ECLI:NL:RBAMS:2026:1406

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
25/7493
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 22 Paspoortwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen paspoortsignalering wegens alimentatieschuld

Het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) heeft de minister verzocht om gegevens van verzoeker op te nemen in het Register paspoortsignaleringen vanwege een alimentatieschuld. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en een voorlopige voorziening gevraagd om de signalering op te heffen.

De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoeker onvoldoende spoedeisend belang heeft aangetoond. Hoewel verzoeker stelt dat hij naar Suriname wil reizen om zijn zieke vader te ondersteunen, blijkt uit het overgelegde medische stuk niet dat er sprake is van een levensbedreigende situatie of een onomkeerbare situatie die onmiddellijke zorg vereist. Ook is niet onderbouwd waarom andere familieleden of bekenden niet kunnen zorgen.

Daarnaast is het besluit van het LBIO niet evident onrechtmatig. De alimentatievordering is gebaseerd op een gerechtelijke uitspraak uit 2010 en de betalingsachterstand is aanzienlijk. De civielrechtelijke gronden die verzoeker aanvoert zijn niet door de burgerlijke rechter aangevochten. Daarom is het treffen van de paspoortsignalering niet onrechtmatig.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af en ziet geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de paspoortsignalering wordt afgewezen wegens onvoldoende spoedeisend belang en het ontbreken van evident onrechtmatigheid.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/7493

uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 februari 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , verzoeker

en
de directeur van het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen, verweerder (hierna: het LBIO)
(gemachtigde: [persoon 1] ).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de weigering van het LBIO om een paspoortsignalering ten aanzien van verzoeker op te heffen. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan.
1.2.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Het is de voorzieningenrechter niet gebleken van een spoedeisend belang om een voorziening te treffen. Verder is niet gebleken dat het besluit evident onrechtmatig is. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2.1.
Het LBIO heeft vanwege een alimentatieschuld van verzoeker de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties verzocht om met toepassing van artikel 22, aanhef en onder d, van de Paspoortwet gegevens over verzoeker te vermelden in het Register paspoortsignaleringen.
2.2.
Verzoeker heeft op 5 januari 2025 het LBIO gevraagd om deze paspoortsignalering op te heffen. Het LBIO heeft dit met het besluit van 8 juli 2025 geweigerd. Met het bestreden besluit van 19 augustus 2025 op het bezwaar van verzoeker is verweerder bij deze weigering gebleven.
2.3.
Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld (geregistreerd onder zaaknummer AMS 25/4408) en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.4.
Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
2.5.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 27 januari 2026 op zitting behandeld. De gemachtigde van verweerder is op de zitting verschenen. Mevrouw [persoon 2] was als toehoorder aanwezig. Verzoeker is (met bericht) niet verschenen.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Spoedeisend belang?
3.1.
Voor de beoordeling is van belang dat de voorzieningenrechter op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht alleen een voorlopige voorziening treft als “onverwijlde spoed” dat vereist. Er moet dus zodanige spoed zijn dat de uitkomst van de bodemprocedure niet kan worden afgewacht. De vraag naar het spoedeisend belang dient eerst te worden beantwoord voordat aan de inhoudelijke beantwoording van de vraag wordt toegekomen of het beroep tegen de besluitvorming redelijke kans van slagen heeft, en zo ja, of in redelijkheid niet van verzoeker verwacht kan worden de bodemprocedure verder af te wachten zonder dat een voorlopige voorziening wordt getroffen.
3.2.
Verzoeker heeft aangevoerd dat hij spoedeisend belang heeft omdat hij door de paspoortsignalering geen paspoort kan aanvragen en daardoor niet naar Suriname kan reizen. Verzoeker wil daarnaartoe kunnen omdat zijn vader daar woont. De vader van verzoeker is ziek en heeft structurele medische zorg en ondersteuning van verzoeker nodig. Dit betreft onder meer regelmatige medische controles, begeleiding bij dagelijkse handelingen en hulp bij het organiseren van zorgafspraken. Daarnaast is er een duidelijke behoefte aan mentale en emotionele ondersteuning. Gezien de medische situatie, kwetsbaarheid en gevorderde leeftijd van vader is de betrokkenheid van verzoeker essentieel voor diens welzijn en psychische stabiliteit. De zorg en ondersteuning hebben een doorlopend karakter, waardoor de vader van verzoeker momenteel afhankelijk is van zowel professionele zorg als de aanwezigheid van verzoeker.
3.3.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker zijn spoedeisend belang onvoldoende heeft onderbouwd. Verzoeker heeft ter onderbouwing een schriftelijk stuk overgelegd waaruit blijkt dat zijn vader thuis achter de deur is aangetroffen en vanwege ‘algehele zwakte bij AGE’ van 18 november 2025 tot en met 4 december 2025 in een medisch centrum verbleef. Het stuk betreft een ontslagbrief. Niet is gebleken dat er op dit moment sprake is van een zeer ernstige of levensbedreigende situatie waardoor het spoedeisend is dat verzoeker naar Suriname moet kunnen gaan. Verder is niet gebleken dat een onomkeerbare situatie dreigt als verzoeker niet voor zijn vader kan zorgen. Er is niet onderbouwd waarom de vader slechts afhankelijk zou zijn van de zorg van verzoeker en waarom er bijvoorbeeld geen andere familieleden of bekenden voor vader kunnen zorgen.
Evident onrechtmatig?
4.1.
Omdat de voorzieningenrechter oordeelt dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft, kan zij de voorziening alleen nog treffen als het besluit van het LBIO evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat het voor de voorzieningenrechter overduidelijk is dat het standpunt van verweerder niet juist is. De voorzieningenrechter moet dit kunnen vaststellen zonder grondig onderzoek te doen naar de relevante feiten en/of wettelijke bepalingen van de zaak.
4.2.
De voorzieningenrechter constateert dat op 15 december 2010 de rechtbank heeft bepaald dat verzoeker met ingang van 1 september 2010 € 215,- per maand zal betalen aan [persoon 2] als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van hun zoon. Het LBIO heeft (tot en met januari 2026) een betalingsachterstand berekend van € 44.122,95 inzake de kinderalimentatie. Verzoeker heeft gronden aangevoerd die zien op de rechtsgeldigheid van de betekening, stuiting van verjaring en de rechtmatigheid van deze vordering. Deze gronden zijn civielrechtelijk van aard en niet is gebleken dat verzoeker deze bij de burgerlijke rechter heeft aangevochten. Vooralsnog is het de voorzieningenrechter in ieder geval niet gebleken dat de vordering niet opeisbaar zou zijn en is het treffen van een paspoortsignalering door het LBIO niet evident onrechtmatig.

Conclusie

5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af vanwege het ontbreken van spoedeisend belang. Van een evident onrechtmatig besluit is naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake.
Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. van Haeften, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P. Tanis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.