ECLI:NL:RBAMS:2026:1545

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
C/13/777004 / KG ZA 25-830 NB/JT
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 21 RvArt. 431 lid 2 RvArt. 705 lid 2 Rvartikel 6 lid 2(b) VN-Immuniteitsverdrag
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling conservatoir beslag in verband met oorlogsschade en onteigening Oekraïense vennootschap

Een Oekraïense vennootschap, Avtodor, legde conservatoire beslagen ten laste van EuroChem Group en EuroChem IH wegens een vordering van 910 miljoen euro, voortvloeiend uit schade door de oorlog in Oekraïne en onteigening van haar bedrijf. EuroChem c.s. vorderden opheffing van deze beslagen en stelden onder meer dat de vordering ondeugdelijk is, dat immuniteit van jurisdictie van de Russische Federatie geldt en dat de beslagen disproportioneel zijn.

De voorzieningenrechter oordeelde dat staatsimmuniteit niet voorshands aannemelijk is en dat de vordering niet summierlijk ondeugdelijk is. De Oekraïense rechter is bevoegd om over de hoofdzaak te oordelen, en het is niet evident dat EuroChem c.s. geen eerlijk proces zullen krijgen. Ook is niet aannemelijk dat de beslagen de bedrijfsvoering van EuroChem c.s. ernstig ontwrichten.

De belangenafweging leidde tot het oordeel dat het belang van Avtodor om haar verhaalsmogelijkheden te behouden zwaarder weegt dan het belang van EuroChem c.s. om vrij over hun vermogen te beschikken. De gevorderde opheffing van de beslagen wordt afgewezen, en EuroChem c.s. worden veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Het verzoek tot opheffing van conservatoire beslagen wordt afgewezen en EuroChem c.s. worden veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht, voorzieningenrechter
Zaaknummer: C/13/777004 / KG ZA 25-830 NB/JT
Vonnis in kort geding van 11 februari 2026
in de zaak van
1. de rechtspersoon naar buitenlands recht
EUROCHEM GROUP AG,
gevestigd te Zug (Zwitserland),
hierna te noemen: EuroChem Group,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
EUROCHEM INTERNATIONAL HOLDING B.V.,
gevestigd te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer,
hierna te noemen: EuroChem IH,
eisende partijen bij dagvaarding van 14 oktober 2025,
hierna samen te noemen: EuroChem c.s.,
advocaten: mr. M.G.T. Boer en mr. B.A. Boersma,
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
LLC MANUFACTURING AND COMMERCIAL COMPANY AVTODORKOMPLEKT, procederend in eigen naam, maar onder bewind van haar curator (naar Oekraïens recht) Oksana Venska,
te Zaporizja (Oekraïne),
gedaagde partij,
hierna te noemen: Avtodor,
advocaten: mr. W.J.L. de Clerck, mr. A. Oorthuys en mr. M.C. van Leyenhorst,

1.De procedure

1.1.
Tijdens de mondelinge behandeling op 21 november 2025 hebben EuroChem c.s. de vorderingen zoals omschreven in de dagvaarding toegelicht. Avtodor heeft verweer gevoerd, mede aan de hand van een op voorhand ingediende conclusie van antwoord. Beide partijen hebben producties en een pleitnota ingediend.
1.2.
Avtodor heeft bezwaar gemaakt tegen de door EuroChem c.s. ingediende nadere producties 9 en 10 alsmede tegen hoofdstuk 4.2 van de pleitnota van EuroChem c.s. EuroChem c.s. heeft gereageerd op die bezwaren. De voorzieningenrechter heeft vervolgens aan het eind van de mondelinge behandeling meegedeeld dat indien producties 9 en 10 en hoofdstuk 4.2 van de pleitnota zullen worden toegelaten tot de procedure en deze producties en dat onderdeel van de pleitnota zullen worden gebruikt bij de beoordeling, Avtodor de gelegenheid zal krijgen om bij akte te reageren op de inhoud daarvan.
1.3.
Vonnis is ten slotte bepaald op (in beginsel) 30 januari 2026, met dien verstande dat er eerder vonnis zou kunnen worden gewezen indien na de mondelinge behandeling blijkt dat er voor EuroChem c.s. grote spoed is bij een uitspraak op kortere termijn. In dat kader zijn EuroChem c.s. in de gelegenheid gesteld om bij akte te motiveren dat zij belang hebben bij een uitspraak op een kortere termijn, waarbij Avtodor dan vervolgens de gelegenheid zou krijgen om daarop bij akte te reageren.
1.4.
Op 19 december 2025 hebben EuroChem c.s. de hiervoor bedoelde akte ingediend. Vervolgens heeft Avtodor daarop gereageerd bij 26 december 2025 ingediende akte.
De motivering van hun spoedeisend belang heeft er vervolgens niet toe geleid dat er een andere (eerdere) vonnisdatum is bepaald.
1.5.
Bij de mondelinge behandeling waren voor zover van belang aanwezig:
- aan de kant van EuroChem c.s.: mr. Boer en (via een videoverbinding) mr. Boersma;
- aan de kant van Avtodor: mr. De Clerck, mr. Oorthuys en mr. Van Leyenhorst.
1.6.
Vonnis is na uitstel bepaald op 11 februari 2026.

2.De feiten

2.1.
EuroChem Group is een Zwitserse vennootschap die zich bezig houdt met productie van meststoffen en is actief in meer dan honderd landen. EuroChem IH is een Nederlandse vennootschap waarvan EuroChem Group de enig aandeelhouder is.
2.2.
Avtodor is een Oekraïense vennootschap die zich bezig hield met de winning, verwerking en verkoop van granietproducten. Avtodor is inmiddels failliet verklaard.
2.3.
Bij (aangepast) verzoekschrift van 30 juli 2025 heeft Avtodor aan de voorzieningenrechter van deze rechtbank verlof gevraagd tot het leggen van conservatoire beslagen (onder andere) ten laste van EuroChem Group en EuroChem IH. Avtodor verzocht beslag op de aandelen die EuroChem Group houdt in EuroChem IH. Ook is verzocht derdenbeslag te leggen ten laste van EuroChem Group onder EuroChem IH, alsmede ten laste van EuroChem IH onder vier banken (Deutsche Bank AG, ABN AMRO Bank N.V., ING Bank N.V. en Coöperatieve Rabobank UA).
2.4.
Op 31 juli 2025 heeft de voorzieningenrechter verlof verleend om beslag te leggen op de beslagobjecten zoals vermeld in het verzoekschrift van 30 juli 2025. De vordering is hierbij (inclusief opslag voor rente en kosten) begroot op € 910.000.000,00.
2.5.
Reeds op 28 juli 2025 heeft Avtodor een bodemprocedure (de met voornoemde beslagen verbandhoudende eis in de hoofdzaak; door EuroChem c.s. aangeduid als de Derde Avtodor Procedure) tegen EuroChem c.s. en 32 andere Europese en Russische vennootschappen ingesteld bij de rechtbank in Zaporizja te Oekraïne. Daaraan voorafgaand heeft Avtodor (i) op 19 september 2023 een Oekraïens vonnis verkregen tegen de Russische Federatie wegens schade als gevolg van militair optreden en de onteigening van haar bedrijf en (ii) op 27 augustus 2024 een Oekraïens vonnis verkregen tegen Gazprom International, Gazprom Capital, Gazprom PJSC en de Russische Federatie waarbij de Gazprom-entiteiten als alter-ego’s van de Russische Federatie hoofdelijk aansprakelijk zijn gehouden voor de schade waartoe de Russische Federatie in het vonnis van 19 september 2023 was veroordeeld.
2.6. In het beslagrekest van Avtodor staat – zakelijk weergegeven en voor zover van belang – onder meer het volgende:
- Avtodor bezit mijnbouwrechten op graniet- en diorietafzettingen op ongeveer 65 kilometer van de stad Mariupol in de provincie Donetsk in Oekraïne;
- in januari 2022 is Avtodor gestart met de winning en verwerking van graniet voor de levering aan een Oostenrijkse afnemer waarmee zij een contract had gesloten;
- in februari 2022 lanceerde de Russische Federatie, met vrijwillige, directe en actieve financiering en logistieke en materiele steun van verschillende Russische industriële groepen de “2022 Russische Campagne”, welke de invasie en bezetting van Oekraïne omvatte en verduistering door, en herverdeling onder loyale Russische industriële groepen, van activa van Oekraïense bedrijven (waaronder Avtodor’s bedrijf) mogelijk maakte;
- tot de Russische industriële groepen die de 2022 Russische Campagne mogelijk maakten, behoort de groep die volledig eigendom is van en gecontroleerd wordt door EuroChem Group;
- EuroChem Group stond willens en wetens toe dat haar twee Russische volle dochters (Novomoskovsky JSC Azot en JSC Nevinnomyssky Azot) regelmatig aan een Russische militaire staatsfabriek (Sverdlov Plant) ingrediënten leverden (respectievelijk ongeveer 5.000 ton salpeterzuur en ongeveer 38.000 ton azijnzuur) voor de productie van explosieven die in de 2022 Russische Campagne werden gebruikt;
- volgens een onafhankelijk explosievenexpertiserapport is dit genoeg om tot 3.600 ton HMX of RDX te produceren, of tot 4.000 ton TNT, welke hoeveelheid explosieven genoeg is om tussen 470.000 en 2,8 miljoen groot-kaliber artilleriegranaten, 18.000 X-101 raketten, 13.500 Iskander en Kalibr raketten te vullen, waarmee Oekraïne regelmatig het doelwit is geweest in het kader van de 2022 Russische Campagne;
- EuroChem c.s. hebben bedoeld, voorzien of hadden moeten voorzien dat hun handelingen de 2022 Russische Campagne mogelijk zouden maken en bevorderen en dat als gevolg daarvan schade zou worden toegebracht aan partijen in posities zoals die van Avtodor door verduistering en daaropvolgende herverdeling van het bedrijfsvermogen van Avtodor;
- na de bezetting van de locatie waar Avtodor haar mijnbouwcomplex had werd dit complex onrechtmatig in bezit genomen door het “staats”-mijnbouwbedrijf Nedra DPR van de niet-erkende Volksrepubliek Donetsk;
- Nedra DPR kwalificeert vermoedelijk als de partij die het meest direct verantwoordelijk en aansprakelijk is voor de veroorzaakte schade, maar Avtodor acht de kans van een succesvolle tenuitvoerlegging van een vonnis tegen Nedra DPR te verwaarlozen en heeft Nedra DPR daarom niet in de hoofdzaak betrokken;
- op 28 juli 2025 heeft Avtodor haar vordering in de hoofdzaak ingediend bij de bevoegde rechtbank van koophandel te Zaporizja in Oekraïne;
- aan EuroChem c.s. is voorafgaand aan het instellen van de hoofdzaak geen sommatie gestuurd, omdat dit om een aantal redenen achterwege kon blijven;
- in de dagvaarding in de hoofdzaak is de hoofdelijke aansprakelijkheid van EuroChem c.s. gestoeld op twee bouwstenen: groepsaansprakelijkheid wegens onrechtmatige daad van twee Russische vennootschappen (Novomoskovsky JSC Azot en JSC Nevinnomyssky Azot) en
alter ego-aansprakelijkheid van EuroChem c.s. met die Russische direct aansprakelijke groepsvennootschappen;
- op grond van de Oekraïense IPR-wet is de Oekraïense rechter bevoegd en is Oekraïens recht van toepassing;
- het door de Oekraïense rechter te wijzen vonnis in de hoofdzaak kan in Nederland worden erkend en ten uitvoer gelegd;
- Avtodor wenst conservatoir beslag te leggen ten laste van EuroChem Group en EuroChem IH;
- de conservatoire beslagen zijn noodzakelijk en voldoen aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit;
- de voorzieningenrechter van deze rechtbank is bevoegd ten aanzien van het verzoek tot het leggen van conservatoir beslag op aandelen in EuroChem IH nu deze vennootschap statutair gevestigd is in Amsterdam;
- aangezien alle conservatoire beslagen zien op een en dezelfde vordering wegens hoofdelijke aansprakelijkheid, is de voorzieningenrechter van deze rechtbank ook voor het overige bevoegd om van het beslagrekest kennis te nemen.
2.7.
In het beslagrekest heeft Avtodor de volgende schematische weergave van de structuur van de EuroChem-groep opgenomen:
Om privacyredenen wordt afbeelding niet getoond.
2.8.
Op 1 augustus 2025 heeft Avtodor uit hoofde van het beslagverlof van 31 juli 2025 conservatoir beslag laten leggen op de in het beslagverzoek genoemde beslagobjecten.
2.9.
Het beslag op de aandelen die EuroChem Group houdt in EuroChem IH heeft doel getroffen. Ook het derdenbeslag ten laste van EuroChem IH onder ING Bank N.V. heeft doel getroffen, namelijk voor een bedrag van € 556.695,46.
2.10.
De ten laste van EuroChem IH gelegde derdenbeslagen onder Deutsche Bank AG, ABN AMRO Bank N.V., Coöperatieve Rabobank U.A., alsmede het ten laste van EuroChem Group onder gelegde derdenbeslag onder EuroChem IH, hebben geen doel getroffen.

3.Het geschil

3.1.
EuroChem c.s. vorderen om bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:
I. alle door Avtodor gelegde conservatoire beslagen op te heffen;
II. Avtodor te gebieden om, binnen twee werkdagen na betekening van dit vonnis, (a) de deurwaarder schriftelijk te bevestigen dat het aandelenbeslag op kosten van Avtodor kan worden doorgehaald in het aandeelhoudersregister van EuroChem IH, en (b) ieder van de derdebeslagenen (EuroChem IH en de vier banken) schriftelijk te berichten dat de onder hen gelegde beslagen zijn opgeheven;
III. Avtodor te verbieden nieuwe beslagen te leggen ten laste van EuroChem c.s. in verband met de feiten die in de Derde Avtodor Procedure aan de orde zijn, althans Avtodor te gebieden bij enig toekomstig verzoek tot het verlenen van verlof voor het leggen van conservatoir beslag ten laste van EuroChem c.s. en/of tot het treffen van enig andere bewarende maatregel, dit vonnis onverwijld over te leggen aan de voorzieningenrechter;
IV. Avtodor te veroordelen tot betaling van een dwangsom van (a) € 1.000.000 althans een in goede justitie te bepalen bedrag, voor iedere dag (een deel daarvan inbegrepen) dat de veroordeling onder II niet volledig wordt nagekomen en (b) € 3.000.000 althans een in goede justitie te bepalen bedrag, voor iedere keer dat de veroordeling onder III niet wordt nagekomen;
V. subsidiair, mocht de primaire vordering tot opheffing van de beslagen worden afgewezen, Avtodor te veroordelen om binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis zekerheid te stellen tot een in goede justitie te bepalen bedrag, in de vorm van een onherroepelijke bankgarantie afgegeven door een in Nederland gevestigde bank, conform het meest recente model beslaggarantie van de Nederlandse Vereniging van Banken, op straffe van verval van het beslag;
VI. Avtodor te veroordelen in de proceskosten.
3.2.
EuroChem c.s. stellen daartoe – samengevat – het volgende.
3.2.1.
Avtodor probeert volgens haar eigen stellingen EuroChem c.s. en 32 andere Europese en Russische rechtspersonen in Oekraïne aansprakelijk te stellen voor de vermeende onteigening van haar bedrijf door de Russische Federatie. In haar beslagrekest stelt Avtodor echter dat Nedra DPR primair verantwoordelijk en aansprakelijk is voor de gestelde schade. Uit een eerder door Avtodor verkregen Oekraïens vonnis over dezelfde onteigening volgt dat Nedra DPR fungeert als instrument van de Russische Federatie en daarmee moet worden vereenzelvigd. Onteigening is een typisch soevereine handeling (
acte jure imperii). De Russische Federatie is niet betrokken in de nieuwe door Avtodor gestarte Oekraïense procedure, omdat verschillende Nederlandse rechters eerder hebben geweigerd Oekraïense vonnissen direct gericht tegen de Russische Federatie, of rechtspersonen die daarmee beweerdelijk zijn te vereenzelvigen, uit te voeren wegens immuniteit van jurisdictie. De nieuwe vordering van Avtodor raakt echter rechtstreeks aan de rechten, belangen en activiteiten (
indirect impleading) van de Russische Federatie en stuit daarom ook af op immuniteit van jurisdictie. Dit blijkt uit artikel 6 lid Pro 2(b) van het VN-Immuniteitsverdrag. Dat dat verdrag nog niet in werking is getreden, doet daaraan niet af. Het VN-Immuniteitsverdrag is inmiddels door 25 staten geratificeerd (waaronder Nederland; zonder voorbehoud bij artikel 6 lid Pro 2(b)) en door nog eens 14 staten ondertekend. Op grond van het Weens Verdragenverdrag moet Nederland zich onthouden van handelingen die strijdig zijn met voorwerp en doel van het VN-Immuniteitsverdrag. Artikel 6 lid 2 codificeert Pro bovendien internationaal gewoonterecht. Zonder de onteigening zou het verweten handelen van EuroChem c.s. niet onrechtmatig zijn geweest. De onteigening is het fundament voor de vordering van Avtodor. De Oekraiense rechter dient zich over het handelen van de Russische Federatie uit te spreken om te kunnen vaststellen dat het vermeende handelen van EuroChem c.s. onrechtmatig zou zijn geweest. De vordering van Avtodor raakt daarmee aan de rechten, belangen en activiteiten van de Russische Federatie en stuit dus af op immuniteit van jurisdictie.
3.2.2.
De door Avtodor gestelde vordering ter verzekering waarvan zij beslag heeft gelegd is daarnaast summierlijk ondeugdelijk, om de volgende redenen:
- EuroChem c.s. zijn meststoffenproducenten en hebben geen enkele rol gespeeld bij de gebeurtenissen in Oekraïne. EuroChem c.s. zijn dan ook niet betrokken geweest bij de onteigening. Het op het laatste moment toevoegen van EuroChem c.s. aan de nieuwe procedure in Oekraïne lijkt enkel bedoeld om extra vermogensbestanddelen buiten Rusland aan te kunnen spreken. De vordering mist iedere grondslag. Anders dan Avtodor in het beslagrekest doet voorkomen worden EuroChem c.s. in de lopende bodemzaak in Oekraïne niet aansprakelijk gehouden op de grondslag van groepsaansprakelijkheid, maar slechts op grond van alter-ego aansprakelijkheid (vereenzelviging) naar Oekraïens recht.
- De Oekraïense rechter is onbevoegd om kennis te nemen van vorderingen die voortvloeien uit soeverein overheidshandelen van de Russische Federatie.
- De vordering van Avtodor berust niet op het juiste toepasselijk recht. Naar Oekraïens conflictenrecht is Russisch recht van toepassing.
- Zowel naar Oekraïens als naar Russisch recht voldoet de vordering van Avtodor niet aan de vereisten voor onrechtmatige daad: (i) de gestelde schade is niet zelfstandig en toerekenbaar aan handelingen van EuroChem c.s.; (ii) onrechtmatigheid van louter commerciële leveringen van salpeterzuur en azijnzuur ontbreekt; (iii) het (direct) causaal verband ontbreekt; en (iv) schuld is niet aannemelijk gemaakt.
- Van gronden voor vereenzelviging is geen sprake. Naar Oekraïens recht moet vereenzelviging worden beoordeeld volgens de lex societas. Voor EuroChem Group geldt dan Zwitsers recht en voor EuroChem IH Nederlands recht. Beide rechtsstelsels staan vereenzelviging slechts toe in uitzonderlijke gevallen. Van volledige veronachtzaming van de rechtspersoonlijkheid of van misbruik van de vennootschappelijke identiteit is geen sprake.
- EuroChem c.s. zijn tot op heden niet rechtsgeldig opgeroepen in de Oekraïense bodemprocedure. Het Oekraïense vonnis kan reeds daarom in Nederland niet erkend of ten uitvoer worden gelegd.
- EuroChem c.s. zullen ten slotte in Oekraïne geen eerlijk proces krijgen in de bodemzaak. De behandelend rechter is gezien zijn eerdere uitspraken niet onpartijdig en niet onafhankelijk. Hij wijst vorderingen van Oekraiense eisers automatisch toe, zeker wanneer de gestelde schade is veroorzaakt door de Russische Federatie.
- Het erkenningsverdrag van 2 juli 2019 is vanwege een op 8 december 2023 door Oekraïne afgelegde verklaring niet van toepassing op tijdelijk bezette gebieden zoals het district Zaporizja. Oekraiense vonnissen die betrekking hebben op schade in dat gebied, zoals aan de orde in de bodemzaak, kunnen dus niet in aanmerking komen voor erkenning en tenuitvoerlegging in Nederland op grond van het erkenningsverdrag.
3.2.3.
Een belangenafweging moet om de volgende redenen in het voordeel van EuroChem c.s. uitvallen:
- Er is geen reële kans dat Avtodor een exequatur in Nederland zal verkrijgen wegens de ondeugdelijkheid van haar vordering en mede vanwege immuniteit van jurisdictie.
- De gelegde beslagen ontwrichten de bedrijfsvoering van EuroChem c.s. ernstig. De suggestie dat EuroChem c.s. iets met de oorlog in Oekraïne te maken heeft schaadt haar reputatie ernstig. Er is een gegronde vrees dat cruciale zakelijke relaties zullen worden beëindigd zodra deze crediteuren kennisnemen van de gelegde beslagen. Het beslag kwalificeert tevens als event of default onder de financieringsovereenkomst die EuroChem c.s. heeft gesloten, waardoor leningen nu opeisbaar zijn en moeten worden terugbetaald. Ook de beëindiging van andere overeenkomsten dreigt en de beslagen belemmeren het aantrekken van nieuwe financiering. De daardoor ontstane schade kan oplopen tot honderden miljoenen euro’s.
- De beslagen zijn onnodig, omdat er geen vrees is dat verhaal op EuroChem c.s. onmogelijk zal zijn. EuroChem Group is gevestigd in Zwitserland en heeft een miljardenomzet en voldoende activa om verhaal te bieden. De vrees voor verduistering ontbreekt. Daarnaast is er al meer dan genoeg zekerheid door eerder gelegd beslagen ten laste van andere vennootschappen. De beslagen zijn dan ook niet proportioneel.
- Het beslagrekest is onvolledig, omdat Avtodor de voorzieningenrechter geen volledig overzicht heeft gegeven van reeds gelegde beslagen, hetgeen in strijd is met artikel 21 Rv Pro.
- Avtodor maakt misbruik van procesrecht door in Nederland eenvoudig ex parte een beslagverlof te verkrijgen, terwijl opheffing vervolgens lastig is omdat de kortgedingrechter slechts marginaal toetst. Avtodor probeert immuniteit van jurisdictie te omzeilen. Zij ziet Nedra DPR als meest direct aansprakelijke partij, maar richt haar pijlen op EuroChem c.s. die zij ten onrechte in verband brengt met de oorlog. Ook dat levert misbruik van procesrecht op.
- Ten slotte geldt dat Avtodor geen verhaal zal bieden voor de schade die EuroChem c.s. lijden als gevolg van de onterechte beslagen, aldus steeds EuroChem c.s.
3.3.
Avtodor voert verweer.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, (nader) ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De opheffing van een conservatoir beslag kan onder meer worden bevolen, indien op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen zijn verzuimd, summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag.
Staatsimmuniteit
4.2.
Het meest verstrekkende standpunt van EuroChem c.s. is dat de vordering van Avtodor de rechten, belangen en activiteiten van de Russische Federatie raakt en dus afstuit op immuniteit van jurisdictie. Voorshands is echter onvoldoende aannemelijk dat staatsimmuniteit hier aan de orde is. Daartoe is het volgende redengevend.
4.3.
Van directe staatsimmuniteit is in ieder geval geen sprake, nu de Russische Federatie geen partij is in de bodemprocedure in Oekraïne of in dit kort geding.
4.4.
Avtodor spreekt EuroChem c.s. aan als
alter egovan de Russische EuroChem vennootschappen. Van
alter egoaansprakelijkheid van de Russische Federatie met de Russische EuroChem vennootschappen en EuroChem c.s. is volgens EuroChem c.s. geen sprake. Daardoor werkt de staatsimmuniteit van de Russische Federatie niet door in de relatie Avtodor/EuroChem c.s.
4.5.
Mogelijk is sprake van groepsaansprakelijkheid van EuroChem c.s. met de Russische EuroChem vennootschappen en/of de Russische Federatie. De vraag is dan of medeplegers (zoals EuroChem c.s.) zich kunnen beroepen op de staatsimmuniteit van de Russische Federatie. Daartoe beroepen EuroChem c.s. zich op het leerstuk van de
indirect impleading, vastgelegd in artikel 6 lid Pro 2(b) van het VN-Immuniteitsverdrag, waarin is bepaald dat staatsimmuniteit tevens aan de orde is in een procedure waarin de staat geen partij is als die procedure
“in effect seeks to affect the property, rights, interests or activities”van die staat
.Dat beroep gaat niet op. Het VN-Immuniteitsverdrag is immers niet in werking getreden. Er is ook niet te verwachten dat het verdrag, dat al meer dan 21 jaar oud is, binnen afzienbare termijn in werking zal treden en het is bovendien niet door de Russische Federatie geratificeerd. Het door EuroChem c.s. bepleite beroep op het leerstuk van
indirect impleadingkan bovendien niet worden gebaseerd op internationaal gewoonterecht. Daarvoor is immers vereist dat de regel (met de door EuroChem c.s. voorgestane ruime strekking) in nationale rechtsstelsels consequent wordt toegepast. Uit de door Avtodor aangehaalde uitspraken uit Noorwegen, België, het Verenigd Koninkrijk, Canada en Zuid Afrika [1] blijkt echter dat
indirect impleadingniet aan de orde is indien, zoals in de onderhavige zaak, de (eigendoms)rechten of rechtspositie van de niet verschenen vreemde staat niet worden aangetast. De uiterste consequentie van een te ruime toepassing van het leerstuk van
indirect impleadingzou zijn dat (rechts)personen die als medepleger betrokken zijn bij onrechtmatige
acte iure imperiiaansprakelijkheid ontgaan voor hun eigen handelen met een beroep op staatsimmuniteit.
Summierlijk ondeugdelijk
4.6.
Anders dan EuroChem c.s. menen is de vordering ter zekerheid waarvan de beslagen zijn gelegd niet summierlijk ondeugdelijk. Het is in eerste instantie aan de Oekraïense rechter in de bodemzaak om te oordelen over zijn bevoegdheid, het toepasselijke recht, de eventuele (groeps)aansprakelijkheid van EuroChem c.s. en de vraag of sprake is van vereenzelviging. Het is voorshands niet zo aannemelijk dat de Oekraïense rechter de vordering zal afwijzen, dat hierop in dit kort geding kan worden vooruitgelopen (in die zin dat de vordering summierlijk ondeugdelijk kan worden geacht).
4.7. Voor zover EuroChem c.s. meent dat Avtodor in het beslagrekest doet voorkomen alsof zij EuroChem c.s. in de lopende bodemzaak in Oekraïne ook aansprakelijk houdt op de grondslag van groepsaansprakelijkheid, terwijl zij EuroChem c.s. slechts op grond van alter-ego aansprakelijkheid (vereenzelviging) in rechte heeft betrokken, geldt dat daaraan wordt voorbij gegaan nu voorshands aannemelijk is dat Avtodor haar gronden in de bodemzaak nog kan aanvullen of wijzigen.
Erkenning en tenuitvoerlegging
4.8.
Een conservatoir beslag strekt er naar zijn aard toe over te gaan in een executoriaal beslag. Hiervoor is vereist dat de beslaglegger in de hoofdzaak een executoriale titel verkrijgt. Indien – in dit geval – vast zou staan dat de eis in de hoofdzaak, die in Oekraïne is ingesteld, niet kan leiden tot een titel die in Nederland kan worden erkend en ten uitvoer kan worden gelegd, dient de vordering waarvoor beslag is gelegd alsnog summierlijk ondeugdelijk (in de zin van artikel 705 lid 2 Rv Pro) te worden geacht. Gelet op het volgende is dat echter niet het geval.
4.9.
Of EuroChem c.s. rechtsgeldig zijn opgeroepen in de Oekraïense bodemprocedure is in beginsel ter beoordeling van de Oekraiense rechter. De Oekraiense rechter dient vast te stellen of er verstek kan worden verleend indien EuroChem c.s. niet verschijnen in de bodemprocedure. Voorshands is niet evident dat de oproeping op onrechtmatige wijze heeft plaatsgevonden en evenmin dat zij geen eerlijk proces zullen krijgen in Oekraïne. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zal de Nederlandse rechter aan wie te zijner tijd het exequaturverzoek zal worden voorgelegd aan de hand van wat partijen dan naar voren brengen moeten onderzoeken of in die procedure is voldaan aan alle elementaire beginselen, en zo niet, of dat aan erkenning en tenuitvoerlegging in de weg staat. Op dat oordeel kan niet worden vooruitgelopen.
4.10.
Dat het Erkenningsverdrag niet van toepassing zou zijn vanwege de door Oekraïne op 8 december 2023 afgelegde verklaring die er – kort gezegd – op neer zou komen dat het verdrag niet geldt in bezette gebieden in Oekraïne of waar een gewapend conflict plaatsvindt, is door Avtodor bestreden. Ook een oordeel hierover is voorbehouden aan de rechter aan wie te zijner tijd het exequaturverzoek zal worden voorgelegd. Op voorhand is niet zo evident dat op deze grond een exequaturverzoek zal worden afgewezen, dat hierop in dit kort geding kan worden vooruitgelopen. Overigens heeft Avtodor voldoende aannemelijk gemaakt dat zij zich in ieder geval op artikel 431 lid 2 Rv Pro (quasi exequatur) en erkenning en tenuitvoerlegging aan de hand van de Gazprombank-criteria kan beroepen.
Belangenafweging
4.11.
Beide partijen hebben bepleit dat een belangenafweging in hun voordeel dient uit te vallen. Het belang van Avtodor om haar verhaalsmogelijkheden in stand te houden weegt zwaarder dan het belang van EuroChem c.s. om vrijelijk over hun vermogensobjecten te kunnen beschikken. Daartoe is het volgende redengevend.
4.12.
Anders dan EuroChem c.s. menen kan, gelet op al het voorgaande, niet gezegd worden dat er geen reële kans is dat Avtodor een exequatur in Nederland zal verkrijgen wegens de ondeugdelijkheid van haar vordering of vanwege immuniteit van jurisdictie. Dat de beslagen niet tot verhaal kunnen leiden staat dan ook niet vast.
4.13. EuroChem c.s. hebben onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hun bedrijfsvoering zwaar is ontwricht door de beslagen. Dat de beslagen daadwerkelijk zullen leiden tot reputatie- en/of contractuele schade is evenmin concreet gemaakt. Voor zover EuroChem IH meent dat zij door het bankbeslag niet aan betalingsverplichtingen kan voldoen geldt dat EuroChem Group naar eigen zeggen een miljardenomzet heeft en zelf voldoende verhaal biedt. Derhalve moet EuroChem Group in staat worden geacht om eventuele nadelige financiële gevolgen van het bankbeslag – dat in dit geval voor ruim een half miljoen euro doel heeft getroffen – op te vangen door EuroChem IH van financiële middelen te voorzien. EuroChem c.s. hebben onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het beslag op de aandelen van EuroChem Group in EuroChem IH knelt. Niet gebleken is dat binnen de groep van EuroChem c.s. een herstructurering, een herfinanciering of verkoop van de aandelen op de korte termijn noodzakelijk is.
4.14.
Nu het voor Avtodor juist heel lastig is om verhaalsobjecten te vinden ter zekerheid van de door haar gestelde vordering en zij naar het zich laat aanzien onvoldoende zekerheid heeft voor haar vordering, worden EuroChem c.s. niet gevolgd in hun standpunt dat de beslagen onnodig en disproportioneel zijn. Van eerder gelegde beslagen ten aanzien van andere entiteiten is nota bene de opheffing gelast. Hoewel EuroChem c.s. stelt dat EuroChem Group een miljardenomzet heeft, is onduidelijk of zij uiteindelijk – ook zonder een beslag – voldoende verhaal zal bieden.
4.15.
EuroChem c.s. worden ook niet gevolgd in hun standpunt dat Avtodor artikel 21 Rv Pro heeft geschonden. In het beslagrekest is Avtodor voldoende ingegaan op ontwikkelingen met andere vermeend hoofdelijk aansprakelijke partijen. Ook heeft zij benoemd dat zij ten laste van Gazprom-entiteiten beslag heeft gelegd. Daarbij heeft zij vermeld wat de waarde van beslagen aandelen is, dat die haar onvoldoende verhaal bieden en dat de waarden van de overige beslagen vermogensbestanddelen haar niet bekend is.
4.16.
EuroChem c.s. worden evenmin gevolgd in hun standpunt dat Avtodor misbruik van procesrecht maakt door beslag ten laste van hen te leggen. Van het omzeilen van immuniteit van jurisdictie is geen sprake. Het staat Avtodor vrij om te trachten zich te verhalen op een (mede)aansprakelijke partij niet zijnde de primair aansprakelijke partij.
4.17.
Dat, zoals EuroChem c.s. stellen, Avtodor zelf mogelijk geen verhaal zou bieden voor eventuele schade door de gelegde beslagen leidt niet tot opheffing van de beslagen. Het standpunt van Avtodor is immers dat haar faillissement mede is veroorzaakt door EuroChem c.s. Het zou in dat licht niet redelijk zijn als EuroChem c.s. zich op een (mede door haarzelf veroorzaakt) verhaalrisico zijdens Avtodor zou kunnen beroepen ter opheffing van de beslagen.
Slotsom
4.18.
Het voorgaande maakt dat voor opheffing van de beslagen geen aanleiding is. Daarom zullen de vorderingen zoals weergegeven onder 3.1 sub I. t/m IV. worden afgewezen.
Zekerheidstelling
4.19.
De subsidiaire vordering die strekt tot zekerheidstelling voor eventuele door de beslagen veroorzaakte schade is evenmin toewijsbaar. Voldoende aannemelijk is dat Avtodor, nu zij failliet is, niet (gemakkelijk) in staat zal zijn om zekerheid te stellen. Daarbij komt dat nu de oorzaak van het faillissement mogelijk is gelegen in het onrechtmatig handelen waarvoor zij EuroChem c.s. aansprakelijk houdt (zie 4.17), van haar niet verlangd kan worden dat zij zekerheid stelt.
Proceskosten
4.20.
EuroChem c.s. zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Avtodor worden begroot op:
- griffierecht
714,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.080,00.
4.21.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4.22.
De veroordelingen worden hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
weigert de gevraagde voorzieningen,
5.2.
veroordeelt EuroChem c.s. hoofdelijk in de proceskosten van € 2.080,00, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening indien het vonnis wordt betekend,
5.3.
veroordeelt EuroChem c.s. hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na vandaag zijn betaald en tot betaling van de wettelijke rente over € 98,00 plus de kosten van betekening vanaf veertien dagen na die betekening,
5.4.
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. N.C.H. Blankevoort, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. J.E. Tiddens, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2026. [2]

Voetnoten

1.Cva rn. 69
2.type: JT