunnen vaststellen en ook voor een beroep op verrekening vereist is dat [gedaagde] een vordering op [eiser] heeft, kan dit verweer niet slagen.
Conclusie
4.11.
De verweren van [gedaagde] slagen niet. [gedaagde] moet de openstaande factuurbedragen aan [eiser] voldoen. Zijn vorderingen worden toegewezen.
4.12.
[eiser] vordert ook vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Het gevorderde bedrag van € 988,06 is in lijn met het Besluit en zal worden toegewezen.
4.13.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van [eiser] betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
147,42
- griffierecht
732,00
- salaris gemachtigde
1.086,00
(2 punten × € 543,-)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.100,42
In reconventie
4.14.
De tegenvordering van [gedaagde] betreft dezelfde schadevordering als waar zij het opschortings- en verrekeningsverweer op heeft gebaseerd. In reconventie geldt voor die vordering hetzelfde als in conventie, zodat de tegenvordering moet worden afgewezen. De kantonrechter verwijst naar de motivering in 4.8. hiervoor.
4.15.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van [eiser] betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
543,00
(1 punt × € 543,-)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
678,00

5.De beslissing

De kantonrechter
in conventie
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 21.305,76, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 9 februari 2024, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 988,06 aan buitengerechtelijke kosten,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten [eiser] van € 2.100,42, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart dit vonnis tot aan hier uitvoerbaar bij voorraad,
in reconventie
5.5.
wijst de vorderingen van [gedaagde] af,
5.6.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten [eiser] van € 678,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.7.
verklaart onderdeel 5.6 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.F. de Groot, kantonrechter, bijgestaan door mr. Z.A. Mees, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2026.