3.3.Oordeel van de rechtbank
Aangever [aangever] heeft verklaard dat hij op 3 augustus 2024 op de Toutenburgstraat te Amsterdam werd aangesproken door een voor hem onbekende man (persoon 1), die hem sommeerde zijn autosleutels af te geven, waarbij de man een vuurwapen trok en deze richtte op de buik van aangever. Kort daarop voegden zich twee andere mannen (persoon 2 en persoon 3) bij persoon 1. Aangever heeft verklaard dat persoon 1 en persoon 2 hem bij zijn bovenarmen vastpakten en meerdere malen duwden. Persoon 1 sommeerde hem wederom zijn autosleutels af te geven en dreigde hem neer te schieten indien hij daaraan geen gehoor zou geven. Aangever heeft vervolgens de autosleutels aan persoon 1 overhandigd, waarna hij opnieuw door persoon 1 en persoon 2 werd geduwd. Daarna liepen alle drie de mannen richting de auto van aangever, een grijze Volkswagen Polo. Toen aangever zijn telefoon pakte, liep persoon 1 terug naar hem, terwijl persoon 2 en persoon 3 voorin de auto gingen zitten. Persoon 1 eiste toen ook de telefoon van aangever en dreigde hem wederom neer te schieten indien hij daaraan geen gehoor zou geven. Aangever heeft hierop zijn telefoon afgegeven. Persoon 1 stapte daarna achterin de auto, waarna de drie mannen met de auto wegreden.
De verklaring van aangever wordt ondersteund door de verklaring van getuige [getuige] . De getuige heeft verklaard dat hij kort vóór het incident op de Toutenburgstraat drie jongens hoorde praten over een ‘grijze Polo’. Even later werd de getuige aangesproken door een man die zichtbaar gestrest was en vroeg of hij met zijn telefoon mocht bellen. Deze man gaf aan dat hij zojuist was overvallen en dat zowel zijn auto als zijn telefoon waren weggenomen door drie getinte jongens. De getuige realiseerde zich daarop dat dit dezelfde jongens waren als degenen die hij eerder had gezien. Het signalement dat aangever aan de getuige heeft doorgegeven van de mannen, komt dus overeen met de waarnemingen van de getuige zelf.
Op de beelden van een Ring-deurbel van een woning in de omgeving is te zien dat de getuige [getuige] door drie mannen wordt aangesproken, die vervolgens ergens naar wijzen en weglopen. Deze beelden zijn aan aangever getoond. Aangever verklaarde dat de jongen rechts op de beelden, met een zwarte pet op, degene is die hem aansprak en het vuurwapen op hem richtte. Het signalement van deze persoon komt overeen met het eerder door aangever opgegeven signalement, dat bovendien overeenkomt met het signalement van verdachte. Het signalement van de andere betrokkenen op de beelden komt ook overeen met het signalement dat de aangever eerder heeft opgegeven.
Naar aanleiding van de verklaring van aangever dat hij bij zijn schouders zou zijn vastgepakt, is het T-shirt van aangever bemonsterd voor DNA-onderzoek. Ter hoogte van de linkerschouder wordt een DNA-hoofdprofiel aangetroffen, waarvan de rechtbank op basis van het forensisch onderzoek concludeert dat dit aangetroffen DNA-materiaal afkomstig is van verdachte. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij aangever niet kent en niet weet hoe zijn DNA op het kledingstuk terecht is gekomen. Nu verdachte op geen enkele wijze geconcretiseerd heeft hoe zijn DNA anderszins hier terecht is gekomen, stelt de rechtbank vast dat verdachte geen aannemelijk alternatief scenario heeft geschetst dat zou kunnen leiden tot het oordeel dat het aangetroffen DNA geen verband houdt met het ten laste gelegde feit. Het enkele verweer dat het DNA “op allerlei manieren” op de kleding terecht gekomen kan zijn, is daartoe onvoldoende, temeer nu het DNA is aangetroffen op een van de plekken waar aangever heeft verklaard te zijn vastgepakt. Dat aangever spreekt over vastpakken bij de bovenarmen en het DNA is aangetroffen op de schouders, doet hieraan niet af. Deze locaties sluiten elkaar immers niet uit. De rechtbank beschouwt het DNA-spoor als een daderspoor en concludeert, bij gebreke van een aannemelijke verklaring, dat verdachte aangever heeft vastgepakt en daarmee betrokken is geweest bij het ten laste gelegde feit.
Bovenstaande DNA-match, de verklaring van de getuige [getuige] en de beelden van de Ring-deurbel ondersteunen de verklaring van aangever op meerdere punten. De rechtbank heeft dan ook geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de aangifte. De argumenten van de raadsvrouw doen hieraan niets af.
Nu het door aangever en de getuige opgegeven signalement van de dader overeenkomt met dat van verdachte, dit signalement steun vindt in de beelden van de Ring-deurbel en er bovendien een DNA-profiel van verdachte op de kleding van aangever is aangetroffen, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 1 ten laste gelegde. Naar het oordeel van de rechtbank kan op grond van het voorgaande worden geconcludeerd dat verdachte ‘persoon 1’ is geweest, die aangever [aangever] onder bedreiging van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft gedwongen tot afgifte van zijn sleutels, waarna de twee andere mannen zich bij hem hebben gevoegd. Eén van deze mannen heeft de aangever samen met verdachte vastgepakt en geduwd tijdens de afpersing. Terwijl verdachte aangever dwong tot afgifte van diens telefoon, zijn de andere twee mannen in het voertuig van aangever gaan zitten, waarmee zij vervolgens zijn weggereden. Gelet op de materiële bijdrage van verdachte van voldoende gewicht, in combinatie met de gezamenlijke uitvoering van het feit, is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Daarmee acht de rechtbank ook het medeplegen bewezen.
De rechtbank spreekt verdachte vrij van het onder feit 2 ten laste gelegde, te weten het medeplegen van diefstal met geweld en/of bedreiging met geweld. Om tot een bewezenverklaring van diefstal te komen, is het noodzakelijk dat er een wegnemingshandeling heeft plaatsgevonden. Aangever [aangever] heeft echter verklaard dat hij zijn autosleutels onder bedreiging van een vuurwapen heeft afgestaan en aan verdachte heeft gegeven. Dat betekent dat van een wegnemingshandeling geen sprake is geweest. Gelet daarop is diefstal niet aan de orde. Om die reden zal de rechtbank verdachte van de ten laste gelegde diefstal met geweld vrijspreken.
Ten aanzien van feit 2
Verdachte is op 10 juli 2025 staande gehouden terwijl hij in een huurauto reed met een snelheid van 100km/u op een weg waar een snelheid van 70 km/u is toegestaan. Bij controle van de huurauto namen de verbalisanten vanaf de buitenkant van het voertuig waar dat direct achter de bestuurdersstoel een PET-fles lag, gevuld met een vloeistof, waaraan met tape twee cobra’s waren bevestigd. Ambtshalve is bekend dat een dergelijke constructie kwalificeert als een vuurwerkbom. De verbalisanten hebben in het proces-verbaal vermeld dat de vuurwerkbom duidelijk zichtbaar in het voertuig lag en hebben geconcludeerd dat het niet anders kan dan dat verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de vuurwerkbom in het voertuig.
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij geen wetenschap had van de aanwezigheid van de vuurwerkbom in het voertuig. De rechtbank acht deze verklaring niet aannemelijk. Daarbij overweegt de rechtbank dat van een bestuurder in beginsel mag worden verwacht dat hij weet wat hij vervoert. De vuurwerkbom lag bovendien duidelijk zichtbaar direct achter de bestuurdersstoel en was voor de verbalisanten, kijkend door het raam van het voertuig, duidelijk zichtbaar. Voorts acht de rechtbank het aannemelijk dat de vuurwerkbom tijdens het rijden is verschoven, mede gelet op de snelheid waarmee verdachte reed, wat voor verdachte hoorbaar moet zijn geweest. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de vuurwerkbom. Hij kon ook over de vuurwerkbom beschikken, nu deze voor hem als bestuurder binnen handbereik lag.
De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 2 ten laste gelegde, te weten het voorhanden hebben van een vuurwerkbom. De rechtbank spreekt verdachte partieel vrij van het medeplegen. Met de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat het dossier onvoldoende bewijs biedt voor een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en eventuele mededaders. De enkele waarneming van de verbalisanten dat twee mannen richting het voertuig liepen, is daartoe onvoldoende. Verdachte werd immers alleen in de auto aangetroffen.
De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van dit feit moet vaststaan dat de in de beschuldiging genoemde voorwerpen - voor zover deze bij de verdachte zijn aangetroffen - bestemd waren voor het plegen van het (beoogde) misdrijf, zoals in de beschuldiging omschreven. Bij die beoordeling zijn van belang (i) de uiterlijke verschijningsvorm van de voorwerpen, (ii) het gebruik dat van die voorwerpen wordt gemaakt en (iii) het misdadige doel dat de verdachte met het gebruik van die voorwerpen voor ogen had.
In de huurauto waarin verdachte reed is een PET-fles aangetroffen, gevuld met een smeermiddel op koolwaterstofbasis, waaraan met tape twee cobra’s waren bevestigd. De bij de verdachte aangetroffen voorwerpen zouden in samenhang bezien naar hun uiterlijke verschijningsvorm geschikt kunnen zijn om een ontploffing teweeg te brengen. Anders dan de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan dan dat verdachte een misdadig doel voor ogen had en dus de intentie had om met deze voorwerpen een ontploffing en/of brandstichting teweeg te brengen. Daarbij acht de rechtbank van belang dat bij verdachte een rol schilderstape en een plastic handschoen zijn aangetroffen, terwijl hij met hoge snelheid reed in een anonieme huurauto zonder in het bezit te zijn van een geldig rijbewijs. De door verdachte opgegeven route kwam bovendien niet overeen met de door de politie waargenomen route en verdachte maakte in gesprek met de verbalisanten een zenuwachtige indruk. Verder droeg hij meerdere jassen over elkaar, waarbij de rechtbank in aanmerking neemt dat het een feit van algemene bekendheid is dat het dragen van meerdere lagen kleding in het criminele milieu wordt gebruikt om van uiterlijk te veranderen na het plegen van een strafbaar feit om de opsporing te bemoeilijken. Bij de politie is tot slot ambtshalve bekend dat de combinatie van PET-flessen met daarin vloeistof en cobra’s bij explosies wordt toegepast, hetgeen de rechtbank sterkt in haar overtuiging dat verdachte een misdadig doel voor ogen had.
Gelet op deze feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, acht de rechtbank dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 1 ten laste gelegde, te weten de voorbereiding van een ontploffing en/of brandstichting. De rechtbank spreekt verdachte partieel vrij van het medeplegen. Met de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat het dossier onvoldoende bewijs biedt voor een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en eventuele mededaders.
Naar aanleiding van de aanhouding van verdachte is op 10 juli 2025 de woning van verdachte doorzocht, waarbij verdovende middelen zijn aangetroffen. De hoeveelheid verdovende middelen is in een laboratorium onderzocht en blijkt een hoeveelheid van 25,84 gram MDMA te betreffen. Ter terechtzitting heeft verdachte bekend dat hij de drugs in zijn bezit had. De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 3 ten laste gelegde, te weten het aanwezig hebben van de ten laste gelegde hoeveelheid MDMA.