ECLI:NL:RBAMS:2026:1486

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
13/221490-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 242 Sr (oud)Art. 243 lid 1 SrArt. 36f SrArt. 57 SrArt. 300 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak verkrachting, veroordeling mishandeling echtgenote met gevangenisstraf

De rechtbank Amsterdam heeft op 4 februari 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte, die werd beschuldigd van mishandeling en verkrachting van zijn echtgenote in de periode van februari 2023 tot augustus 2025.

De rechtbank achtte bewezen dat verdachte zijn echtgenote tweemaal heeft mishandeld door haar te slaan en te schoppen. Verdachte bekende één mishandeling en de verklaring van de aangeefster ondersteunde dit. Voor de verkrachtingsfeiten kon de rechtbank echter geen voldoende consistent, concreet en gedetailleerd bewijs vinden. De verklaringen van de aangeefster waren onvoldoende specifiek en er ontbrak aanvullend bewijs, waardoor verdachte werd vrijgesproken van verkrachting.

De rechtbank veroordeelde verdachte tot een gevangenisstraf van twee maanden voor de mishandelingen, met aftrek van voorarrest. Daarnaast werd een immateriële schadevergoeding van €1.000,- toegekend aan de benadeelde partij, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 7 augustus 2025. De vordering voor schadevergoeding wegens verkrachting werd afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van verkrachting, veroordeeld tot twee maanden gevangenisstraf voor mishandeling en moet €1.000,- immateriële schadevergoeding betalen.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/221490-25
Datum uitspraak: 4 februari 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
thans gedetineerd te: [detentieplaats] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van
21 januari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
mr. B. ter Steege, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. V.G. Kraal, naar voren hebben gebracht.
De rechtbank heeft verder kennisgenomen van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] en de toelichting op die vordering door mr. B. van Straaten.

2.Tenlastelegging

Verdachte wordt er – kort gezegd – van beschuldigd dat hij zich in Amsterdam, in ieder geval in Nederland, ten aanzien van [benadeelde partij] (zijn echtgenote), telkens heeft schuldig gemaakt aan:
mishandeling, in de periode van 14 februari 2023 tot en met 8 augustus 2025;
verkrachting, in de periode van 14 februari 2023 tot en met 30 juni 2024 (artikel 242 (oud) van het Wetboek van Strafrecht (Sr)); en
schuld- dan wel opzetverkrachting, in de periode 1 juli 2024 tot en met 5 augustus 2025 (artikelen 242 en 243 lid 1 Sr).
De volledige tenlastelegging is opgenomen in de bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3.Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4. Standpunten
4.1
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van de feiten onder 2 en 3.

5.Het oordeel van de rechtbank

5.1
Feit 1, mishandeling
Verdachte wordt ervan beschuldigd dat hij in de periode van 14 februari 2023 tot en met 8 augustus 2025 aangeefster, zijn echtgenote, meermalen heeft mishandeld. Verdachte heeft ter terechtzitting van 21 januari 2026 bekend dat hij zijn echtgenote op 7 augustus 2025 heeft mishandeld, door haar te slaan en te schoppen. Hij heeft verder bekend dat dit één keer eerder (in Nederland) is gebeurd.
De rechtbank acht, op basis van de verklaring van aangeefster en de bekennende verklaring van verdachte bewezen, dat verdachte aangeefster in Nederland twee keer heeft mishandeld. Dat deed hij door [benadeelde partij] in het gezicht te slaan en tegen het lichaam te slaan en te schoppen. De rechtbank kan niet vaststellen op welk moment de eerdere mishandeling precies heeft plaatsgevonden, maar wel dat dit binnen de tenlastegelegde pleegperiode is geweest. De mishandeling heeft immers in Nederland plaatsgevonden en vast staat dat verdachte en aangeefster vanaf 14 februari 2023 gezamenlijk in Nederland verblijven. Om die reden zal de gehele tenlastegelegde pleegperiode bewezen worden verklaard.
Nu de raadsman voor dit feit geen vrijspraak heeft bepleit, kan op grond van artikel 359, derde lid, Sv met de hierna genoemde opgave van bewijsmiddelen worden volstaan [1] :
  • het proces-verbaal ter terechtzitting van 21 januari 2026, inhoudende de bekennende verklaring van verdachte;
  • het proces-verbaal van aangifte met nummer 2025197106-8, p. 6-12 (inclusief fotobijlagen).
5.2
Vrijspraak feiten 2 en 3, verkrachting
Verdachte wordt op basis van de verklaringen van aangeefster ervan beschuldigd dat hij haar in de periode van 14 februari 2023 tot en met 30 juni 2024 (feit 2) en daaropvolgend in de periode van 1 juli 2024 tot en met 5 augustus 2025 (feit 3), meermalen heeft verkracht.
De rechtbank kan de verklaringen van aangeefster alleen gebruiken voor het bewijs als zij voldoende (in hoofdlijnen) consistent, concreet en gedetailleerd heeft verklaard. Dit is in onderhavige zaak niet het geval.
De rechtbank heeft in dat kader acht geslagen op de verklaring die aangeefster heeft afgelegd bij de politie op 7 augustus 2025, waarin zij naast haar aangifte van mishandeling, ook kort verklaard heeft over de verkrachting(en). Aangeefster heeft in dat verhoor verklaard: “ [verdachte] dwingt mij tot seks, wanneer ik dat niet wil”, “Dit komt 3-4 keer per week voor”. Op 9 augustus 2025 heeft aangeefster vervolgens aangifte gedaan van verkrachting, waarin zij hierover wat uitgebreider verklaard heeft.
Op basis van de korte verklaring van aangeefster (op 7 augustus 2025) en de meer uitgebreide verklaring van aangeefster (op 9 augustus 2025), kan niet getoetst worden of aangeefster consistent heeft verklaard. Zij heeft namelijk alleen op 9 augustus 2025, specifiek verklaard over de verkrachtingen tijdens het huwelijk. De toets - of een verklaring voldoende consistent is - is wel mogelijk indien een aangeefster, over de tijd, meerdere uitgebreide verklaringen heeft afgelegd over de betreffende beschuldigingen. Indien die verklaringen (op hoofdlijnen) gelijkluidend zijn dan kan van een bepaalde mate van consistentie worden gesproken. Maar in onderhavige dossier ontbreken dergelijke meer uitgebreide verklaringen.
Daarnaast is de verklaring van aangeefster onvoldoende concreet en bevat deze te weinig details over wanneer verdachte welke handelingen zou hebben verricht en onder welke omstandigheden dat zou zijn gebeurd. In het verhoor van aangeefster lijkt hier door de politie onvoldoende op te zijn doorgevraagd. Het is niet duidelijk geworden waaruit de dwang precies heeft bestaan en of voor verdachte steeds duidelijk is geweest wanneer en welke handelingen tegen de wil van aangeefster hebben plaatsgevonden. Bovendien heeft aangeefster verklaard dat tussen haar en verdachte ook geregeld gemeenschap plaatsvond met wederzijdse instemming, namelijk eens in de vier dagen.
Van meerdere door aangeefster omschreven gebeurtenissen en door verdachte (vermeende) gepleegde handelingen is bovendien niet duidelijk geworden wanneer deze zouden hebben plaatsgevonden. De enkele verwijzing naar de gehele ten laste gelegde periode (van 14 februari 2023 tot en met 5 augustus 2025) is om die reden onvoldoende specifiek. Een groot deel van haar verklaring ziet bovendien op de periode dat beiden verbleven in [plaats] ; deze periode valt buiten de tenlastegelegde periode.
Ten slotte wordt overwogen dat het dossier voor het overige zeer summier is nu verdachte ontkent en het dossier geen ander steunbewijs bevat voor de verklaring van aangeefster.
Alles afwegende komt de rechtbank tot de conclusie dat de verklaring van aangeefster niet voor het bewijs kan worden gebruikt en het dossier voor het overige onvoldoende bewijs bevat om tot het wettig en overtuigend bewijs te komen van de ten laste gelegde verkrachting(en). De rechtbank spreekt verdachte vrij van het hem onder 2 en 3 ten laste gelegde.

6.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 5.1 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
ten aanzien van feit 1
in de periode van 14 februari 2023 tot en met 7 augustus 2025 te Amsterdam, althans in Nederland, [benadeelde partij] , heeft mishandeld, door die [benadeelde partij] een of meerdere malen tegen het gezicht te slaan en/of tegen het lichaam te slaan en/of te schoppen, terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn echtgenote.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

7.De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

8.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

9.Motivering van de straffen

9.1
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem onder 1, 2 en 3 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 2 (twee) jaar, met aftrek van voorarrest.
9.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht aan verdachte een kortere onvoorwaardelijke straf op te leggen dan is gevorderd door de officier van justitie.
9.3
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte heeft zich meermalen schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn echtgenote. Hij heeft haar in haar gezicht geslagen en tegen haar lichaam geslagen en geschopt en daarmee haar lichamelijke integriteit aangetast. Verdachte zegt zelf dat hij als man een leidende rol heeft in de relatie met zijn echtgenote. De rechtbank heeft echter sterk de indruk gekregen dat hij door is geschoten in zijn leidende rol en dat sprake is van onderdrukking. De mishandelingen vonden plaats in hun woning, maar ook in een voor het slachtoffer vreemd land. In plaats van zorg te dragen voor haar veiligheid heeft hij deze juist ernstig aangetast en haar vertrouwen geschaad. Verdachte lijkt ook nog niet te accepteren dat zij van hem wenst te scheiden.
Nu de rechtbank tot een andere bewezenverklaring is gekomen dan de officier van justitie, zal de rechtbank een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is geëist. De rechtbank legt verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van twee maanden, met aftrek van voorarrest. Dit betekent dat de duur van de voorlopige hechtenis de opgelegde straf overstijgt. De rechtbank heeft om die reden, bij beslissing van 26 januari 2026, de voorlopige hechtenis van verdachte opgeheven.

10.De vordering van de benadeelde partij

10.1
De vordering en standpunten
De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert € 9.000,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering bestaat voor € 1.500,- uit schade als gevolg van de ten laste gelegde mishandelingen (feit 1) en voor € 7.500,- uit schade als gevolg van de ten laste gelegde verkrachtingen (feiten 2 en 3).
De officier van justitie heeft betoogd dat de vordering kan worden toegewezen. De vordering is voldoende onderbouwd. De raadsman heeft de vordering niet inhoudelijk betwist.
10.2
Het oordeel van de rechtbank
10.2.1
De vordering ten aanzien van de feiten 2 en 3
De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat aan verdachte – ten aanzien van de feiten 2 en 3 – geen straf of maatregel is opgelegd en artikel 9a Sr niet is toegepast. De benadeelde partij en verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.
10.2.2
De vordering ten aanzien van feit 1
Juridisch kader, immateriële schade
In artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) is de vergoeding van ander nadeel dan vermogensschade geregeld. De vergoeding van ander nadeel wordt ook wel aangeduid als ‘immateriële schadevergoeding’ of ‘smartengeld’. Artikel 6:106 BW Pro noemt de volgende drie gevallen waarin immateriële schadevergoeding kan worden toegekend:
1. indien de aansprakelijke persoon het oogmerk had zodanig nadeel toe te brengen;
2. indien de benadeelde in zijn persoon is aangetast, doordat deze:
- lichamelijk letsel heeft opgelopen,
- in zijn eer of goede naam is geschaad of
- op andere wijze in zijn persoon is aangetast en
3. indien het nadeel gelegen is in aantasting van de nagedachtenis van een overledene.
Beoordeling van de vordering
Vast staat dat aan de benadeelde partij [benadeelde partij] door het onder 1 bewezen verklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht, namelijk in de vorm van
lichamelijk letsel. De rechtbank houdt bij de bepaling van de schade er rekening mee dat de bewezenverklaring ziet op twee mishandelingen in de tenlastegelegde periode, en ziet hierin reden de schadevergoeding te matigen. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank tot een bedrag van € 1.000,- niet onrechtmatig of ongegrond voor, waarbij de rechtbank ook acht heeft geslagen op welke bedragen in vergelijkbare gevallen worden toegewezen. De vordering zal daarom (in zoverre) worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd, te weten op 7 augustus 2025.
Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
In het belang van [benadeelde partij] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f Sr aan verdachte opgelegd.

11.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel is gegrond op de artikelen 36f, 57, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

12.Beslissing

Verklaart het onder 2 en 3 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5.1 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
ten aanzien van feit 1
mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn echtgenoot, meermalen gepleegd.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van
2 (twee) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Ten aanzien van feit 1:
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] toe tot een bedrag van € 1.000,- (zegge duizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (7 augustus 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Wijst de vordering voor het overige af.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij] aan de Staat € 1.000,- (zegge duizend euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (7 augustus 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 10 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Ten aanzien van de feiten 2 en 3:
Verklaart [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in haar vordering.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis. Deze beslissing is apart vastgelegd.
Dit vonnis is gewezen door
mr. B.J. Blok, voorzitter,
mrs. A.M. Loots en A.M. Grüschke, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.R. Baart, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 februari 2026.
[…]

Voetnoten

1.[…]