ECLI:NL:RBAMS:2026:1627

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
13 februari 2026
Publicatiedatum
13 februari 2026
Zaaknummer
C/13/780406 / FA RK 25-9687 en C/13/780389 / FA RK 25-9677
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 21 RvArt. 223 RvArt. 1:247 lid 4 BWArt. 1:253a lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling co-ouderschapsregeling en hoofdverblijfplaats minderjarige

Partijen, voormalige partners, voeren gezamenlijk het ouderlijk gezag over hun minderjarige kind, geboren in 2021. De vrouw verzoekt wijziging van de hoofdverblijfplaats en een zorgregeling waarbij het kind voornamelijk bij haar verblijft, terwijl de man een 50/50 co-ouderschapsregeling voorstaat. De Raad voor de Kinderbescherming adviseert een 2-2-5-5 regeling vanwege de noodzaak van structuur en duidelijkheid voor het kind.

De rechtbank oordeelt dat de gebrekkige communicatie tussen partijen niet zodanig is dat co-ouderschap uitgesloten moet worden. De uiteenlopende opvoedstijlen vormen eveneens geen contra-indicatie. De vrouw heeft geen zwaarwegende redenen voor wijziging van de hoofdverblijfplaats aangevoerd; financiële motieven zijn onvoldoende.

De rechtbank stelt een definitieve zorgregeling vast met een 2-2-5-5 verdeling van de zorg en een vakantieschema met wisselende verblijfsperiodes. De hoofdverblijfplaats blijft bij de man. De vrouw wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot voorlopige voorziening. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen drie maanden worden aangevochten bij het Gerechtshof Amsterdam.

Uitkomst: De rechtbank stelt een 2-2-5-5 co-ouderschapsregeling vast en bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de man blijft.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
zaaknummer / rekestnummer: C/13/780406 / FA RK 25-9687 (provisionele voorziening)
C/13/780389 / FA RK 25-9677 (bodemprocedure)
Beschikking van 13 februari 2026 betreffende vaststelling zorgregeling en hoofdverblijfplaats
in de zaak van:
[de vrouw],
wonende te [plaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. R. Gardeslen te Amsterdam,
tegen
[de man],
wonende te [plaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. B.L. van Riel te Assen.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Amsterdam,
locatie [locatie] ,
hierna te noemen: de Raad.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank heeft in de procedure met zaaknummer C/13/780406 / FA RK 25-9687 kennisgenomen van de stukken waaronder:
  • het verzoekschrift van de vrouw, ingekomen op 15 december 2025;
  • de USB-stick met mediabestanden, van de vrouw, ingekomen op 19 januari 2025.
  • het F9-formulier met bijlagen van de vrouw, gedateerd 16 januari 2026, ingekomen op 20 januari 2026;
  • het F9-formulier met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 21 januari 2026;
  • het verweerschrift, tevens zelfstandig verzoekschrift, van de man, ingekomen op 21 januari 2026;
  • het verweerschrift van de vrouw, ingekomen op 26 januari 2026;
  • het F9-formulier met bijlagen van de man, ingekomen op 26 januari 2026.
1.2.
De rechtbank heeft in de procedure met zaaknummer C/13/780389 / FA RK 25-9677 kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift van de vrouw, ingekomen op 15 december 2025;
  • het F9-formulier met bijlage van de vrouw, ingekomen op 5 januari 2025;
  • de USB-stick, met mediabestanden, van de vrouw, ingekomen op 19 januari 2025.
  • het F9-formulier met bijlagen van de vrouw, gedateerd 16 januari 2026, ingekomen op 20 januari 2026;
  • het F9-formulier met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 21 januari 2026;
  • het verweerschrift, tevens zelfstandig verzoekschrift, van de man, ingekomen op 21 januari 2026;
  • het verweerschrift van de vrouw, ingekomen op 26 januari 2026;
  • het F9-formulier met bijlagen van de man, ingekomen op 26 januari 2026.
1.3.
De behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting met gesloten deuren van 29 januari 2026. Verschenen en gehoord zijn:
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;
  • mevrouw [persoon 1] namens de Raad.
1.4.
Partijen hebben pleitnotities voorgedragen en overgelegd.
1.5.
De rechtbank heeft het verzoek van de man om de videobeelden van de vrouw, die middels een USB-stick op 19 januari 2025 zijn ingekomen, gelet op artikel 21 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dan wel de Procesreglementen familie- en jeugdrecht rechtbanken, buiten beschouwing te laten, afgewezen. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling de gelegenheid gekregen om op de inhoud van de videobeelden te reageren.

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie gehad, uit welke het volgende thans minderjarige kind is geboren:
- [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2021 te [geboorteplaats] .
2.2.
Partijen voeren gezamenlijk het ouderlijk gezag uit over [minderjarige] .
2.3.
[minderjarige] staat in de BRP ingeschreven bij de man, op het adres van de gezamenlijke koopwoning.

3.Het verzoek

In de procedure met zaaknummer C/13/780406 / FA RK 25-9687:
3.1.
De vrouw verzoekt de rechtbank bij beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, bij wege van een provisionele voorziening:
I. te bepalen dat [minderjarige] aan de vrouw wordt toevertrouwd en op het adres van de vrouw wordt ingeschreven;
II. te bepalen dat, zolang nog niet is beslist over een definitieve zorgregeling, een voorlopige zorgregeling geldt die inhoudt dat [minderjarige] om de twee weken in het
weekend van vrijdagmiddag uit school/BSO tot de daarop volgende maandag naar
school/BSO bij de man verblijft alsook elke dinsdag uit school/BSO tot de volgende
ochtend naar school/BSO, en de overige tijd bij de vrouw verblijft;
III. te bepalen dat, zolang nog niet is beslist over een definitieve vakantieregeling, een voorlopige vakantieregeling geldt, zoals opgenomen in het verzoekschrift van de vrouw van 15 december 2025.
3.2.
De man voert verweer.
In de procedure met zaaknummer C/13/780389 / FA RK 25-9677:
3.3.
De vrouw verzoekt de rechtbank, bij beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. te bepalen dat [minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats bij de vrouw heeft;
II. een zorgregeling vast te stellen die inhoudt dat [minderjarige] om de twee weken in het weekend van vrijdagmiddag uit school/BSO tot de daarop volgende maandag naar school/BSO bij de man verblijft alsook elke dinsdag uit school/BSO tot de volgende ochtend naar school/BSO, en de overige tijd bij de vrouw verblijft;
III. een vakantieregeling vast te stellen, zoals opgenomen in het verzoekschrift van de vrouw van 15 december 2025.
3.4.
De man voert verweer en verzoekt de rechtbank, bij beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. te bepalen dat [minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats heeft bij de man, althans dat hij bij de man in de BRP ingeschreven blijft op zijn adres;
II. de volgende zorgregeling vast te stellen, althans een dergelijke zorgregeling met een 50/50-verdeling als door de rechtbank te bepalen:
 een 2-2-5-5-co-ouderschapszorgregeling, waarbij:
o [minderjarige] elke maandag en dinsdag bij de vrouw is, het wisselmoment is woensdagochtend via school;
o [minderjarige] elke woensdag en donderdag bij de man is, het wisselmoment is vrijdagochtend via school;
o [minderjarige] vervolgens van vrijdag tot en met dinsdag bij de vrouw is, het wisselmoment is woensdagochtend via school;
o [minderjarige] vervolgens van woensdag tot en met zondag bij de man is, het wisselmoment is maandagochtend via school;
III. een verdeling van de vakanties vast te stellen op de wijze zoals opgenomen in het verweerschrift, tevens zelfstandig verzoekschrift, van de man van 21 januari 2026.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna nader ingegaan.

4.De beoordeling

In de procedure met zaaknummer C/13/780406 / FA RK 25-9687:
Ontvankelijkheid
4.1.
In een verzoekschriftprocedure kan een voorlopige voorziening naar analogie van artikel 223 Rv Pro worden verzocht. Ingevolge artikel 223 lid 1 Rv Pro kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter voorlopige voorzieningen zal treffen voor de duur van het geding. Ingevolge het tweede lid moet deze vordering samenhangen met de hoofdvordering.
4.2.
De vrouw heeft, naast het onderhavige verzoek tot het treffen van een provisionele voorziening, gelijktijdig een verzoek in de bodemzaak ingediend. Het verzoek in de bodemzaak staat bij de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer C/13/780389 / FA RK 25/9677. De vrouw heeft daarmee voldaan aan het in artikel 223 lid 2 Rv Pro opgenomen vereiste.
4.3.
De rechtbank dient daarnaast te onderzoeken of bij de toewijzing van het verzoek een voldoende (spoedeisend) belang bestaat. Van een voldoende belang bij toewijzing van een dergelijk verzoek is sprake indien van de verzoekende partij niet kan worden gevergd dat hij de afloop van de bodemprocedure afwacht. De rechtbank dient daarbij de belangen van alle betrokkenen af te wegen tegen de achtergrond van de te verwachten resterende duur van de hoofdzaak en van de proceskansen daarin. Het enkele feit dat een partij stelt recht te hebben op het gevorderde in de hoofdzaak is daarvoor onvoldoende. Daarnaast zal ook moeten worden gesteld waarom de uitspraak in de hoofdzaak niet kan worden afgewacht.
4.4.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw geen belang meer bij het provisionele verzoek. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. In verband met de verhinderdata van partijen is het niet gelukt om het provisionele verzoek eerder dan 29 januari 2026 ter terechtzitting te behandelen. Het provisionele verzoek is dan ook gelijktijdig met de bodemprocedure behandeld. In de bodemprocedure, zoals hieronder vermeld, is een beslissing genomen, waardoor de vrouw geen belang meer heeft bij het provisionele verzoek. Gelet op het voorgaande, zal de rechtbank de vrouw niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoek.
In de procedure met zaaknummer C/13/780389 / FA RK 25-9677:
Zorgregeling
4.5.
De vrouw stelt dat zij tijdens het samenwonen gebukt is gegaan onder intimidaties, dreigementen en emotionele onderdrukking door de man. De huidige co-ouderschapsregeling is door de man opgedrongen aan de vrouw. Deze regeling is onder begeleiding van een mediator vastgelegd. Destijds heeft de vrouw al aangegeven enkel tijdelijk een co-ouderschapsregeling te willen. Weliswaar heeft de wet als uitgangspunt dat na een scheiding beide ouders zoveel mogelijk een gelijkwaardige rol als opvoeder dienen te behouden. Volgens vaste jurisprudentie betekent dit uitgangspunt echter niet dat een ouderschapsregeling op 50/50-basis dient te zijn. De vrouw stelt dat de opvoedstijlen van partijen fundamenteel verschillen. Voor co-ouderschap zijn duidelijke afspraken over de opvoeding een absolute voorwaarde. De benodigde behoorlijke communicatie en goede samenwerking ontbreekt. Partijen zijn, volgens de vrouw, niet in staat om op een constructieve manier met elkaar afspraken te maken. Zo merkt de vrouw onder meer dat de man haar, zonder overleg, verplichtingen oplegt, zoals het brengen van [minderjarige] naar voetbal.
De vrouw acht de door haar voorgestelde zorgregeling dan ook in het belang van [minderjarige] . De vrouw is sinds de geboorte van [minderjarige] op opvoedkundig, emotioneel en huishoudelijk vlak zijn hoofdverzorger. De vrouw wil deze rol ook blijven vervullen, temeer daar zij twijfels heeft over de opvoedsituatie bij de man. Volgens de vrouw zijn er aanwijzingen van ongezonde voeding en houdt de man geen bedtijden aan die passend zijn bij de leeftijd van [minderjarige] , waardoor hij moe op school aankomt. Ook merkt de vrouw dat [minderjarige] steeds vaker last heeft van woedeaanvallen. Op het moment dat [minderjarige] zijn zin niet krijgt, spuugt hij, slaat hij en maakt hij zich groot richting de vrouw. Dit gedrag kopieert [minderjarige] van de man. [minderjarige] is gebaat bij vaste structuur en rust. De vrouw kan dit hem bieden.
Daarnaast is het in het belang van [minderjarige] dat duidelijkheid bestaat over de verdeling van de vakantie- en feestdagen. Dit is ook belangrijk voor partijen, zodat zij tijdig een reis met [minderjarige] kunnen plannen.
4.6.
De man voert aan dat de huidige co-ouderschapsregeling al langere tijd naar behoren verloopt. Het gaat goed met [minderjarige] , zowel op school als sociaal. De houding en het verzoek van de vrouw passen niet bij de daadwerkelijke zorg die de man voor [minderjarige] draagt. De man is er, net als de vrouw, altijd voor [minderjarige] geweest. Het is van belang dat partijen aan zichzelf werken in de rol van ouders. De man heeft getracht hierin hulp te krijgen, in de vorm van Ouderschap Blijft, omdat de communicatie tussen partijen nog verbeterd kan worden. De vrouw staat hier echter niet voor open. Volgens de man is de communicatie tussen partijen wel enigszins verbeterd. Zo lukt het partijen om via Whatsapp praktische informatie over [minderjarige] met elkaar te delen.
De man merkt dat [minderjarige] in de dagen dat hij bij de vrouw verblijft, veel bij de BSO of bij de oppas zit. Met de door de vrouw verzochte zorgregeling zal dit alleen nog maar meer worden, terwijl de man juist beschikbaar is na school. Ook wil de vrouw zich niet structureel aan een sport van [minderjarige] committeren vanwege haar werk. Er zijn zorgen over het gewicht van [minderjarige] . Het is daarom extra van belang dat hij structureel kan sporten.
Naar aanleiding van de breuk tussen partijen, de zorg voor [minderjarige] en zijn eigen ziekenhuisopname, heeft de man besloten minder te gaan werken. De man is, in tegenstelling tot de vrouw, zeer flexibel in zijn werk. Op woensdagmiddag kan de man met [minderjarige] naar [bedrijf 1] . Dat vindt [minderjarige] erg leuk en het is dan ook in zijn belang dat dat voortgezet wordt. Volgens de man gaat de vrouw niet consistent met [minderjarige] naar [bedrijf 1] . Daarnaast betwist de man dat hij [minderjarige] , zonder overleg met de vrouw, heeft aangemeld voor voetballessen.
Voor zover de vrouw zinspeelt op contra-indicaties voor het voortzetten van de huidige 50/50-regeling, liggen die in de ex-partnerverhouding en niet in zorgen omtrent [minderjarige] . Dat de vrouw, door de eenzijdige beschuldigingen die zij uit, de man nu diskwalificeert als vader, is een ontwikkelingsbedreiging voor [minderjarige] . Volgens de man zijn er geen objectieve redenen waarom [minderjarige] beter zou functioneren onder de door de vrouw voorgestelde zorgregeling.
Ten aanzien van de zomervakantie voert de man het volgende aan. De man heeft al geboekt voor week twee en drie in 2026, samen met vrienden die kinderen hebben in [minderjarige] leeftijd. Partijen gingen hier afgelopen jaren ook samen heen. De man heeft deze reis inmiddels al aanbetaald en de vrouw weet dat ook.
De man kan instemmen met de verzoeken van de vrouw met betrekking tot de speciale feestdagen.
4.7.
De Raad heeft naar voren gebracht dat [minderjarige] ondersteuning nodig heeft. [minderjarige] heeft emotionele klappen gekregen van de ruzies die partijen in zijn bijzijn hebben gevoerd. Op langere termijn zal dat tot problemen met betrekking tot relatievorming en zelfbeeld leiden. Dat moet voorkomen worden en daar zijn partijen verantwoordelijk voor. De Raad adviseert partijen daarom om [minderjarige] aan te melden bij een kindbehartiger, zoals [persoon 2] , [persoon 3] of bij de [bedrijf 2] . Zij kunnen [minderjarige] ondersteunen. Ook kunnen deze hulpverleners partijen handvatten bieden hoe om te gaan met bepaald gedrag van [minderjarige] .
De Raad ziet geen redenen om een co-ouderschapsregeling af te wijzen. Er zijn zorgen over de communicatie tussen partijen. Daar lijkt echter verbetering in te zitten. Zo lukt het partijen ook om via Whatsapp met elkaar te communiceren. De Raad acht het wel in het belang van [minderjarige] dat er een 2-2-5-5-regeling wordt aangehouden, zodat hij meer structuur en duidelijkheid krijgt.
4.8.
Op grond van artikel 1:253a lid 2 onder a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken (de zorgregeling), alsmede en uitsluitend indien het belang van het kind dit vereist, een tijdelijk verbod aan een ouder om met het kind contact te hebben.
4.9.
De rechtbank neemt vervolgens een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. De rechtbank overweegt dat het uitgangspunt is dat het van belang is voor een evenwichtige ontwikkeling van minderjarigen dat zij een relatie onderhouden met beide ouders en dat zij regelmatig contact hebben met de niet verzorgende ouder. Uit artikel 1:247 lid 4 BW Pro volgt dat een kind recht heeft op een gelijkwaardige verzorging en opvoeding door beide ouders.
4.10.
Gebleken is dat de verhouding tussen partijen in de periode dat zij gezamenlijk in de echtelijke woning verbleven onder druk heeft gestaan. Zo vonden er spanningsvolle situaties plaats, waar [minderjarige] helaas ook getuige van is geweest. Sinds partijen niet meer samenwonen, hebben zulke incidenten zich echter niet meer voorgedaan. De vrouw stelt zich onder meer op het standpunt dat de gebrekkige communicatie tussen partijen aan een co-ouderschapsregeling in de weg staat. De man heeft de slechte communicatie daarentegen onderbouwd weersproken. Hij stelt dat het partijen inmiddels lukt om praktisch te communiceren. Daartoe heeft hij ook de Whatsapp-geschiedenis van partijen overgelegd waaruit dat volgens de man blijkt.
Het is de rechtbank duidelijk geworden dat de onderlinge communicatie aandacht behoeft. Tijdens de mondelinge behandeling is benadrukt dat partijen daarmee aan de slag dienen te gaan. De rechtbank verwacht dat partijen hier in het belang van [minderjarige] zo snel mogelijk hulp voor gaan zoeken. Op dit moment kunnen er namelijk nog positieve stappen worden gezet. Hoe langer partijen daarmee wachten, hoe moeilijker het zal worden om elkaar nog te vinden in hun communicatie als ouders. Naar het oordeel van de rechtbank is de door de vrouw gestelde gebrekkige onderlinge communicatie niet van zodanige aard dat dit aan het co-ouderschap in de weg staat.
4.11.
De vrouw heeft tevens haar zorgen geuit met betrekking tot het gedrag van [minderjarige] en het verschil in opvoedstijlen tussen partijen. Zo merkt zij dat [minderjarige] minder goed slaapt en vermoeid is. Ook heeft hij woedeaanvallen, waarbij hij zichzelf groot probeert te maken richting de vrouw. Volgens de vrouw is dit het gevolg van de twee verschillende opvoedstijlen.
[minderjarige] heeft al veel meegemaakt in zijn jonge leven. De rechtbank acht het dan ook in het belang van [minderjarige] dat hij door partijen wordt aangemeld bij een kindbehartiger, zoals ook aangedragen door de Raad. [minderjarige] moet namelijk met een onafhankelijk persoon kunnen praten en hij moet gehoord en ondersteund worden. Het is echter niet gebleken, dan wel aannemelijk geworden dat de eerdergenoemde zorgen een gevolg zijn van de manier waarop de man [minderjarige] verzorgt en opvoedt. Daarnaast is niet gebleken, dan wel aannemelijk geworden dat de man niet in staat is om op verantwoordelijke wijze voor [minderjarige] te zorgen of dat hij geen verantwoordelijkheid neemt in zijn vaderschap. Mogelijk gelden bij de man minder strikte regels dan bij de vrouw. Het bestaan van uiteenlopende opvoedstijlen bij de man thuis en bij de vrouw thuis is, mede gelet op het vorenstaande, geen reden om een co-ouderschapsregeling uit te sluiten.
4.12.
Tijdens de mondelinge behandeling is duidelijk geworden dat de vrouw nooit een co-ouderschapsregeling heeft willen vastleggen. Volgens de vrouw is zij onder druk gezet door de man en zijn zij tijdens de mediation daarom de huidige co-ouderschapsregeling overeengekomen. De vrouw heeft deze regeling echter vanaf het begin af aan als een tijdelijke noodregeling gezien.
Ook in dit gestelde ziet de rechtbank geen reden om af te wijken van een co-ouderschapsregeling.
Het wettelijk uitgangspunt is gelijkwaardig ouderschap. Contra-indicaties zijn in dit geval niet gebleken, dan wel aannemelijk geworden.
4.13.
De rechtbank acht een 2-2-5-5-zorgregeling in het belang van [minderjarige] , zodat er minder wisselmomenten zijn dan in de huidige regeling.
Ten aanzien van de verdeling in de dagen overweegt de rechtbank als volgt. De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat zij op woensdag vrij kan zijn van haar werk. Dit heeft zij echter niet met stukken onderbouwd, zoals bijvoorbeeld met een verklaring van haar werkgever. De man heeft daarnaast betwist dat de vrouw op woensdag vrij kan krijgen. Op woensdag is [minderjarige] vroeg uit van school. Het is niet in het belang van [minderjarige] dat hij, indien de vrouw toch moet werken, op de langste middag naar de BSO moet. Daarom zal [minderjarige] op woensdag, en aansluitend op donderdag, bij de man verblijven.
Bovendien acht de rechtbank het in het belang van [minderjarige] dat er continuïteit is in zijn deelname aan [bedrijf 1] . Beide partijen hebben immers gesteld dat [minderjarige] dit leuk vindt. Niet weersproken is dat de man op de woensdagen [minderjarige] kan brengen naar en halen van [bedrijf 1] .
4.14.
Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank de volgende definitieve zorgregeling vast:
2-2-5-5-zorgregeling:
  • [minderjarige] verblijft elke maandag en dinsdag bij de vrouw, het wisselmoment is op woensdagochtend via school;
  • [minderjarige] verblijft elke woensdag en donderdag bij de man, het wisselmoment is op vrijdagochtend via school;
  • [minderjarige] verblijft vervolgens van vrijdag tot en met dinsdag bij de vrouw, het wisselmoment is op woensdagochtend via school;
  • [minderjarige] verblijft vervolgens van woensdag tot en met zondag bij de man, het wisselmoment is op maandagochtend via school.
Vakantieregeling:
 Voorjaarsvakantie:
o in de even jaren verblijft [minderjarige] bij de vrouw;
o in de oneven jaren verblijft [minderjarige] bij de man;
o het wisselmoment is via school.
 Meivakantie:
o in de even jaren verblijft [minderjarige] de eerste week bij de man en de tweede week bij de vrouw;
o in de oneven jaren verblijft [minderjarige] de eerste week bij de vrouw en de tweede week bij de man;
o het wisselmoment is op zondag om 10:00 uur, waarbij de ouder bij wie [minderjarige] verblijft hem naar de andere ouder brengt.
 Zomervakantie:
o in de even jaren verblijft [minderjarige] in week één, twee en vijf bij de vrouw en in week drie, vier en zes bij de man,
 met uitzondering van 2026, waarbij [minderjarige] in week één, vier en vijf bij de vrouw verblijft en in week twee, drie en zes bij de man;
o in de oneven jaren verblijft [minderjarige] in week één, twee en vijf bij de man en in week drie, vier en zes bij de vrouw.
o het wisselmoment is op zondag om 10:00 uur, waarbij de ouder bij wie [minderjarige] verblijft hem naar de andere ouder brengt.
 Herfstvakantie:
o in de even jaren verblijft [minderjarige] bij de man;
o in de oneven jaren verblijft [minderjarige] bij de vrouw;
o het wisselmoment is via school.
 Kerstvakantie:
o in de even jaren verblijft [minderjarige] de eerste week bij de man en de tweede week bij de vrouw;
o in de oneven jaren verblijft [minderjarige] de eerste week bij de vrouw en de tweede week bij de man;
o het wisselmoment is op zondag om 10:00 uur, waarbij de ouder bij wie [minderjarige] verblijft hem naar de andere ouder brengt.
Feestdagenregeling:
  • Pasen: [minderjarige] verblijft in de even jaren bij de man en in de oneven jaren bij de vrouw;
  • Sinterklaas: [minderjarige] verblijft in de even jaren bij de vrouw en in de oneven jaren bij de man;
  • Vaderdag: [minderjarige] verblijft bij de man;
  • Moederdag: [minderjarige] verblijft bij de vrouw;
  • verjaardag [minderjarige] : [minderjarige] verblijft in de even jaren bij de vrouw en in de oneven jaren bij de man;
  • verjaardag partijen: [minderjarige] verblijft bij de desbetreffende ouder;
  • indien bovengenoemde dagen niet in de reguliere zorgregeling vallen, is [minderjarige] vanuit school bij die ouder tot de volgende dag naar school, of indien het een vrije dag betreft, vanaf 10:00 uur tot 10:00 uur de volgende dag;
  • de overige studie- en feestdagen verlopen volgens het reguliere zorgschema.
Hoofdverblijfplaats
4.15.
De vrouw stelt dat het in het belang is van [minderjarige] dat hij op het adres van de vrouw wordt ingeschreven. Bij veel instanties zoals de school, de huisarts, de zorgverzekering en de BSO, staat [minderjarige] op het adres van de vrouw geregistreerd. Bij de gemeente en bij de belastingdienst staat [minderjarige] echter bij de man ingeschreven. Vanwege de hoge huurlasten en de weigering van de man om zijn toezegging om in de huurlasten bij te dragen na te komen, heeft de vrouw een groter financieel belang dan de man bij een inschrijving van [minderjarige] op haar adres. Daarnaast kan de vrouw, indien de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij haar is en zij de hoofdverzorgster is, ervoor zorgen dat het negatieve gedrag van [minderjarige] wordt ingeperkt.
4.16.
De man voert aan dat er geen reden is om het hoofdverblijf van [minderjarige] te wijzigen. De vrouw stelt, volgens de man ten onrechte, dat [minderjarige] voor allerlei instanties bij haar staat ingeschreven. Daarnaast is de man minder gaan werken, waardoor hij een lager inkomen heeft dan de vrouw. Nu de vrouw meer gebruik gaat maken van de BSO dan de man, kan zij voor haar eigen deel kinderopvangtoeslag aanvragen. Dit staat los van het inschrijfadres van [minderjarige] . Bovendien kan de kinderbijslag worden gedeeld bij een gelijke zorgverdeling.
Indien zonder juridische reden de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] wordt gewijzigd, zal dit de negatieve houding van de vrouw jegens de man voeden. Dat is onwenselijk. Er zijn geen aantoonbare zorgen over de opvoedomgeving van de man of andere bepalende redenen, die zouden moeten leiden tot een wijziging in de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] . Volgens de man heeft de vrouw dit verzoek gedaan, zodat zij alle toeslagen ontvangt en alvast kan voorsorteren op een toekomstige verhuizing.
4.17.
De Raad heeft geen advies kunnen geven met betrekking tot de hoofdverblijfplaats. Nu de Raad een co-ouderschapsregeling heeft geadviseerd, zou een gesplitste hoofdverblijfplaats het meest passend zijn.
4.18.
Ingevolge artikel 1:253a lid 1 BW kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag – waaronder begrepen een geschil over de hoofdverblijfplaats van de minderjarige – aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank dient in dergelijke geschillen een zodanige beslissing te nemen als haar in het belang van de minderjarige wenselijk voorkomt. Bij deze beoordeling dient de rechter de belangen van alle betrokkenen in aanmerking te nemen en tegen elkaar af te wegen. Het belang van de minderjarige dient daarbij zwaar te wegen. Afhankelijk van de omstandigheden van het geval, kunnen andere belangen zwaarder wegen.
4.19.
De rechtbank overweegt als volgt. De vrouw heeft verzocht om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] te wijzigen. Voor een wijziging van de hoofdverblijfplaats is het noodzakelijk dat gemotiveerd wordt onderbouwd waarom deze wijziging nodig is. De reden voor de verzochte wijziging lijkt voornamelijk gelegen te zijn in financiële en administratieve doeleinden. Nog daargelaten of daar sprake van is, is dat geen zwaarwegende reden om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] te wijzigen. Ook wordt de vrouw, nu de rechtbank een co-ouderschapsregeling heeft bepaald, niet de enige hoofdverzorger van [minderjarige] . Dat is dan ook geen reden om de hoofdverblijfplaats te veranderen.
4.20.
Het bovenstaande leidt tot de volgende beslissing.

5.De beslissing

De rechtbank:
In de procedure met zaaknummer C/13/780406 / FA RK 25-9687:
5.1.
verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoek.
In de procedure met zaaknummer C/13/780389 / FA RK 25-9677:
5.2.
bepaalt het hoofdverblijf van [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2021 te [geboorteplaats] , bij de man;
5.3.
stelt de regeling zoals neergelegd in rechtsoverweging 4.14. als definitieve zorgregeling vast;
5.4.
verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst het anders of meer verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door de rechter mr. F.P. Lauwaars, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. A.F. Hulskes als griffier, op 13 februari 2026. [1]

Voetnoten

1.Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).