ECLI:NL:RBAMS:2026:1419

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
96-333070-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 lid 3 WVW 1994Art. 164 lid 4 WVW 1994Art. 164 lid 8 WVW 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beklag tegen inhouding rijbewijs wegens alcoholgebruik als beginnend bestuurder

De klager, een beginnend bestuurder, werd op 8 december 2025 betrapt op het rijden met een alcoholgehalte van 985 microgram per liter uitgeademde lucht, wat leidde tot invordering van zijn rijbewijs. De officier van justitie besloot het rijbewijs voor zeven maanden in te houden. Klager diende een beklag in op grond van artikel 164, achtste lid, Wegenverkeerswet 1994, met het verzoek om teruggave van zijn rijbewijs vanwege zijn werkzaamheden als dj en bezorger, en de daarmee gepaard gaande noodzaak om te kunnen rijden.

De rechtbank behandelde het beklag op 27 januari 2026 en hoorde klager, zijn raadsvrouw en de officier van justitie. De rechtbank oordeelde dat de inhouding van het rijbewijs rechtmatig was, maar dat het persoonlijke belang van klager bij het beschikken over zijn rijbewijs zwaarder weegt na twee maanden inhouding. Daarom werd de teruggave van het rijbewijs per 8 februari 2026 bevolen.

De rechtbank merkte op dat klager een blanco strafblad heeft en dat de teruggave eerder dan de door de officier van justitie bepaalde termijn geen belemmering vormt voor een eventuele latere ontzegging van de rijbevoegdheid in de strafzaak. De beslissing werd openbaar uitgesproken op 27 januari 2026 door rechter M.A.E. Somsen.

Uitkomst: De rechtbank beveelt teruggave van het rijbewijs aan klager per 8 februari 2026.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Strafrecht
parketnummer : 96-333070-25
raadkamernummer : 26-000924
datum : 27 januari 2026
Beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 164, achtste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 van:

[klager] ,

geboren op [geboortedatum] 2007 in [geboorteplaats] ,
woonplaats kiezend op het kantoor van zijn raadsvrouw mr. D.T. Kampinga,
[adres] ,
hierna te noemen: de klager.

Feiten

Tegen de klager is proces-verbaal opgemaakt ter zake van verdenking van overtreding van artikel 8, derde lid, WVW 1994, gepleegd op 8 december 2025 in Amsterdam.
Het proces-verbaal houdt onder meer in dat het alcoholgehalte in zijn adem 985 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht was.
De klager moet worden aangemerkt als een beginnend bestuurder in de zin van artikel 8, derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
Op 8 december 2025 is op grond van de verdenking het rijbewijs van de klager ingevorderd.
De officier van justitie heeft vervolgens binnen tien dagen beslist het rijbewijs voor een periode van zeven maanden (tot en met 6 juli 2026) onder zich te houden.
Het is nog niet bekend wanneer de strafzaak tegen de klager wordt behandeld.

Procedure

Het klaagschrift is op 12 januari 2026 op de griffie van de rechtbank ontvangen.
Het Openbaar Ministerie heeft op voorhand zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.
De rechtbank heeft op 27 januari 2026 het beklag in openbare raadkamer behandeld.
De rechtbank heeft de klager, zijn raadsvrouw en de officier van justitie mr. C. Nij Bijvank op zitting gehoord.

Beklag

Het beklag strekt tot teruggave van het rijbewijs van de klager dat is ingevorderd en dat de officier van justitie onder zich houdt.
Het klaagschrift houdt (samengevat) het volgende in. De klager heeft zijn rijbewijs nodig omdat hij thans niet in staat is om zijn werkzaamheden als dj uit te voeren. Hij is op verscheidene locaties werkzaam, aangezien hij veelal door verschillende opdrachtgevers wordt ingehuurd. De locaties bevinden zich niet zelden op een verre afstand van zijn woning. De klager moet zelf (zware) spullen vervoeren die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van zijn werkzaamheden en die spullen kunnen alleen in een busje worden vervoerd. Het is voor de klager dan ook niet mogelijk om van het openbaar vervoer gebruik te maken. De klager is sinds de invordering van zijn rijbewijs niet meer werkzaam geweest als dj. Normaliter werkt hij gemiddeld een keer per week als dj. Hij is ook een dag per week werkzaam bij een bakkerij als bezorger. Het is voor hem ook niet mogelijk om deze werkzaamheden uit te voeren. De klager heeft de afgelopen maand wel andere werkzaamheden mogen uitvoeren bij de bakkerij, maar dit betreft een tijdelijke oplossing. De klager zal, naar alle waarschijnlijkheid binnen geringe tijd, niet in staat zijn om zijn werkzaamheden bij de bakkerij uit te voeren. De inhouding van het rijbewijs brengt de nodige financiële consequenties voor de klager mee. Ten slotte is de klager student bij de [school] in Utrecht. De klager woont op in [geboorteplaats] . De reistijd met de auto is circa één uur en vijf minuten, terwijl de reistijd met het openbaar vervoer circa twee en een half uur is.
De raadsvrouw van de klager heeft in raadkamer hieraan toegevoegd dat de klager een blanco strafblad heeft, de datum van de zitting nog niet bekend is, de klager verantwoordelijk wenst te nemen voor zijn daden en de persoonlijke belangen die in het klaagschrift zijn genoemd, zwaar wegen.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft verklaard zich niet te verzetten tegen teruggave van het rijbewijs met ingang van 8 februari 2026.

Beoordeling

De rechtbank acht de inhouding van het rijbewijs op grond van artikel 164, vierde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 rechtmatig. De officier van justitie heeft in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik gemaakt.
Op grond van hetgeen in het klaagschrift en bij het onderzoek in raadkamer naar voren is gebracht omtrent de belangen van de klager bij het kunnen beschikken over het rijbewijs, wordt geoordeeld dat het persoonlijk belang op dit moment niet zo groot is dat dit zwaarder moet wegen dan het belang van voortduring van de inhouding. Dat is wel het geval met ingang van de dag waarop het rijbewijs twee maanden ingevorderd en ingehouden is geweest. De rechtbank zal dan ook de teruggave van het rijbewijs bevelen met ingang van die dag.
De rechtbank merkt op dat uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van de klager niet blijkt dat de klager zich eerder heeft schuldig gemaakt aan het overtreden van de Wegenverkeerswet 1994 en zich daarvoor heeft moeten verantwoorden, maar dat dit weinig gewicht in de schaal legt aangezien de klager zijn rijbewijs nog maar tien maanden heeft.
De rechtbank merkt ten slotte op dat de omstandigheid dat de klager zijn rijbewijs eerder terugkrijgt dan oorspronkelijk de bedoeling van de officier van justitie was, onverlet laat dat de officier van justitie, dan wel de rechter te zijner tijd in de strafzaak een ontzegging van de rijbevoegdheid kan opleggen voor een langere periode dan de periode die het rijbewijs reeds ingevorderd en ingehouden is geweest.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beklag gegrond, voor zover de inhouding van het rijbewijs van klager voortduurt tot na 8 februari 2026 en beveelt de teruggave van het rijbewijs met het nummer 5177681954 aan de klager, met ingang van 8 februari 2026.
Deze beslissing is gegeven door
mr. M.A.E Somsen, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. M. Cordia, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2026.