ECLI:NL:RBAMS:2026:1402

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
AMS 25/2851
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 AOWArt. 6, eerste lid AOWArt. 2 AOWArt. 8:57 AwbArt. 6:7 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing AOW-aanvraag wegens onvoldoende verzekeringsduur

Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een AOW-pensioen, welke door de Sociale Verzekeringsbank is afgewezen. Na bezwaar en beroep bij de rechtbank Amsterdam is het beroep ontvankelijk verklaard ondanks dat het na de beroepstermijn was ingediend, omdat de termijnoverschrijding verschoonbaar was.

De rechtbank heeft beoordeeld dat eiser onvoldoende heeft aangetoond dat hij minimaal een jaar verzekerd is geweest voor de AOW. Verweerder heeft onderzoek gedaan bij pensioenfondsen en de gemeente, waaruit bleek dat eiser slechts van 6 oktober 1981 tot en met 13 mei 1982 verzekerd was, wat minder dan een jaar is.

Eiser heeft geen aanvullende stukken overgelegd die een langere verzekeringsperiode aantonen. De rechtbank concludeert dat de afwijzing van de aanvraag terecht is en verklaart het beroep ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

De uitspraak is gedaan door rechter M.C. Eggink en griffier S.A. Adriaanse op 12 februari 2026. Eiser kan tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep binnen zes weken na verzending van het vonnis.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de AOW-aanvraag is ongegrond verklaard wegens onvoldoende verzekeringsduur.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/2851

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] (Marokko), eiser

en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Pinar).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om een pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW). Eiser is het niet eens met de afwijzing van die aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de aanvraag op goede gronden heeft afgewezen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

3. Eiser heeft een aanvraag ingediend om een AOW-pensioen. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 3 september 2024 afgewezen. Eiser heeft daartegen bezwaar gemaakt. Met de beslissing op bezwaar van 25 februari 2025 is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Eiser heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar.
4. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. [1]

Beoordeling door de rechtbank

Ontvankelijkheid
5. De rechtbank merkt op dat zij het beroepschrift na afloop van de beroepstermijn van zes weken heeft ontvangen. De rechtbank is echter van oordeel dat het beroep wel ontvankelijk is. Dat betekent dat de rechtbank het beroep wel inhoudelijk beoordeelt. De rechtbank licht dat hierna toe.
6. De beslissing op bezwaar is gedateerd op 25 februari 2025. De rechtbank heeft geen reden om aan te nemen dat de beslissing op bezwaar niet op die datum aan eiser is verzonden. Dat betekent dat de beroepstermijn van zes weken liep tot en met 8 april 2025. Hoewel de rechtbank het beroepschrift van eiser pas op 25 april 2025 heeft ontvangen, blijkt uit de poststempel op de envelop dat eiser het beroepschrift al op 14 maart 2025 op de post heeft gedaan. Dat is ruimschoots voor het verstrijken van de beroepstermijn. De rechtbank is daarom van oordeel dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. [2]
Het recht op een AOW-uitkering
7. Volgens eiser heeft verweerder zijn aanvraag om een AOW-pensioen ten onrechte afgewezen. Eiser wijst er op dat hij bij verschillende werkgevers in Nederland heeft gewerkt en altijd premie heeft betaald. Hij is getrouwd en zijn vrouw kan niet werken. Volgens eiser heeft hij voldoende gegevens en bewijs aan verweerder verstuurd, maar heeft die onvoldoende onderzoek gedaan.
8. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank licht dat hierna toe.
9. Iemand heeft recht op een AOW-pensioen als hij, kortgezegd, de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en minimaal een jaar verzekerd is geweest voor de AOW. [3] Iemand kan verzekerd zijn voor de AOW als hij in Nederland woont en/of werkt. [4]
10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat niet kan worden vastgesteld dat eiser minimaal een jaar verzekerd is geweest voor de AOW. Uit de beslissing op bezwaar blijkt dat verweerder de diverse stukken die eiser heeft ingediend heeft beoordeeld en ook eigen onderzoek heeft uitgevoerd. Verweerder heeft navraag gedaan bij het Pensioenfonds voor de vlees- en vleeswarenindustrie, het Pensioenfonds BPL, de gemeente Rotterdam en Van Hessen (voorheen: Molendijk B.V.). Op basis van door hen verstrekte gegevens heeft verweerder vastgesteld dat eiser vanaf 6 oktober 1981 tot en met 13 mei 1982 bij Molendijk B.V. heeft gewerkt en op basis daarvan gedurende die periode verzekerd is geweest voor de AOW. Omdat dit minder dan een jaar is, is dat onvoldoende om een AOW-pensioen toe te kennen. [5] De rechtbank is van oordeel dat verweerder dit standpunt voldoende heeft onderbouwd en onderzocht. Eiser heeft in beroep bovendien geen stukken ingediend waaruit blijkt dat hij langer dan tijdens deze periode in Nederland heeft gewoond of gewerkt.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de afwijzing van de aanvraag in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. Eggink, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. Adriaanse, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Zie ook de artikelen 6:7, 6:8, 3:41, 6:9 en 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht.
3.Zie artikel 7, eerste lid, van de AOW.
4.Zie artikel 6, eerste lid, in samenhang met artikel 2 van Pro de AOW.
5.Zie artikel 7, eerste lid en onder b, van de AOW.