ECLI:NL:RBAMS:2026:1472

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
AMS 26/140 en 26/142
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:1 AwbArt. 4:2 AwbArt. 4:13 AwbArt. 4:14 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet tijdig beslissen op handhavingsverzoek en afwijzing voorlopige voorziening

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam op een handhavingsverzoek dat zij per e-mail indienden. Het college stelde dat het verzoek niet formeel was ingediend omdat een natte handtekening ontbrak, maar de voorzieningenrechter oordeelde dat de e-mail voldeed aan de eisen van een aanvraag volgens de Awb.

De voorzieningenrechter stelde vast dat het college niet binnen een redelijke termijn, in dit geval vier weken vanwege de ernst van de ervaren overlast, had beslist op het handhavingsverzoek. Na ingebrekestelling door eisers bleef een besluit uit, waardoor het beroep niet tijdig beslissen ontvankelijk en gegrond werd verklaard.

De voorzieningenrechter legde het college een termijn van twee weken op om alsnog te beslissen en stelde een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000,- in. Het verzoek om een voorlopige voorziening, die zou moeten zorgen dat vergunninghouder zich aan de vergunningvoorschriften houdt, werd afgewezen omdat dit niet samenhing met het bestreden besluit.

Daarnaast werd het college veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eisers. De uitspraak werd gedaan zonder zitting en in aanwezigheid van de griffier.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is gegrond verklaard en het college is opgedragen binnen twee weken alsnog te beslissen, terwijl het verzoek om voorlopige voorziening is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummers: AMS 26/140 en 26/142
uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 januari 2026 op het beroep niet tijdig beslissen en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[eiser] e.a., uit [woonplaats] , eisers

(gemachtigde: mr. J.J.W. Lamme),
en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, het college

(gemachtigde: mr. H.J. van der Wal).
Als derde-partij neemt aan de zaken deel: CBRE DRET Development B.V. uit Amsterdam (vergunninghouder)
(gemachtigde: mr. M. Klijnstra).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over beroep niet tijdig beslissen op een handhavingsverzoek en een verzoek om voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen gegrond en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Procesverloop

2. Eisers wonen aan het [plaats] . Op 10 februari 2023 heeft het college een omgevingsvergunning aan vergunninghouder verleend voor het uitbreiden van een bestaand woonwinkelblok met twee woongebouwen, nieuwe verkaveling van de winkels op de begane grond en het verbouwen van het overdekte winkelcentrum op de locatie [locatie] in Amsterdam.
3. De gemachtigde van eisers heeft op 13 november 2025 een e-mail aan het college gestuurd, waarin zij vraagt om handhavend op te treden in afwachting van een gemeentelijk onderzoek naar de veiligheid van het woongebouw en om na te gaan of sprake is van een overtreding van de vergunningvoorschriften en of er conform de aanvraag gewerkt wordt. Op 9 januari 2026 hebben eisers beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op dit handhavingsverzoek. [1] Daarnaast hebben eisers de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. [2]
4. De griffier heeft naar aanleiding van het beroep- en verzoekschrift contact opgenomen met het college om te vragen wat de stand van zaken is betreffende het handhavingsverzoek. Het college heeft telefonisch toegelicht dat de mail van 13 november 2025 niet als handhavingsverzoek is aangemerkt. De gemachtigde van eisers had dit namelijk per post met een natte handtekening in moeten dienen.
5. De voorzieningenrechter heeft partijen vervolgens bericht voornemens te zijn zonder zitting uitspraak te doen en het college in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 16 januari 2026 zijn standpunt kenbaar te maken over het beroep niet tijdig beslissen en het verzoek om een voorlopige voorziening. Het college heeft vervolgens telefonisch aan de griffier laten weten dat het handhavingsverzoek van eisers alsnog in behandeling wordt genomen. Het college zou hierover op uiterlijk 20 januari 2026 meer informatie verstrekken. Het college heeft binnen deze termijn geen besluit op het handhavingsverzoek genomen of laten weten wanneer dit besluit uiterlijk zal worden genomen.
6. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om in beide procedures zonder zitting uitspraak te doen. [3] Er is in de aanloop naar deze uitspraak veel contact geweest tussen de rechtbank en partijen. De voorzieningenrechter zal in deze uitspraak de balans opmaken over de huidige stand van zaken, te beginnen met het beroep niet tijdig beslissen.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Het beroep niet tijdig
7. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.
8. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat formeel geen sprake was van een handhavingsverzoek, omdat zo’n verzoek per post met een natte handtekening moet worden ingediend. De voorzieningenrechter volgt dit standpunt van het college niet. Uit de e-mail van 13 november 2025 blijkt duidelijk dat de gemachtigde van eisers bedoeld heeft een handhavingsverzoek in te dienen en niet in geschil is dat deze e-mail door het college is ontvangen. Er is geen wettelijke bepaling waaruit volgt dat handhavingsverzoeken niet per e-mail kunnen worden ingediend. Aan de eis van schriftelijkheid van artikel 4:1 van Pro de Awb is in beginsel ook voldaan indien een aanvraag langs elektronische weg wordt gedaan. Op grond van artikel 4:2 van Pro de Awb moet een aanvraag worden ondertekend, maar een ‘natte handtekening’ is geen vereiste. Indien en voorzover het college van mening was dat de e-mail van 13 november 2025 niet voldeed aan de vereisten van een aanvraag/handhavingsverzoek, had het op haar weg gelegen om (de gemachtigde van) eisers daarover te informeren en in de gelegenheid te stellen dit te herstellen.
9. In de Awb is bepaald dat een beschikking moet worden afgegeven binnen een bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn, of, bij het ontbreken van die termijn, binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag. [4] Die redelijke termijn is in ieder geval verstreken wanneer het bestuursorgaan niet binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag een beschikking heeft gegeven, noch een mededeling als bedoeld in artikel 4:14, derde lid, van de Awb heeft gedaan. [5]
10. Eisers voeren aan dat in dit geval de redelijke termijn korter is dan acht weken, vanwege de ernst van de ervaren overlast. De voorzieningenrechter kan eisers hierin volgen. Nu het gaat om uitvoering van bouwwerkzaamheden waarvan eisers naar eigen zeggen op het moment van indiening van het verzoek ernstige overlast ervaren, is een beslistermijn van maximaal vier weken in deze zaak als redelijk aan te merken. Het college heeft niet binnen die termijn beslist.
11. Na het verstrijken van deze beslistermijn, op 17 december 2025, hebben eisers het college in gebreke gesteld. Het college heeft daarna niet binnen twee weken alsnog beslist.
12. Dit betekent dat het beroep niet-tijdig beslissen ontvankelijk en gegrond is. De voorzieningenrechter zal het college opdragen alsnog op het handhavingsverzoek van eisers te beslissen. De voorzieningenrechter stelt hiervoor een termijn van twee weken na het verzenden van deze uitspraak. De voorzieningenrechter bepaalt daarbij dat het college een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-. De voorzieningenrechter gaat ervanuit dat dit een voldoende sterke prikkel is.
Het verzoek om voorlopige voorziening
13. Eisers hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die inhoudt dat vergunninghouder zich in de periode waarbinnen het college op het handhavingsverzoek moet beslissen, aan de vergunningvoorschriften houdt. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om een dergelijke voorziening te treffen. De verplichting van vergunninghouder om zich aan deze voorschriften te houden volgt al uit de betreffende vergunning. Bovendien kan de voorzieningenrechter alleen een voorlopige voorziening treffen die samenhangt met het in de hoofdzaak bestreden besluit (materiële connexiteit). De hoofdzaak is in dit geval het beroep niet tijdig beslissen, waarin niet voorligt of vergunninghouder zich al dan niet aan de vergunningvoorschriften houdt en dat dit niet het geval is, is de voorzieningenrechter ook niet gebleken. Het is aan het college om dit in het kader van de te nemen beslissing op het handhavingsverzoek te beoordelen.
14. Ten overvloede merkt de voorzieningenrechter op dat het college telefonisch heeft toegelicht dat het aan eisers heeft aangeboden voor hen in de avonduren een hotelkamer te regelen, waar zij geen last hebben van de bouwwerkzaamheden.

Conclusie en gevolgen

15. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eisers gelijk krijgen. Het college krijgt twee weken om alsnog een besluit te nemen en aan het college wordt de onder 15 genoemde dwangsom opgelegd. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
16. Omdat het beroep gegrond is, moet het college het griffierecht aan eisers vergoeden en krijgen eisers ook een vergoeding voor hun proceskosten. Deze vergoeding bedraagt € 467,-, omdat de gemachtigde van eisers een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt het college op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op het handhavingsverzoek aan eisers bekend te maken;
- bepaalt dat het college aan eisers een dwangsom moet betalen van € 100,- voor elke dag waarmee het college de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van
€ 15.000,-;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 200,- aan eisers vergoedt;
- veroordeelt het college in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 467,-;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W. Speksnijder, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. T.W. Steenhoff, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij, voor zover het gaat om beroep niet tijdig, een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit beroep is geregistreerd onder het zaaknummer AMS 26/142.
2.Dit verzoek is geregistreerd onder het zaaknummer AMS 26/140.
3.De artikelen 8:54 (voor het beroep niet tijdig) en 8:83 (voor de voorlopige voorziening) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maken dit mogelijk.
4.Zie artikel 4:13, eerste lid, van de Awb.
5.Zie artikel 4:13, tweede lid, van de Awb