ECLI:NL:RBAMS:2026:155

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
15 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
13/050590-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor medeplichtigheid aan oplichting door faciliteren van WhatsApp-fraude met simboxen

Op 15 januari 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in de zaak tegen een 43-jarige verdachte, die werd beschuldigd van medeplichtigheid aan oplichting door het faciliteren van grootschalige hulpvraagfraude. De verdachte stelde simboxen en simkaarten ter beschikking, die door oplichters werden gebruikt om ouderen via WhatsApp te benaderen en hen te misleiden door zich voor te doen als hun kinderen in nood. De rechtbank sprak de verdachte vrij van het eerste feit, omdat de simboxapparatuur niet kennelijk was bestemd voor het plegen van oplichting. Echter, de verdachte werd wel schuldig bevonden aan medeplichtigheid aan oplichting, omdat hij op de hoogte was van de criminele activiteiten die met zijn apparatuur werden uitgevoerd. De rechtbank legde een taakstraf van 240 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden op. Daarnaast werden de vorderingen van benadeelde partijen gedeeltelijk toegewezen, waarbij de verdachte aansprakelijk werd gesteld voor een derde van de schade die door de oplichting was veroorzaakt. De rechtbank benadrukte de ernst van de zaak, gezien het misbruik van vertrouwen en de impact op de slachtoffers.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/050590-25
Datum uitspraak: 15 januari 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1982,
ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres:
[adres] ,
hierna: verdachte.

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is bij verstek gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 18 december 2025 en 15 januari 2026. Op 15 januari 2026 heeft de rechtbank het
onderzoek gesloten en direct uitspraak gedaan.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
mr. C. Nij Bijvank.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort samengevat – ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan:
Feit 1
het voorhanden hebben en ter beschikking stellen van simboxen, simkaarten en daarbij bruikbare software, waarvan verdachte wist dat die voorwerpen en/of gegevens bestemd waren tot het plegen van oplichting;
Feit 2
medeplichtigheid aan oplichting, door het ter beschikking stellen en draaiende houden van simboxen, simkaarten en daarbij bruikbare software die worden gebruikt voor WhatsApp-fraude en/of hulpvraagfraude.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in
bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3.Waardering van het bewijs

3.1.
Inleiding
Uit het onderzoek Alder, dat is gericht op WhatsApp-fraude (hulpvraagfraude), is naar voren gekomen dat hierbij mogelijk gebruik werd gemaakt van simboxen waarmee kwaadwillenden Nederlandse telefoonnummers konden gebruiken om WhatsApp-accounts aan te maken. Een simbox is een apparaat waarin grote hoeveelheden simkaarten (telefoonnummers) tegelijkertijd actief kunnen zijn zonder dat daar losse telefoontoestellen voor nodig zijn. De simbox bevat vaak tientallen sleuven waarin simkaarten geplaatst kunnen worden, met daarbij per sleuf een aparte antenne. Via een kabel kan de simbox worden aangesloten op een computer of laptop en via software bestuurd worden. Door middel van de software kunnen ontvangen sms-berichten met daarin verificatiecodes
worden uitgelezen. Per sleuf genereert de simbox een IMEI-nummer, waardoor de simbox zich voordoet als een reguliere telefoon met simkaart. Via daartoe bestemde websites kunnen gebruikers kiezen vanuit welk land en voor welke applicatie – in dit geval WhatsApp – zij een telefoonnummer willen gebruiken. Na de betaling wordt een simkaart in de simbox die is aangesloten op de website, gebruikt om een verificatie-sms van WhatsApp te ontvangen. De verificatie-sms die WhatsApp naar de simkaart in de simbox stuurt, wordt via de website aan de gebruiker getoond. Op deze wijze kan een gebruiker anoniem een Whatsapp-account aanmaken.
Uit het onderzoek naar de historische gegevens van de gebruikte telefoonnummers in het onderzoek Alder is gebleken dat deze gebruik maakten van meerdere IMEI-nummers. Onderzoek naar deze IMEI-nummers leidde naar de simbox die in gebruik was op het woonadres van verdachte. De verdenking is dat verdachte door het aanbieden van de simbox een rol heeft gehad als facilitator van de WhatsApp-fraude, door oplichters over de wereld toegang te geven tot het Nederlandse telecomnetwerk.
3.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat beide ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. Ten aanzien van het onder feit 1 ten laste gelegde heeft de officier van justitie aangevoerd dat verdachte door het voorhanden hebben van de simboxapparatuur voorwaardelijk opzet heeft gehad op de criminele bestemming daarvan. Ten aanzien van het onder feit 2 ten laste gelegde heeft de officier van justitie aangevoerd dat verdachte door het voorhanden hebben van de simboxen, de simkaarten en de daarbij gebruikte software willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij met zijn diensten criminelen faciliteerde bij het plegen van strafbare feiten.
3.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen in het procesdossier het volgende vast.
Bij de doorzoeking van de woning van verdachte worden twee simboxen aangetroffen, die beiden apart zijn aangesloten op een computerkast. Op de monitoren die zijn gekoppeld aan de computerkasten, is te zien dat de programma’s ‘SimClient AGENT 2171’ en ‘Simsale gateway’ actief zijn. Deze software wordt gebruikt om de simboxen aan te sturen. Ook is zichtbaar dat er een verbinding was met de website ‘ [naam website] ’. Op deze website staat een dashboard geopend waarop de verdiensten voor het aanbieden van de simdiensten te zien zijn. Uit dit overzicht volgt dat deze verdiensten gericht zijn aan het e-mailadres van verdachte. Verder volgt uit chatberichten in de telefoon van verdachte dat hij de simbox met behulp van software op websites aanbiedt aan gebruikers over de hele wereld voor de verkoop en verhuur van simkaarten. Voor het gebruik van een simkaart betaalt een gebruiker een vergoeding, waarvan verdachte een percentage ontvangt.
Feit 1 (het voorhanden hebben van de simboxen, de simkaarten en de software)
De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van artikel 234 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) vereist is dat verdachte stoffen, voorwerpen en/of gegevens voorhanden heeft gehad waarvan hij wist dat deze kennelijk waren bestemd tot het plegen van één van de in het eerste lid van dit artikel genoemde misdrijven. De stoffen, voorwerpen en/of gegevens moeten bestemd zijn tot ofwel het vervalsen en valselijk opmaken van een geschrift, het gebruiken van identificerende persoonsgegevens van een ander, of bestemd zijn tot het plegen van (gekwalificeerde) diefstal, afpersing, verduistering of oplichting. Hierbij gaat het om middelen om niet-contante betaalinstrumenten te stelen of anderszins wederrechtelijk toe te eigenen. Om tot een bewezenverklaring te komen is de enkele omstandigheid dat het voorwerp zou kunnen worden gebruikt voor criminele doeleinden, niet voldoende. Vereist is dat uit objectieve feiten en omstandigheden volgt dat het voorwerp die criminele bestemming ook daadwerkelijk had. In alle gevallen kan de bestemming blijken uit de voornemens van degene die de stoffen, voorwerpen en/of gegevens voorhanden had, maar ook uit factoren als de aard daarvan, hun omgeving of de verhouding waarin zij voorkomen.
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de simboxen, de simkaarten en de daarbij bruikbare software zoals die zijn aangetroffen bij verdachte, naar hun aard bestemd zijn tot het plegen van een vorm van (online) oplichting. Daartoe overweegt de rechtbank dat het voorhanden hebben van een simbox op zichzelf niet strafbaar is. Een simbox kan op legale wijze worden gebruikt voor bijvoorbeeld een telefooncentrale van een bedrijf of als alarmsysteem voor geautomatiseerde fabrieksprocessen. De opstelling die bij verdachte is aangetroffen had een andere bestemming en werd uitsluitend gebruikt voor het ontvangen van sms-berichten die via software werden uitgelezen en aangeboden op onder andere de website ‘ [naam website] ’. Deze website betreft een platform dat de doorverkoop van virtuele simkaarten en accountverificatie faciliteert. Dit platform kan voor legitieme doeleinden worden gebruikt, door bijvoorbeeld marketeers voor het uitvoeren van marketingcampagnes door middel van het aanmaken van bulkaccounts op sociale media.
De keerzijde van diensten zoals ‘ [naam website] ’ is dat cybercriminelen gebruik kunnen maken van deze methode om anoniem te blijven.
Hoewel de rechtbank ziet dat bij de verdachte aangetroffen simboxen, simkaarten en software zich ook lenen voor misbruik door gebruikers die zich hiermee anoniem kunnen verschuilen achter een Nederlands telefoonnummer, maakt dit naar haar oordeel niet dat deze voorwerpen naar de aard daarvan kennelijk waren bestemd voor het plegen van oplichting. De rechtbank ziet geen overeenkomst met bijvoorbeeld het voorhanden hebben van ‘leadlijsten’ met persoonsgegevens en skimapparatuur, omdat deze voorwerpen duidelijk zijn gericht op het plegen van frauduleuze handelingen en daarvoor geen legitieme doeleinden denkbaar zijn. Daarnaast dienen er in combinatie met de aangeboden simboxapparatuur nog vele afzonderlijke handelingen door de oplichter te worden uitgevoerd voordat slachtoffers daadwerkelijk worden bewogen tot de afgifte van geldbedragen. De simboxapparatuur is daarmee enkel een middel dat de fraude faciliteert, door oplichters toegang te geven tot een Nederlands telefoonnummer waarmee WhatsApp-fraude kan worden gepleegd.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het aan hem onder feit 1 ten laste gelegde.
Feit 2
Uit het onderzoek naar het opgenomen dataverkeer in de periode van 19 april 2024 tot en met 9 juli 2024 zijn vier telefoonnummers naar voren gekomen die in de genoemde periode in de simboxapparatuur van verdachte aanwezig waren. Uit de politiesystemen volgt dat er meerdere aangiftes zijn gedaan tegen de gebruikers van deze telefoonnummers die betrekking hadden op WhatsApp-fraude. Van deze aangiftes zijn er dertien in het procesdossier gevoegd. Alle aangevers verklaren dat er met hen via WhatsApp contact werd opgenomen door iemand die zich voordeed als hun zoon of dochter. Nadat hun vertrouwen werd gewonnen, hebben de aangevers geldbedragen – variërend van enkele honderden tot duizenden euro’s – overgemaakt naar de door de gebruikers van de telefoonnummers genoemde rekeningnummers. Naar het oordeel van de rechtbank kan de oplichting van deze aangevers door de onbekend gebleven gebruikers van de telefoonnummers worden bewezen. Door het aannemen van een valse hoedanigheid hebben deze gebruikers telkens gehandeld volgens een soortgelijke bedrieglijke werkwijze die erop gericht was de aangevers te bewegen tot betaling, door zich voor te doen als een zoon of dochter in (financiële) nood.
Verdachte heeft door het ter beschikking stellen van de simboxapparatuur een dienst geleverd waarmee de gebruikers van de simkaart anoniem konden blijven en hun slachtoffers via Nederlandse telefoonnummers konden benaderen. De verkoop van de simkaarten liep via een Russische website en het contact met de beheerder van de website via Telegram. Verdachte werd voor zijn diensten uitbetaald in Russische roebels, die werden omgezet in cryptovaluta. Hij ontving volgens zijn eigen verklaring per verkochte simkaart een bedrag van € 2,50. Dat is een flink hoger bedrag dan de aanschafwaarde, die blijkens de in de telefoon van verdachte aangetroffen chatberichten tussen de € 0,50 en € 0,75 per simkaart lag. De rechtbank is van oordeel dat verdachte onder die omstandigheden willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij met zijn diensten criminelen faciliteerde bij het plegen van strafbare feiten. Deze werkwijze zorgde er namelijk voor dat de gebruikers uit het zicht van de opsporingsdiensten bleven. Voor deze anonimiteit waren zij bereid om flink meer te betalen dan de inkoopwaarde van een simkaart. Daarnaast heeft verdachte in zijn verhoor bij de politie verklaard dat hij zelf ook wel het vermoeden heeft gehad dat de door hem geleverde diensten zouden kunnen worden gebruikt voor criminele doeleinden, waaronder het aanmaken van nepaccounts via WhatsApp.
De rechtbank acht daarom bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplichtigheid aan de oplichting van de in het procesdossier genoemde aangevers door de simboxen, simkaarten en de daarbij bruikbare software op websites aan te bieden.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in
bijlage IIopgenomen bewijsmiddelen bewezen dat:
Feit 2
een of meer onbekend gebleven mededader(s) in de periode van 19 april 2024 tot en met 24 mei 2024 in Nederland met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen, [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] en [benadeelde partij 5] en [aangever] en [benadeelde partij 6] en [aangever 2] en [aangever 3] en [benadeelde partij 7] en [benadeelde partij 8] en [aangever 4] en [benadeelde partij 9] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed en het teniet doen van een inschuld, te weten een of meerdere geldbedragen, door
-meermalen, althans eenmaal, contact op te nemen via SMS met de eerder genoemde slachtoffers, met o.a. de volgende inhoud: "Hoi pap. Mijn telefoon is net gevallen! Kan jij mij zodra je dit leest, even een bericht sturen op WhatsApp", althans een bericht van gelijke aard en strekking en
-(vervolgens) meermalen, althans eenmaal, de eerder genoemde slachtoffers te bewegen om via WhatsApp contact op te nemen en/of
-(vervolgens) meermalen, althans eenmaal, zich voor te doen als de dochter en/of een zoon, althans een kind, van de eerder genoemde slachtoffers en/of
-(vervolgens) meermalen, althans eenmaal, de eerder genoemde slachtoffers via Whatsapp mede te delen dat er met spoed een betaling moet worden verricht vanwege een incasso en/of
-(vervolgens) meermalen, althans eenmaal via WhatsApp een bericht te sturen naar eerder genoemde slachtoffers met o.a. de volgende inhoud: "Ik probeer iets te betalen via de app maar het lukt mij niet, kan je het misschien voorschieten? Ik kan het morgen terug betalen! Anders sturen ze een incasso", althans een bericht van gelijke aard en strekking
-(vervolgens) meermalen, althans eenmaal via WhatsApp te vragen via welke bank de eerder genoemde slachtoffers zullen gaan betalen en/of
-(vervolgens) meermalen, althans eenmaal via Whatsapp de hoogte van het te betalen bedrag en/of rekeningnummer en/of naam van de begunstigde en/of
factuurnummer en/of betalingskenmerk aan eerder genoemde slachtoffer te sturen en/of
-(vervolgens) meermalen, althans eenmaal eerder genoemde slachtoffers te bewegen om de betalingen te verrichten
bij het plegen van welk misdrijf verdachte in de periode van 19 april 2024 tot en met 24 mei 2024 in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en opzettelijk gelegenheid en middelen heeft verschaft, door het ter beschikking stellen en draaiende houden van meerdere simboxen en simkaarten en daarbij bruikbare software die worden gebruikt voor WhatsApp-fraude;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5.De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7.Motivering van de straffen en maatregelen

7.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van tweehonderdveertig uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, met daarbij een proeftijd van twee jaar.
7.2.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
De ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan oplichting, door grootschalige hulpvraagfraude te faciliteren. Door het gebruik van de simboxen en simkaarten die verdachte ter beschikking stelde, hebben de gebruikers van de simkaarten (veelal) ouderen opgelicht via WhatsApp door zich voor te doen als een zoon of dochter in nood om hen over te halen om geld over te maken. De aangevers dachten door het gebruikte Nederlandse telefoonnummer dat zij spraken met hun kind dat dringend geld nodig had en hebben om die reden duizenden euro’s overgemaakt naar diverse rekeningen. Hierdoor is ernstig misbruik gemaakt van hun vertrouwen in het digitale verkeer. Daarnaast zorgt WhatsApp-fraude voor angstgevoelens bij de slachtoffers en gevoelens van onveiligheid bij anderen in de samenleving. Verdachte heeft hierbij een essentiële faciliterende rol gespeeld door de daders van de oplichting door middel van de simboxen de gelegenheid te geven zowel hun identiteit te verhullen als hun activiteiten te kunnen opschalen. Hoewel verdachte de oplichting niet zelf heeft gepleegd, rekent de rechtbank het hem aan dat hij er geen probleem in heeft gezien om van de oplichting te profiteren. Verdachte heeft door het ter beschikking stellen van de simboxen en simkaarten enkel gedacht aan zijn eigen financiële gewin en niet aan de potentiële gevolgen van zijn verdiensten.
De persoon van verdachte
In het kader van de strafoplegging heeft de rechtbank gekeken naar het strafblad van verdachte van 26 november 2025, waaruit volgt dat verdachte weliswaar eerder is veroordeeld, maar niet voor vermogensdelicten. De rechtbank zal het strafblad van verdachte daarom niet in strafverzwarende zin meewegen.
De op te leggen straf
De rechtbank heeft in het kader van de strafoplegging gekeken naar de LOVS-oriëntatiepunten voor straftoemeting voor fraudedelicten. Daaruit volgt dat op basis van het totaalbedrag uit de aangiftes (ruim € 40.000,-) een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee tot vijf maanden geïndiceerd is. Nu verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplichtigheid aan de gepleegde oplichtingen, zal de rechtbank aan hem een lagere straf opleggen dan volgt uit de LOVS-oriëntatiepunten. Vanwege het feit dat er nog geen vergelijkbare zaken zijn gepubliceerd waarin een simbox is gebruikt voor het plegen van WhatsApp-fraude, heeft de rechtbank gekeken naar de rol van verdachte bij de gepleegde oplichtingen. De rechtbank overweegt daartoe dat de rol van verdachte zich in het midden bevindt tussen die van een ‘geldezel’ en die van een persoon die zogenaamde ‘leadlijsten’ aanlevert ten behoeve van het plegen van fraude.
Waar ‘geldezels’ doorgaans een ondergeschikte rol vervullen door hun bankrekening beschikbaar te stellen voor het ontvangen en doorboeken van frauduleus verkregen gelden, heeft verdachte gedurende langere periodes op grote schaal WhatsApp-fraude gefaciliteerd. Zijn bijdrage aan de fraude is daarmee omvangrijker geweest dan de rol van een ‘geldezel’ bij medeplichtigheid aan witwassen. Tegelijkertijd is de rol van verdachte ook niet volledig vergelijkbaar met die van een persoon die ‘leadlijsten’ aanlevert. Dergelijke lijsten bevatten persoonsgegevens van potentiële slachtoffers en zijn naar hun aard bestemd tot het plegen van fraude. Het voorhanden hebben van ‘leadlijsten’ is dan ook strafbaar, terwijl het voorhanden hebben van een simbox dat niet is. De rechtbank vindt het daarom niet gerechtvaardigd om de bijdrage van verdachte aan de gepleegde WhatsApp-fraude gelijk te stellen aan die van facilitators wiens handelen van meet af aan op het plegen van fraude is gericht.
Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie geëiste straf recht doet aan de ernst van het gepleegde feit. Bij de keuze om aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, heeft de rechtbank ook meegewogen dat verdachte in zijn verhoor bij de politie grotendeels openheid van zaken heeft gegeven en direct afstand heeft gedaan van de onder hem in beslag genomen goederen.
Alles afwegende acht de rechtbank een taakstraf voor de duur van tweehonderdveertig uren en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, met een proeftijd van twee jaar, passend en geboden.

8.Het beslag

Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:
  • 1 Computer (G6515190);
  • 1 Computer (G6515206);
  • 1 Simbox (G6515272);
  • 1 Simbox (G6515278);
  • 1 Plastic zakje met simkaarten (G6515237).
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder verdachte in beslag genomen goederen verbeurd dienen te worden verklaard.
Het oordeel van de rechtbank
De in beslag genomen voorwerpen die aan verdachte toebehoren, worden verbeurd verklaard en zijn daarvoor vatbaar, aangezien met behulp van die voorwerpen het onder feit 2 bewezen verklaarde is begaan.

9.De vorderingen van de benadeelde partijen

9.1.
De vorderingen van de benadeelde partijen
In deze zaak hebben zich negen van de dertien aangevers in het strafproces gevoegd als
benadeelde partij door indiening van een vordering tot schadevergoeding. Alle vorderingen
betreffen de door hen geleden materiële schade als gevolg van het overmaken van
geldbedragen naar de gebruikers van enkele van de telefoonnummers die actief waren in de simboxapparatuur van verdachte.
9.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen volledig moeten worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke
rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade. Daarnaast moet aan verdachte de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht worden opgelegd. Gelet op de rol van verdachte als medeplichtige bij de WhatsApp-fraude heeft de officier van justitie verzocht om het aandeel van verdachte vast te stellen op een derde van het gevorderde bedrag.
9.3.
Het oordeel van de rechtbank
De volgende benadeelde partijen hebben een materiële schadevergoeding gevorderd ter hoogte van de door hen overgemaakte geldbedragen:
  • [benadeelde partij 3] (€ 3.786,81);
  • [benadeelde partij 6] (€ 1.083,08);
  • [benadeelde partij 4] (€ 1.820,58);
  • [benadeelde partij 5] (€ 900,-);
  • [benadeelde partij 2] (€ 7.831,71);
  • [benadeelde partij 1] (€ 1.980,19);
  • [benadeelde partij 9] (€ 6.096,04);
  • [benadeelde partij 7] (€ 1.970,16);
  • [benadeelde partij 8] (€ 3.440,71).
De rechtbank acht deze vorderingen, die allen zijn onderbouwd door middel van een aangifte en een bewijs van afschrijving van het genoemde geldbedrag, geheel toewijsbaar.
Naar het oordeel van de rechtbank staat de door verdachte gepleegde medeplichtigheid aan de oplichting – zoals hiervoor bewezen is verklaard – in rechtstreeks verband tot de door de benadeelde partijen geleden schade. Het door verdachte ter beschikking stellen van de telefoonnummers behorende bij de simkaarten was immers een onmisbare schakel tussen de gepleegde oplichting en de door de benadeelden geleden schade. Verdachte is hier dan ook aansprakelijk voor. Omdat het aandeel van verdachte in de oplichting zich niet verhoudt tot integrale toewijzing van de gevorderde bedragen, zal de rechtbank – zoals door de officier van justitie is voorgesteld – zijn aandeel vaststellen op een derde daarvan.
De rechtbank zal deze vorderingen daarom toewijzen ter hoogte van een derde van het gevorderde bedrag aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade. Daarnaast zal de rechtbank ook de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte opleggen.

10.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 36f, 48, 49 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

11.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het onder feit 1 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4. is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Feit 2
Medeplichtigheid aan oplichting.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
240 (tweehonderdveertig)uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van
120 (honderdtwintig)dagen.
Veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
3 (drie) maanden.
Bepaalt dat deze straf
niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.
Stelt daarbij een proeftijd van
2 (twee)jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Beslag
Verklaart
verbeurd:
  • 1 Computer (G6515190);
  • 1 Computer (G6515206);
  • 1 Simbox (G6515272);
  • 1 Simbox (G6515278);
  • 1 Plastic zakje met simkaarten (G6515237).
Vorderingen benadeelde partijen
1. Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] gedeeltelijk toetot een bedrag van
€ 1.262,27 (twaalfhonderdtweeënzestig euro en zevenentwintig eurocent)aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 3] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve
van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in zijn vordering.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 3] aan de staat een bedrag van
€ 1.262,27 (twaalfhonderdtweeënzestig euro en zevenentwintig eurocent)te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 11 mei 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 25 (vijfentwintig) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
2. Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] gedeeltelijk toetot een bedrag van
€ 2.610,57 (zesentwintighonderdtien euro en zevenenvijftig eurocent)aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 2] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve
van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in zijn vordering.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 2] aan de staat een bedrag van
€ 2.610,57 (zesentwintighonderdtien euro en zevenenvijftig eurocent)te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 23 april 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 36 (zesendertig) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
3. Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 6] gedeeltelijk toetot een bedrag van
€ 361,02 (driehonderdeenenzestig euro en twee eurocent)aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 6] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve
van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in zijn vordering.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 6] aan de staat een bedrag van
€ 361,02 (driehonderdeenenzestig euro en twee eurocent)te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 22 mei 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 7 (zeven) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
4. Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] gedeeltelijk toetot een bedrag van
€ 660,06 (zeshonderdzestig euro en zes eurocent)aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 1] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve
van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in zijn vordering.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 1] aan de staat een bedrag van
€ 660,06 (zeshonderdzestig euro en zes eurocent)te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 24 mei 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 13 (dertien) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
5. Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] gedeeltelijk toetot een bedrag van
€ 606,86 (zeshonderdzes euro en zesentachtig eurocent)aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 4] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve
van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in zijn vordering.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 4] aan de staat een bedrag van
€ 606,86 (zeshonderdzes euro en zesentachtig eurocent)te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 8 mei 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 12 (twaalf) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
6. Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 5] gedeeltelijk toetot een bedrag van
€ 300,- (driehonderd euro)aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 5] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve
van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in zijn vordering.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 5] aan de staat een bedrag van
€ 300,- (driehonderd euro)te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 8 mei 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 6 (zes) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
7. Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 9] gedeeltelijk toetot een bedrag van
€ 2.032,01 (tweeduizendtweeëndertig euro en één eurocent)aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 9] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve
van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in zijn vordering.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 9] aan de staat een bedrag van
€ 2.032,01 (tweeduizendtweeëndertig euro en één eurocent)te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 2 mei 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 30 (dertig) dagen.
De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
8. Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 7] gedeeltelijk toetot een bedrag van
€ 656,72 (zeshonderdzesenvijftig euro en tweeënzeventig eurocent)aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 7] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve
van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in zijn vordering.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 7] aan de staat een bedrag van
€ 656,72 (zeshonderdzesenvijftig euro en tweeënzeventig eurocent)te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 2 mei 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 13 (dertien) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
9. Wijst de vordering van benadeelde partij [benadeelde partij 8] gedeeltelijk toetot een bedrag van € 1.146,90 aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 8] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve
van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in zijn vordering.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 8] aan de staat een bedrag van
€ 1.146,90 (elfhonderdzesenveertig euro en negentig eurocent)te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 26 april 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 21 (eenentwintig) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M. Wiewel, voorzitter,
mrs. A. Eichperger en M.C.H. Broesterhuizen, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. J.P. van Aart en J.M. Bos, griffiers,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 januari 2026.
[..]
[..][..]
[..]
[..]
[..]
[..]
[..]
[..]
[..]
[..]