ECLI:NL:RBAMS:2026:1631

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
16 februari 2026
Zaaknummer
11751122 WM VERZ 25-9189
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 WahvArt. 2 lid 3 WahvArt. 2 lid 5 WahvArt. 2 lid 1 WahvArt. 2 Wegenverkeerswet 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen boete voor snelheidsovertreding buiten de bebouwde kom

Betrokkene werd beboet voor het overschrijden van de maximumsnelheid met 21 km/u buiten de bebouwde kom op een provinciale weg. De boete van €252,- is vastgesteld op basis van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) en de bijbehorende bijlage, die sinds 2005 is verdubbeld.

De gemachtigde van betrokkene voerde aan dat de boete niet evenredig is met de ernst van het feit, verwijzend naar een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden en adviezen om boetes te verlagen. Verweerder stelde dat de boete gebaseerd is op beleidskeuzes om gevaarlijk rijgedrag te ontmoedigen en dat de boete in redelijke verhouding staat tot de overtreding.

De rechtbank stelde vast dat de snelheidsovertreding met een goedgekeurd radarapparaat is vastgesteld en dat de overtreding niet werd betwist. De kantonrechter erkende dat de boetes sinds 2005 sterk zijn gestegen, maar oordeelde dat dit het gevolg is van politieke en bestuurlijke keuzes en dat de boete niet onevenredig is gezien de ernst van de overtreding en het gevaar voor de verkeersveiligheid.

Er werden geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die matiging van de boete rechtvaardigen. Het verzoek om proceskostenvergoeding werd afgewezen omdat betrokkene in het ongelijk werd gesteld. Het beroep werd ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de boete voor snelheidsovertreding wordt ongegrond verklaard en de boete blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht
kantonrechter: mr. J.F. Kuiken
zaaknummer: 11751122 WM VERZ 25-9189
beslissing van: 29 januari 2026
func.: 462
Afschrift van de aantekening in het proces-verbaal van de openbare zitting van 29 januari 2026 inzake het beroep ingevolge de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (verder: de Wahv) van:

[betrokkene]

[adres 1]
(verder: betrokkene)
voor wie beroep is ingesteld door:
[gemachtigde]
[adres 2]
(verder: gemachtigde)
welk beroep is ingesteld bij verzoekschrift, ingekomen bij de CVOM te Utrecht op 30 januari 2025 en is gericht tegen de beslissing van 28 januari 2025 van de
officier van justitie(verder: verweerder) ten aanzien van betrokkene, geboren [geboortedatum] 1963:

CJIB-nummer: [nummer]

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Aan betrokkene is bij beschikking van 26 mei 2024 (verder: de inleidende beschikking) een sanctie in het kader van de Wahv opgelegd. Betrokkene heeft tegen de inleidende beschikking beroep ingesteld bij verweerder. Deze heeft dat beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft betrokkene vervolgens beroep ingesteld bij de kantonrechter. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende gegevens overgelegd. Het beroep is behandeld op de openbare zitting van 29 januari 2026. Partijen zijn voor deze zitting opgeroepen.
Betrokkene is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet bij de zitting verschenen.
Ter zitting heeft verweerder gereageerd op de inhoud van het beroepschrift. Verweerder heeft geconcludeerd dat het beroep ongegrond is.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

1. Betrokkene wordt verweten dat met het motorvoertuig, met kenteken [kenteken] , waarvoor betrokkene als kentekenhouder aansprakelijk is, de maximumsnelheid buiten de bebouwde kom met 21 km per uur is overschreden (verkeersbord A1). Deze gedraging is geconstateerd op 12 mei 2024 om 17.05 uur op de Legmeerdijk (N231), kruising Provincialeweg (N201) te Amstelveen.
2. Het beroep is tijdig ingesteld.
3. Gemachtigde voert tegen de beslissing van verweerder aan dat de hoogte van de sanctie niet evenredig is met de ernst van het gepleegde feit. De hoogte van de opgelegde sanctie is gebaseerd op de Bijlage bij de Wahv, laatstelijk gewijzigd bij Besluit van 26 januari 2023 (Stb. 2023, 518). In zijn arrest van 31 juli 2025 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:GHARL:2025:4719) geoordeeld dat dit besluit niet berust op een deugdelijke motivering met betrekking tot de evenredigheid van de sanctiebedragen. Dat geldt dus ook voor het onderhavige besluit van verweerder en is daarom onvoldoende gemotiveerd. De gemachtigde betwist dat de hoogte van de sanctie evenredig is met de ernst van het gepleegde feit. Niet valt in te zien hoe het kan dat, als de bedragen in 2005 evenredig waren, een verdubbeling van deze bedragen, na inflatiecorrectie, nog steeds evenredig geacht kan worden, zonder dat hieraan nieuwe strafrechtelijke inzichten ten grondslag liggen. Gemachtigde wijst erop dat het Openbaar Ministerie zelf in het rapport 'Boetestelsels in balans' (2023) geadviseerd heeft de boetes met 25 tot 30% te verlagen. Ook de Afdeling Advies van de Raad van State vond een verhoging van 66% in vier jaar tijd niet proportioneel.
Gelet op het voorgaande verzoekt gemachtigde de sanctie te matigen tot het sanctiebedrag uit 2005, € 94,00, vermeerderd met een inflatiecorrectie van 47%, dus € 138,00, of tot het sanctiebedrag uit 2023, € 221,00, verminderd met 25%, dus € 165,00, zoals geadviseerd wordt door het Openbaar Ministerie, of het sanctiebedrag uit 2023, vermeerderd met slechts 4,3% inflatiecorrectie, dus € 230,00, of tot enig ander bedrag dat de kantonrechter geraden voorkomt.
Namens betrokkene is verder verzocht om een proceskostenvergoeding.
4. Verweerder stelt zich ter zitting op het standpunt dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard. De gedraging is op basis van de stukken in het dossier voldoende komen vast te staan. Ten aanzien van het argument van gemachtigde dat de hoogte van boete disproportioneel en onevenredig is, merkt verweerder op dat de verhogingen van de boetes zijn opgesteld op grond van objectieve criteria en het gevolg zijn van beleidskeuzes. Sancties voor overtredingen als de onderhavige zijn zo hoog, omdat daarmee wordt beoogd gevaarlijk rijgedrag te ontmoedigen. Daarom zijn bijvoorbeeld parkeerboetes minder hoog, omdat het minder gevaarzettend gedrag is. Bij overtredingen als snelheidsoverschrijdingen en mobiele telefoon vasthouden tijdens het rijden is sprake van meer risico op ongelukken en daardoor meer gevaarzetting. De boete is daarom hoger voor dit soort overtredingen. Er is in dit geval met een aanzienlijke snelheid gereden. Verweerder stelt dat de boete in redelijke verhouding staat tot de ernst van de overtreding.
5. Het volgende wordt overwogen.
6. De gedraging is langs elektronische weg geconstateerd en digitaal vastgelegd. De snelheid is vastgesteld met een voor de meting getest, goedgekeurd en op de voorgeschreven wijze gebruikt snelheidsmeetmiddel, te weten radarapparatuur welke is gemonteerd in een flitspaal. De geconstateerde snelheid bedroeg 84 km/u. Er is een correctie op de gemeten snelheid toegepast overeenkomstig de richtlijnen. De werkelijke gemiddelde (gecorrigeerde) snelheid bedroeg 81 km/u, terwijl de maximaal toegestane snelheid ter plaatse 60 km/u bedraagt. De gedraging is tevens vastgelegd op twee foto’s, waarop het kenteken van het motorvoertuig duidelijk waarneembaar is. Gelet hierop kan als vaststaand worden aangenomen dat de gestelde gedraging met het motorvoertuig, waarvan het kenteken op naam van betrokkene is gesteld, is verricht.
7. Namens betrokkene wordt de gedraging ook niet betwist zodat, mede gelet op de verklaring van de verbalisant, van de juistheid daarvan wordt uitgegaan.
8. Voor deze gedraging is een boete opgelegd van € 252,00. De hoogte van deze sanctie is gebaseerd op grond van artikel 2, derde lid, Wahv en de bij die wet behorende bijlage (Bijlage). Deze Bijlage is een algemene maatregel van bestuur in de zin van artikel 2, vijfde lid, van de Wahv, welk algemeen verbindend voorschrift elk jaar opnieuw wordt vastgesteld.
9. Gemachtigde voert aan dat de sanctie (het boetebedrag) onevenredig is ten opzichte van het gepleegde feit (de gedraging). Het evenredigheidsbeginsel brengt mee dat bij de bepaling van de hoogte van de sanctie uitgangspunt is dat deze in redelijke verhouding staat tot de aard en de ernst van de gedraging, waarbij doel van de sanctie is het sanctioneren van strafwaardig gedrag en het dienen van de belangen waartoe de in artikel 2, eerste lid, van de Wahv genoemde regelgeving strekt, zoals de belangen genoemd in artikel 2 van Pro de Wegenverkeerswet 1994.
10. Aan betrokkene kan worden toegegeven dat verweerder in het bestreden besluit niet is ingegaan het beroep op het evenredigheidsbeginsel. Dit leidt echter niet tot vernietiging van het bestreden besluit, nu verweerder op de zitting alsnog heeft gemotiveerd waarom de sanctie niet onevenredig is ten opzichte van de gedraging.
11. De kantonrechter wijst naar de hiervoor genoemde uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 31 juli 2025, waarin het hof heeft gemotiveerd dat (kort gezegd) de regelgever bij het vaststellen van de Bijlage een ruime beslissingsruimte heeft waarin politieke en bestuurlijke afwegingen een rol spelen en dat bij de vaststelling van de sancties naast de indexatie ook de financiële taakstelling mag worden betrokken. Dat is ook gebeurd. Dat neemt niet weg dat nog beoordeeld moet worden of het vastgestelde sanctiebedrag voor de gedraging die hier voorligt evenredig is. De kantonrechter vindt de relatieve stijging ook hoog maar die is gebaseerd op politieke bestuurlijke keuzes. Het sanctiebedrag van € 252,- voor de voorliggende gedraging is hoog, maar naar het oordeel van de kantonrechter niet onevenredig. Het sanctiebedrag staat in redelijke verhouding tot de aard en de ernst van de gedraging.
12. Het gaat hier om te hard rijden buiten de bebouwde kom op een provinciale (N-)weg. De veiligheid van de andere verkeersdeelnemers wordt met deze gedraging rechtstreeks in gevaar gebracht. De gedraging raakt dan ook de verkeersveiligheid, zoals verweerder terecht aangeeft, en moet worden ontmoedigd. De kantonrechter merkt nog op dat haar ambtshalve bekend is dat de regelgever in het verleden ervoor gekozen heeft sancties op gedragingen die de verkeersveiligheid raken sneller te laten stijgen dan verkeersovertredingen die dat niet doen. Daarbij merkt de kantonrechter op dat zij is nagegaan hoe hoog de strafbeschikkingen zijn voor snelheidsovertredingen. Ook daarmee vergeleken is deze sanctie in zijn algemeenheid niet onevenredig. Verweerder is dus terecht uitgegaan van de in de Bijlage vastgestelde sanctie op de gedraging.
13. Slechts bijzondere omstandigheden kunnen aanleiding geven om in een individueel geval van het vastgestelde tarief af te wijken. Daarbij geldt wel dat betrokkene feiten en omstandigheden naar voren moet brengen en zo nodig aannemelijk moet maken, die reden kunnen zijn om de boete te matigen, dan wel dat dergelijke omstandigheden voldoende zijn gebleken. Dat is hier niet het geval. Namens betrokkene wordt daarover niets aangevoerd, anders dan eerdergenoemde algemene bezwaren tegen de verhoging van de boetes. Er is dus geen reden voor matiging van de boete.

Ten aanzien van de proceskostenvergoeding:

14. Namens betrokkene heeft de gemachtigde om een vergoeding van de proceskosten verzocht. Betrokkene wordt in de onderhavige zaak volledig in het ongelijk gesteld. Voor toekenning van een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
15. Daarom wordt beslist als volgt.

BESLISSING

De kantonrechter:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om een proceskostenvergoeding af.
De griffier De kantonrechter
Datum verzending
Bent u het met deze beslissing niet eens, dan kunt u
binnen zes wekenna de hierboven vermelde datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, maar alleen indien de als gevolg van deze beslissing te betalen administratieve sanctie meer dan € 110,00 bedraagt. Het beroepschrift dient schriftelijk (niet per e-mail) te worden ingediend bij rechtbank Amsterdam, afdeling privaatrecht, team kanton, postbus 70515, 1007 KM, Amsterdam en dient door degene die het beroep instelt of een gemachtigde te worden ondertekend. De procedure bij het gerechtshof verloopt schriftelijk,
tenzij in het beroepschrift uitdrukkelijk om een mondelinge behandeling wordt gevraagd.