ECLI:NL:RBAMS:2026:1414

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
13-351972-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 509hh SvArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging proportionele gedragsaanwijzing bij verdenking kindermishandeling

De officier van justitie gaf op 24 december 2025 een gedragsaanwijzing aan de verdachte vanwege verdenking van kindermishandeling van zijn driejarige dochter. De gedragsaanwijzing omvatte een contact- en locatieverbod en verplichtte de verdachte tot begeleiding door hulpverlening.

De verdachte maakte beroep tegen deze gedragsaanwijzing, stellende dat deze disproportioneel is, onvoldoende gemotiveerd en een zware inbreuk vormt op het gezinsleven, met name het contactverbod met zijn kinderen. De rechtbank behandelde het beroep in besloten raadkamer en hoorde de verdachte, zijn raadsvrouw en de officier van justitie.

De rechtbank oordeelde dat er voldoende ernstige bezwaren zijn tegen de verdachte, waaronder een bekentenis van mishandeling en foto’s van letsel. De gedragsaanwijzing is proportioneel en noodzakelijk, mede gelet op het belang en de veiligheid van de kinderen. Contact is niet categorisch uitgesloten; er wordt gekeken naar veilige contactmogelijkheden onder toezicht.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde de gedragsaanwijzing voor de duur van negentig dagen, waarbij het belang van de kinderen voorop staat en hulpverlening is ingeschakeld.

Uitkomst: Het beroep tegen de gedragsaanwijzing wordt ongegrond verklaard en de maatregel blijft van kracht.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Strafrecht
parketnummer : 13-351972-25
raadkamernummer : 26-000129
datum : 27 januari 2026
Beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het beroep op grond van artikel 509hh Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[de verdachte] ,
geboren op [geboortedag 1] 1986 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
ingeschreven op het adres [BRP-adres] ,
woonplaats kiezend op het kantoor van zijn raadsvrouw mr. N. de Vos,
[adres] ,
hierna te noemen: de verdachte.

1.Feiten

1.1.
De officier van justitie heeft op 24 december 2025 aan de verdachte een gedragsaanwijzing gegeven.
1.2.
Deze gedragsaanwijzing houdt het volgende in:
De officier van justitie
-
overwegende dat tegen de verdachte: [de verdachte] , geboren op [geboortedag 1] 1986 te [geboorteplaats] te [geboorteland] , adres [BRP-adres] , de verdenking is gerezen dat [hij] een strafbaar feit heeft gepleegd in verband waarmee vrees bestaat voor ernstig belastend gedrag van de verdachte jegens een persoon of personen;
-
beveelt de verdachte zich niet op te houden in/op de [BRP-adres] zich te onthouden van direct dan wel indirect contact en/of via een ander persoon, met de volgende persoon:
-
[naam 1] , geboren op [geboortedag 2] 1985;
  • [naam 2] , geboren op [geboortedag 3] 2009;
  • [naam 3] , geboren op [geboortedag 4] 2022;
  • [naam 4] , geboren op [geboortedag 5] 2020
-
zich te doen begeleiden bij hulpverlening geboden door en zich te houden aan alle reeds gemaakte en toekomstig te maken (vervolg)afspraken met de Reclassering en/of de Blijfgroep.
Van het contact- en/of locatieverbod kan slechts worden afgeweken ten behoeve van het voeren van systeemgesprekken begeleid door het Sociaal Team [plaats] .
De gedragsaanwijzing gaat in met ingang vanaf de dag van uitreiking en blijft van kracht voor een periode van 90 dagen, tenzij binnen de gestelde termijn een onherroepelijke afdoening heeft plaatsgevonden van de uit de onderhavige verdenking voortkomende strafzaak.

2.Procedure

2.1.
Het beroep is op 2 januari 2026 op de griffie van deze rechtbank ontvangen.
2.2.
De rechtbank heeft op 27 januari 2026 het beroep in besloten raadkamer behandeld
2.3.
De rechtbank heeft de verdachte, zijn raadsvrouw mr. N. de Vos, en de officier van justitie mr. C. Nij Bijvank in raadkamer gehoord.

3.Beroep

3.1.
Het beroep richt zich tegen de beslissing van de officier van justitie van 24 december 2025 tot het geven van een gedragsaanwijzing.
3.2.
De raadsvrouw heeft kort samengevat aangevoerd dat de gedragsaanwijzing:
  • volledig met het huisverbod overlapt;
  • op een beperkte en eenzijdige feitenbasis is gebaseerd;
  • een disproportionele inbreuk op het gezinsleven van de verdachte vormt;
  • onvoldoende is gemotiveerd, in het bijzonder ten aanzien van het contactverbod met de kinderen.

4.Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie stelt dat het beroep ongegrond moet worden verklaard omdat sprake is van ernstige bezwaren (de aangifte, de foto’s, de –bekennende– verklaring van de verdachte dat hij zijn dochter heeft geslagen) en zo lang er geen duidelijkheid is wat er precies is gebeurd en wat de oorzaak is van de problemen bij de verdachte thuis de gedragsaanwijzing van kracht moet blijven. In de tussentijd kan er samen met Veilig Thuis een plan worden gemaakt of en zo ja, hoe en wanneer de verdachte contact kan hebben met (een van) zijn kinderen.

5.Beoordeling

5.1.
De rechtbank moet in deze procedure beoordelen of is voldaan aan de wettelijke voorwaarden een aanwijzing betreffende het gedrag te geven, en zo ja, of de gedragsaanwijzing proportioneel is.
5.2.
Bij de toetsing of de opgelegde gedragsaanwijzing proportioneel is, gaat het om de mate waarin de vrijheid van de verdachte wordt beperkt in verhouding tot de ernst van het feit en de doeltreffendheid van de gedragsaanwijzing.
5.3.
De officier van justitie is op grond van artikel 509hh lid 1 sub b Sv bevoegd een verdachte tegen wie ernstige bezwaren bestaan een gedragsaanwijzing te geven in het geval van verdenking van een strafbaar feit in verband waarmee vrees bestaat voor ernstig belastend gedrag van de verdachte jegens een persoon of personen.
5.4.
De rechtbank is van oordeel dat voldaan is aan de voorwaarden dat sprake is van een dergelijk strafbaar feit en dat tegen de verdachte voldoende ernstige bezwaren bestaan dat de verdachte zijn driejarige dochter [naam 5] heeft mishandeld. De vrouw van de verdachte heeft op 22 december 2025 aangifte tegen de verdachte gedaan van kindermishandeling. In het dossier staat dat de vrouw van de verdachte op 28 september 2025 foto’s heeft gemaakt van het letsel van hun driejarige dochter [naam 5] . Op de desbetreffende foto’s is een kinderlichaam te zien met lange striemen vanaf de onderrug over de billen naar beneden en dat de huid rond de striemen rood en daaromheen blauw is. De verdachte heeft op 23 december 2025 bij de politie onder meer verklaard dat hij [naam 5] drie keer op haar billen heeft geslagen. Er zijn aldus sterke aanwijzingen dat de verdachte zijn dochter –mogelijk zelfs met een voorwerp (riem)– heeft geslagen. Er wordt nog onderzoek gedaan naar het letsel om hier meer duidelijkheid over te krijgen.
5.5.
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat een volledige contactverbod tussen ouder en kind en zeer ingrijpend maatregel is en een zware inbreuk op artikel 8 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) vormt en dat voor een dergelijke inbreuk volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens ‘very weighty reasons’ zijn vereist. Het belang van de kinderen moet worden afgewogen tegen hun recht op contact met hun ouder en die afweging is hier onvoldoende zichtbaar gemaakt, aldus de raadsrouw.
5.6.
De rechtbank is van oordeel dat de verdachte opgelegde gedragsaanwijzing –ook in het licht van het door artikel 8 EVRM Pro gewaarborgde recht op eerbiediging van privé-, familie- en gezinsleven– proportioneel en noodzakelijk is. Anders dan de raadsvrouw tot uitgangspunt neemt, is het contact tussen de verdachte en zijn kinderen gedurende deze periode niet categorisch uitgesloten. Op dit moment staat het belang van de kinderen van de verdachte voorop. De situatie thuis is nu niet veilig voor hen. Er is hulpverlening ingeschakeld en er wordt gekeken wanneer het veilig is voor de kinderen om al dan niet onder toezicht contact met hun vader te hebben.
5.7.
Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat niet gezegd kan worden dat de gedragsaanwijzing voor de duur van negentig dagen disproportioneel is. De rechtbank verklaart het beroep daarom ongegrond.

6.Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door
mr. M.A.E Somsen, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. M. Cordia, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2026.