ECLI:NL:RBAMS:2026:1401

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
6 februari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
15/104874-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 45 SrArt. 57 SrArt. 310 SrArt. 311 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor meerdere bedrijfs- en woninginbraken met braak tot 42 maanden gevangenisstraf

De rechtbank Amsterdam heeft verdachte veroordeeld voor vijftien feiten van diefstal met braak of poging daartoe, gepleegd tussen september 2024 en mei 2025, voornamelijk in bedrijfspanden langs de Noord-Hollandse kust en één woning met bedrijf aan huis. De bewezenverklaring is gebaseerd op aangiften, DNA-onderzoek, camerabeelden en andere bewijsmiddelen. Verdachte had sleutels van getroffen bedrijven in zijn auto en werd aangehouden kort na een inbraak.

De rechtbank achtte twaalf voltooide diefstallen bewezen, waarvan negen met braak, en drie pogingen tot diefstal met braak. Drie feiten werden niet bewezen verklaard wat betreft braak. Verdachte toonde geen respect voor eigendomsrechten, ondermijnde beveiligingsmaatregelen en had een uitgebreid strafblad met veel recidive, waaronder eerdere bedrijfsinbraken. De reclassering zag geen effect van eerdere begeleiding en het recidiverisico werd als hoog ingeschat.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van 42 maanden op, iets lager dan de eis van vier jaar, met aftrek van voorarrest. Daarnaast werden schadevergoedingen toegewezen aan benadeelde partijen, waaronder Hotel Victoria, Roompot Recreatiebeheer en een particulier slachtoffer van de woninginbraak. Sommige vorderingen werden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. De voorlopige hechtenis werd opgeheven en de tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke straf werd gelast vanwege recidive.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 42 maanden gevangenisstraf voor meerdere diefstallen met braak en pogingen daartoe, met toewijzing van schadevergoedingen aan benadeelden.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 15/104874-25
Parketnummer vordering tul: 09/269863-21
Datum uitspraak: 6 februari 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986,
wonende op het adres [adres] , [woonplaats] , thans gedetineerd in de [naam PI] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 23 januari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. B. van Duijn, en van wat de gemachtigd raadsman van verdachte, mr. D.M. Penn, naar voren heeft gebracht.

2.Tenlastelegging

Na wijziging van de tenlastelegging in de zin van artikel 314a Sv op de zitting komt de verdenking er kort gezegd op neer dat verdachte in totaal vijftien diefstallen met braak (inbraken) of pogingen daartoe heeft gepleegd. In het geval van de voltooide inbraken zijn telkens geldbedragen en/of goederen weggenomen. Samengevat betreft het de volgende feiten:
Feit 1: inbraak in hotel Victoria, gepleegd te Bergen aan Zee, op 2 maart 2025.
Feit 2: inbraak in hotel Victoria, gepleegd te Bergen aan Zee, in de periode van 2 tot 3 april 2025.
Feit 3: poging tot inbraak in restaurant [naam restaurant] , gepleegd te Egmond aan Zee, op 8 april 2025
Feit 4: inbraak in hotel Golfzicht, gepleegd te Noordwijk, op 9 april 2025.
Feit 5: inbraak in hotel-restaurant Heeren van Noortwyck, gepleegd te Noordwijk, in de periode van 8 tot 9 april 2025.
Feit 6: inbraak in Strandpaviljoen Zee & Zo, gepleegd te Petten, op 25 mei 2025. Subsidiair is dit feit ten laste gelegd als een poging tot inbraak.
Feit 7: inbraak in Winkel DBP Ouddorp BV, gepleegd te Ouddorp, op 19 februari 2025.
Feit 8: inbraak in vakantiepark Roompot De Soeten Haert, gepleegd te Noordwelle, op 27 maart 2025.
Feit 9: poging tot inbraak in vakantiepark Roompot De Soeten Haert, gepleegd te Noordwelle, op 28 maart 2025.
Feit 10: inbraak in Strandpaviljoen Bula, gepleegd te Ouddorp, op 16 september 2024.
Feit 11: inbraak in een vestiging van supermarkt de Dekamarkt, gepleegd te Egmond aan Zee, op 22 januari 2025.
Feit 12: inbraak in manege Maduro, gepleegd te Den Haag, op 6 januari 2025.
Feit 13: inbraak in een woning, gepleegd te Maarssen, op 12 mei 2025.
Feit 14: inbraak in hotel Victoria, gepleegd te Bergen aan Zee, op 18 april 2025.
Feit 15: poging tot inbraak in Strandpaviljoen Zee & Zo, gepleegd te Petten, op 23 mei 2025.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage 1, die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3.Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs

4.1
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie acht alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen. Ten aanzien van feit 6 kan de primair ten laste gelegde inbraak bewezen worden en niet slechts de subsidiair ten laste gelegde poging daartoe. Ten aanzien van alle feiten heeft de officier van justitie verwezen naar de door hem relevant geachte bewijsmiddelen. Ten overvloede heeft hij opgemerkt dat de modus operandi van verdachte dusdanig kenmerkend is, dat ook gebruik kan worden gemaakt van schakelbewijs om ten aanzien van alle feiten tot een bewezenverklaring te komen.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank wat betreft de feiten 10, 11, 12, 13 en 15, omdat ten aanzien van deze feiten DNA van verdachte is aangetroffen. Ten aanzien van de overige feiten heeft de raadsman verzocht om verdachte vrij te spreken wegens een gebrek aan wettig en overtuigend bewijs. In de auto van verdachte zijn veel sleutels gevonden van getroffen bedrijven, maar de omstandigheid dat verdachte die sleutels in zijn auto had, maakt nog niet dat hij deze heeft weggenomen bij een eerdere inbraak, omdat niet kan worden vastgesteld wanneer de sleutels zijn meegenomen. Verder kan de omstandigheid dat de auto van verdachte soms op 100 tot 250 meter afstand van de plaats delict was geparkeerd, niet dienen als bewijs, omdat dit een te grote radius is en niet wijst op de betrokkenheid van verdachte. Sommige signalementen van de dader zijn bovendien niet specifiek genoeg voor een herkenning van verdachte. Verder is de modus operandi in alle zaken te algemeen en wijkt deze soms af, waardoor geen gebruik kan worden gemaakt van schakelbewijs.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
In het voorjaar van 2025 hebben diverse bedrijfsinbraken langs de Noord-Hollandse kust plaatsgevonden. De politie is een onderzoek gestart naar deze inbraken en heeft in een aantal zaken verdachte aangemerkt als degene die de inbraak in kwestie zou hebben gepleegd. Op 25 mei 2025 is verdachte aangehouden, kort nadat was ingebroken in strandpaviljoen Zee & Zo in Petten (feit 6). Ook zijn meerdere voertuigen op naam van verdachte of bekenden van hem doorzocht, waarbij diverse sleutels zijn aangetroffen van bedrijven waar eerder was ingebroken. Nadien is verdachte nog gelinkt aan diverse andere bedrijfsinbraken en één woninginbraak. Er zijn in totaal vijftien feiten op de dagvaarding terechtgekomen, zoals hierboven in rubriek 2 is weergegeven.
Van elk van de in de tenlastelegging genoemde feiten is aangifte gedaan. De politie heeft telkens verdachte aangemerkt als de verdachte van de inbraak in kwestie, onder meer naar aanleiding van onderzoek naar camerabeelden, DNA-onderzoek en de routes en parkeerplekken van auto’s die in de buurt waren toen de inbraak werd gepleegd.
De rechtbank acht alle ten laste gelegde feiten bewezen op basis van de betreffende aangifte, in combinatie met de overige bewijsmiddelen voor het betreffende feit, zoals opgenomen in bijlage 2 bij dit vonnis. Hoewel het bij verdachte aantreffen van sleutels van bedrijven waar eerder is ingebroken en het aantreffen van DNA op de plaatsen delict op zichzelf niet tot de conclusie hoeft te leiden dat verdachte degene is die de inbraken heeft gepleegd, komt de rechtbank in deze zaak wel tot dat oordeel gezien de overige bewijsmiddelen die in de richting van verdachte wijzen en het ontbreken van een aannemelijke verklaring van verdachte omtrent de aanwezigheid van de sleutels en zijn DNA.
Ten aanzien van feit 6 komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van de primair ten laste gelegde voltooide inbraak, omdat bij de aanhouding van verdachte een zak met muntgeld is aangetroffen die volgens de aanvullende verklaring van de aangever bij de inbraak was weggenomen.
Ten aanzien van de feiten 4, 8 en 10 acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak. Weliswaar is ten aanzien van de feiten 4 en 8 sprake van braakschade, maar de weggenomen goederen bevonden zich telkens aan de buitenkant van het pand en de toegang hiertoe is niet verschaft door middel van braak. Voor feit 10 geldt dat uit het dossier weliswaar voortvloeit dat er binnen in het pand goederen zijn weggenomen, maar niet dat sprake is geweest van braak.

5.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
Ten aanzien van feit 1:
op 2 maart 2025 te Bergen aan Zee, gemeente Bergen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, uit hotel Victoria, gelegen aan de [adres] , heeft weggenomen een geldbedrag en een recorder van het camerasysteem en een kluis en sieraden en een laptop en notariële aktes en een sleutel, geheel of ten dele toebehorende aan [naam 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;
Ten aanzien van feit 2:
op 3 april 2025 te Bergen aan Zee, gemeente Bergen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, uit hotel Victoria, gelegen aan de [adres] , heeft weggenomen,
- een kluis, met daarin een geldbedrag van ongeveer €30.000, geheel of ten dele toebehorende aan [naam 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan verdachte, en
- een laptop, toebehorende aan [naam 2] ,

waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

Ten aanzien van feit 3:
op 8 april 2025 te Egmond aan Zee, gemeente Bergen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit restaurant [naam restaurant] , gelegen aan de [adres] , weg te nemen geld en/of goed(eren) van zijn gading, toebehorende aan [naam 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan verdachte, en zich daarbij de toegang tot dat restaurant te verschaffen door middel van braak, een raam van dat restaurant heeft geforceerd en heeft geprobeerd een kluis van de muur te halen, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;
Ten aanzien van feit 4:
op 9 april 2025 te Noordwijk, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, uit hotel Golfzicht, gelegen aan de [adres] , heeft weggenomen een sleutelkastje, toebehorende aan [naam 4] .
Ten aanzien van feit 5:
in de periode van 8 april 2025 tot en met 9 april 2025 te Noordwijk, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, uit hotel-restaurant Heeren van Noortwyck, gelegen aan de [adres] , heeft weggenomen een kluis met daarin een geldbedrag van ongeveer € 1000,-, toebehorende aan [naam 5] , waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;
Ten aanzien van feit 6 primair:
op 25 mei 2025 te Petten, gemeente Schagen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, uit Strandpaviljoen Zee & Zo, gelegen aan de [adres] , heeft weggenomen een hoeveelheid muntgeld, toebehorende aan [naam 6] , waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;
Ten aanzien van feit 7:
op 19 februari 2025 te Ouddorp, gemeente Goeree-Overflakkee, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, uit Winkel DBP Ouddorp BV, gelegen aan de [adres] , heeft weggenomen een geldkluis en kassalades met daarin een geldbedrag van ongeveer € 800,-, toebehorende aan [naam 7] , waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;
Ten aanzien van feit 8:
op 27 maart 2025 te Noordwelle, gemeente Schouwen-Duivenland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, uit vakantiepark Roompot De Soeten Haert, gelegen aan de [adres] , heeft weggenomen een kluis met sleutels, geheel of ten dele toebehorende aan [naam 8] , in elk geval aan een ander of anderen dan verdachte;
Ten aanzien van feit 9:
op 28 maart 2025 te Noordwelle, gemeente Schouwen-Duivenland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit vakantiepark Roompot De Soeten Haert, gelegen aan de [adres] , weg te nemen geld en/of goed(eren) van zijn gading, toebehorende aan [naam 8] , en zich daarbij de toegang tot dat restaurant te verschaffen door middel van braak, een raam van de winkel heeft geforceerd, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;
Ten aanzien van feit 10:
op 16 september 2024 te Ouddorp, gemeente Goeree-Overflakkee, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, uit vakantiepark Strandpaviljoen Bula, gelegen aan de [adres] , heeft weggenomen een geldbedrag van ongeveer € 320,- aan briefgeld en een mobiele telefoon en een camera en een flesje Sourcy blauw en een hoeveelheid muntgeld, toebehorende aan [naam 9] ;
Ten aanzien van feit 11:
op 22 januari 2025 te Egmond aan Zee, gemeente Bergen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, uit supermarkt de Dekamarkt, gelegen aan de [adres] , heeft weggenomen een sleutel en twee pasjes en een geldbedrag van ongeveer € 15, toebehorende aan [naam 10] , waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;
Ten aanzien van feit 12:
op 6 januari 2025 te Den Haag, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, uit manege Madurodam, gelegen aan de [adres] , heeft weggenomen een geldkistje met daarin een geldbedrag, toebehorende aan [naam 11] , waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;
Ten aanzien van feit 13:
op 12 mei 2025 te Maarssen, gemeente Stichtse Vecht, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, uit een woning gelegen aan de [adres] , heeft weggenomen een geldbedrag van ongeveer € 9.850,- en parfums en Swarovski bril en fotocamera en Samsung Galaxy Tablet, toebehorende aan [naam 12] , waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;
Ten aanzien van feit 14:
op 18 april 2025 te Bergen aan Zee, gemeente Bergen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, uit hotel Victoria, gelegen aan de [adres] , heeft weggenomen een geldbedrag en een laptop, geheel of ten dele toebehorende aan [naam 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;
Ten aanzien van feit 15:
op 23 mei 2025 te Petten, gemeente Schagen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit Strandpaviljoen Zee & Zo, gelegen aan [adres] , weg te nemen geld en/of goed(eren) van zijn gading, toebehorende aan [naam 6] , en zich daarbij de toegang tot dat restaurant te verschaffen door middel van braak, een raam en een deur van dat restaurant heeft geforceerd, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

6.De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8.Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek van voorarrest.
8.2.
Het strafmaatverweer van de verdediging
De raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen:
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan in totaal twaalf voltooide diefstallen, waarvan negen met braak, en daarnaast drie pogingen tot diefstal met braak. De feiten zijn telkens gepleegd in bedrijfspanden, op één feit na, waarin sprake was van een woninginbraak. De feiten zijn gepleegd in een periode van acht maanden, van september 2024 tot en met mei 2025. Bij de voltooide diefstallen zijn geldbedragen en waardevolle spullen meegenomen en in sommige gevallen ook sleutels, kennelijk met het doel om toekomstige diefstallen uit hetzelfde pand gemakkelijker te maken. Uit de bewezenverklaarde feiten blijkt immers dat verdachte meermaals een (poging tot) diefstal heeft gepleegd bij een bedrijf dat al eerder slachtoffer is geworden van zijn strafbare gedrag. De rechtbank rekent verdachte dit zwaar aan.
Met het plegen van deze feiten heeft verdachte er blijk van gegeven geen enkel respect voor het eigendomsrecht van anderen te hebben. Hij heeft geen verklaring willen afleggen en daarmee geen inzicht gegeven in zijn beweegredenen, maar gezien de aard van de feiten komt de rechtbank tot de conclusie dat hij enkel oog heeft gehad voor zijn eigen gewin. De bewezenverklaarde feiten hebben niet alleen geleid tot veel financiële en materiële schade, maar ook is het gevoel van veiligheid van de bedrijfseigenaren aangetast. Dat geldt nog meer voor het slachtoffer van de woninginbraak (met een eigen bedrijf aan huis), aangezien een eigen woning bij uitstek de plek is waar men zich veilig moet kunnen voelen. Uit niets blijkt dat verdachte zich hier ook maar enigszins om heeft bekommerd. Hij is vaak juist actief bezig met het ondermijnen van genomen veiligheidsmaatregelen door bewakingscamera’s weg te draaien, mee te nemen of onbruikbaar te maken. Ook dit wordt hem aangerekend.
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 29 december 2025. Het is een uitgebreid strafblad met daarop feiten van uiteenlopende aard. De laatste jaren is verdachte veelvuldig veroordeeld voor het plegen van vermogensdelicten, waaronder ook bedrijfsinbraken. Dit zijn soortgelijke feiten als waar verdachte in dit vonnis voor wordt veroordeeld. De rechtbank stelt vast dat sprake is van veelvuldige recidive. Zij zal het strafblad van verdachte dan ook in strafverzwarende zin meewegen. Bovendien blijkt uit het strafblad dat verdachte in een proeftijd liep van een eerdere veroordeling, waarbij onder meer een voorwaardelijke gevangenisstraf van 270 dagen is opgelegd.
De rechtbank heeft ook acht geslagen op het reclasseringsrapport van GGZ Fivoor van 28 mei 2025. De reclassering ziet geen rol meer weggelegd voor zichzelf bij het beperken van het recidiverisico, omdat eerder toezicht de nieuwe delicten niet heeft kunnen voorkomen. Het risico op recidive wordt ingeschat als hoog.
Uit het dossier rijst het beeld van een verdachte die in een relatief korte periode de ene na de andere inbraak pleegt, soms meerdere nachten achter elkaar. Daarbij deinst hij er niet voor terug om meermaals toe te slaan bij hetzelfde slachtoffer. Begeleiding en behandeling hebben tot nu toe nog geen enkel zichtbaar effect gehad op het aantal delicten dat hij pleegt. Ook de concrete dreiging van langdurige gevangenisstraffen die eerder voorwaardelijk zijn opgelegd, weerhouden hem er kennelijk niet van om door te gaan met zijn criminele activiteiten. Over verdachte wordt door een geestelijk verzorger in de penitentiaire inrichting geschreven dat het essentieel is dat hij de intrinsieke motivatie heeft om te veranderen (zie bijlage bij het proces-verbaal van de raadkamerzitting van 22 december 2025). De rechtbank kan niet anders dan concluderen dat deze intrinsieke motivatie kennelijk nog altijd lijkt te ontbreken, mede gezien de omstandigheid dat verdachte vier dagen voor de inhoudelijke behandeling van deze zaak is aangehouden op verdenking van het plegen van een nieuwe inbraak. Gelet op al het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat haar niets anders rest dan de verdachte voor de bewezen verklaarde feiten af te straffen, mede omdat langdurige bescherming van de samenleving tegen het strafbare gedrag van verdachte op dit moment het belangrijkst wordt geacht. Aan verdachte zal dan ook een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf worden opgelegd. De rechtbank zal een enigszins lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is geëist, omdat zij ten aanzien van drie feiten niet bewezen acht dat de toegang tot de plaats van het misdrijf is verschaft door middel van braak.
Alles overwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.

9.Beslag

Onder verdachte is een grote hoeveelheid voorwerpen in beslag genomen, zoals opgenomen op de beslaglijst die als bijlage III aan dit vonnis is gehecht.
De voorwerpen onder de nummers 4 tot en met 80 en 114 betreffen gereedschap. De officier van justitie heeft de verbeurdverklaring van deze voorwerpen gevorderd, omdat deze zouden zijn gebruikt bij de gepleegde strafbare feiten.
Hoewel het – gezien de inhoud van het dossier – aannemelijk is dat er gereedschap is gebruikt bij de verschillende inbraken en pogingen daartoe, kan de rechtbank niet concreet vaststellen dat de onder 4 tot en met 80 en 114 inbeslaggenomen voorwerpen de specifieke voorwerpen zijn die hiervoor zijn gebruikt. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de voorwerpen dienen te worden teruggegeven aan verdachte.
De voorwerpen onder de nummers 81 tot en met 83 betreffen (oude) vreemde valuta waarvan niet aannemelijk is gemaakt dat deze in relatie staan tot het strafbare feit dan wel ten behoeve van de ontneming in beslag zijn genomen. Daarbij geldt dat voorwerp 83 al is teruggegeven aan verdachte. De voorwerpen onder de nummers 115 tot en met 124 zijn eveneens aan verdachte teruggegeven. De rechtbank zal dan ook bepalen dat de voorwerpen onder de nummers 81 tot en met 83 en 115 tot en met 124 dienen te worden teruggegeven aan verdachte.
Van de voorwerpen onder de nummers 1 tot en met 3 (kluizen), 125 tot en met 131 (sieraden) en 132 tot en met 137 (sleutels) is de eigenaar niet vast komen te staan. Bovendien heeft de officier van justitie toegelicht dat de sleutels reeds zijn vernietigd, omdat daarvan geen rechthebbende is achterhaald. De officier van justitie heeft ten aanzien van de voorwerpen met nummer 132 tot en met 137 betoogd dat de rechtbank hier geen beslissing meer over dient te nemen, omdat de voorwerpen reeds zijn vernietigd. De rechtbank deelt deze opvatting niet, omdat ook na vernietiging de beslissing over het beslag nog van belang kan zijn met betrekking tot de vraag of de rechthebbende aanspraak kan maken op een schadevergoeding wanneer achteraf blijkt dat een inbeslaggenomen voorwerp onterecht is vernietigd. De rechtbank zal bepalen dat de voorwerpen onder 1 tot en met 3 en 125 tot en met 137 worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende.

10.Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

10.1
De benadeelde partij Hotel Victoria (feiten 1, 2 en 14)
Op de terechtzitting heeft [naam 1] namens Hotel Victoria B.V. ten aanzien van de feiten 1, 2 en 14 een bedrag van € 60.116,86 aan vergoeding van materiële schade gevorderd. De schade betreft de contante geldbedragen die bij elke inbraak zijn weggenomen. Het gaat daarbij om € 12.298,60 (feit 1), € 42.609,21 (feit 2) en € 5.209,05 (feit 14).
De officier van justitie acht de vordering geheel toewijsbaar.
De raadsman heeft primair betoogd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering, omdat niet is vastgesteld dat [naam 1] gemachtigd was om namens Hotel Victoria de vordering in te dienen. Subsidiair dient niet-ontvankelijkheid te volgen, omdat niet duidelijk is of er al belasting over het weggenomen geldbedrag is betaald. Dit heeft gevolgen voor de hoogte van de schade.
De rechtbank overweegt als volgt. Op de terechtzitting heeft [naam 1] verklaard dat hij de vordering heeft ingediend namens Hotel Victoria. Uit het dossier blijkt voldoende dat hij hiervoor gemachtigd was.
De hoogte van de weggenomen geldbedragen is niet betwist door de verdediging. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende vast komen te staan dat de geldbedragen zijn weggenomen. De vraag of de belastingdienst al dan niet een vordering op het hotel heeft met betrekking tot de contante geldbedragen, is voor de vaststelling van de hoogte van de schade niet van belang. Evenmin is het van belang voor de vraag of de vordering dient te worden toegewezen.
De rechtbank zal de vordering geheel toewijzen, telkens te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade. Ook zal de rechtbank aan verdachte de schadevergoedingsmaatregel opleggen. De stelling van de raadsman dat de schadevergoedingsmaatregel alleen wordt opgelegd in geweld- en zedenzaken, vindt geen steun in het recht.
10.2
De benadeelde partij [naam 6] (feiten 6 en 15)
De benadeelde partij [naam 6] vordert een bedrag van € 20.708,25 aan vergoeding van materiële schade en € 10.000,- aan vergoeding van immateriële schade.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot materiële schadevergoeding kan worden toegewezen tot een bedrag van € 3.256,25. Dit betreft het bedrag voor de nieuwe sloten en het weggenomen muntgeld, en een geschat bedrag aan omzetderving. Voor het overige dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.
De raadsman heeft betoogd dat de vordering dient te worden afgewezen. De kosten voor camera’s zijn toekomstige kosten die niet in rechtstreeks verband staan met het handelen van verdachte. De vordering tot immateriële schadevergoeding is niet onderbouwd.
De rechtbank overweegt als volgt. Er is een bedrag van € 500,- gevorderd voor het weggenomen muntgeld. Omdat het muntgeld door de politie onder verdachte is aangetroffen, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd dat deze schadepost nog actueel is.
Er is een bedrag van € 3.702,- gevorderd voor de kosten van camera’s. De vordering is onderbouwd met een offerte van 4 september 2025. Omdat de feiten eind mei 2025 zijn gepleegd en de benadeelde partij niet heeft onderbouwd waarom pas ruim drie maanden later een offerte is ontvangen, is de rechtbank van oordeel dat de vordering op dit punt onvoldoende is onderbouwd. De rechtbank weegt daarbij mee dat door dit tijdsverloop van ruim drie maanden een enkele offerte niet volstaat.
Er is een bedrag van € 750,- gevorderd voor herstelwerkzaamheden en € 756,25 voor de kosten van nieuwe sloten. Van de sloten is een factuur overgelegd, waarop de datum 28 april 2021 zichtbaar is. Omdat deze factuur kennelijk dateert van ruim vier jaar voor de bewezenverklaarde feiten, komt dit bedrag niet voor toewijzing in aanmerking. Ook het bedrag voor de herstelwerkzaamheden kan niet worden toegewezen, bij gebrek aan onderbouwing.
Er is een bedrag van € 15.000,- gevorderd in verband met omzetderving, omdat het strandpaviljoen twee dagen dicht is geweest voor onderzoek en herstelwerkzaamheden. De vordering is op dit punt niet nader onderbouwd. Hoewel het aannemelijk is dat sprake is van omzetderving wanneer het strandpaviljoen dicht moet blijven, kan de rechtbank zonder enige onderbouwing niet gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid. Als de benadeelde partij in de gelegenheid zou worden gesteld om een nadere onderbouwing aan te leveren, zou de behandeling van de zaak moeten worden aangehouden. Dat levert een onevenredige belasting van het strafgeding op.
De vordering tot immateriële schadevergoeding is ingediend omdat het bedrijfsappartement af en toe bewoond wordt door familie. Door de inbraak durven de kinderen er niet meer te slapen. Hoewel de rechtbank zich het gevoel van onveiligheid kan voorstellen, dient voor toewijzing van de vordering sprake te zijn van meer dan een enkel gevoel van onbehagen. De vordering is niet verder onderbouwd en komt naar het oordeel van de rechtbank daarom niet voor toewijzing in aanmerking.
De rechtbank komt tot de slotsom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de gehele vordering.
10.3
De benadeelde partij Roompot Recreatiebeheer (feiten 8 en 9)
De benadeelde partij Roompot Recreatiebeheer vordert ten aanzien van de feiten 8 en 9 een bedrag van € 2.649,15 aan vergoeding van materiële schade wegens de kosten voor het vervangen van de sloten en de cilindersleutelkluis. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen en de hoogte van de vordering is door de verdediging niet betwist.
Van het vervangen van de sloten en kluis zijn facturen overgelegd. Gelet hierop acht de rechtbank de vordering voldoende onderbouwd en zal zij deze in het geheel toewijzen. Het toegewezen bedrag zal vermeerderd worden met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade. Ook zal aan verdachte de schadevergoedingsmaatregel worden opgelegd.
10.4
De benadeelde partij [naam 12] (feit 13)
De benadeelde partij vordert ten aanzien van feit 13 een bedrag van € 12.689,20 aan vergoeding van materiële schade.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen voor zover het betreft het weggenomen contante geldbedrag van € 11.921,84. Het resterende deel van de vordering ziet op genomen beveiligingsmaatregelen en er bestaat geen rechtstreeks verband met het feit dat bewezen is verklaard. Voor het overige dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.
De raadsman heeft betoogd dat er ten aanzien van de beveiligingsmaatregelen geen rechtstreeks verband bestaat met het strafbare feit. Verder geldt dat niet duidelijk is of er al belasting over het weggenomen geldbedrag is betaald. Dit heeft gevolgen voor de hoogte van de schade.
De rechtbank overweegt als volgt. De hoogte van het weggenomen contante geldbedrag is niet betwist door de verdediging. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende vast komen te staan dat het geldbedrag is weggenomen, gelet op het aangeleverde kasboek waaruit blijkt dat er € 11.921,84 aan contanten in huis was. De vraag of de belastingdienst al dan niet een vordering op de benadeelde partij heeft met betrekking tot de contante geldbedragen, is voor de vaststelling van de hoogte van de schade niet van belang. Evenmin is het van belang voor de vraag of de vordering dient te worden toegewezen. De vordering zal op dit punt dan ook worden toegewezen.
Ten aanzien van de beveiligingsmaatregelen is de rechtbank – anders dan de officier van justitie en de raadsman – van oordeel dat deze in dit geval wel voor toewijzing in aanmerking komen. De maatregelen zijn vrijwel direct na de inbraak genomen en betreffen maatregelen ter beveiliging van een woning, in tegenstelling tot alle andere feiten waar de (poging tot) diefstal steeds plaatsvond in een bedrijfspand. Bovendien heeft de benadeelde partij toegelicht dat zij veel last had van de woninginbraak en dat de beveiligingsmaatregelen hebben geholpen bij haar gevoel van veiligheid. Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat daarmee het rechtstreeks verband tussen het strafbare feit en de schade is aangetoond. Zij zal de vordering op dit punt toewijzen.
De rechtbank zal het gehele gevorderde bedrag toewijzen. Het toegewezen bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente en ook zal aan verdachte de schadevergoedingsmaatregel worden opgelegd.

11.De vordering tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van 10 november 2025 de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 09/269863-21, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 25 mei 2022 van de rechtbank Den Haag, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 364 dagen, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 270 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op drie jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden.
Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd, die duurde van 18 april 2023 tot 16 april 2026, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van dat voorwaardelijke strafdeel te gelasten.

12.Opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis

De voorlopige hechtenis van verdachte is geschorst met ingang van 23 december 2025. De officier van justitie heeft de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis gevorderd.
Uit de inhoud van dit vonnis blijkt dat de rechtbank verdachte veroordeelt voor de aan hem ten laste gelegde feiten. Ook is de recidivegrond, die tot het bevel tot voorlopige hechtenis heeft geleid, nu nog aanwezig. Gebleken is namelijk dat verdachte op 19 januari 2026 is aangehouden op verdenking van het plegen van een nieuwe inbraak. Deze omstandigheid onderstreept de actualiteit van de recidivegrond, waardoor de rechtbank van oordeel is dat de schorsing van de voorlopige hechtenis dient te worden opgeheven.

13.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 45, 57, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

14.Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
Ten aanzien van feit 1, feit 2, feit 5, feit 6 primair, feit 7, feit 11, feit 12, feit 13, feit 14:
Telkens: diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak
Ten aanzien van feit 4, feit 8, feit 10:
Telkens: diefstal
Ten aanzien van feit 3, feit 9, feit 15:
Telkens: poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van
42 maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Gelast de teruggave aan verdachte van de voorwerpen, vermeld op de beslaglijst onder de nummers 4 tot en met 83 en 114 tot en met 124.
Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de voorwerpen, vermeld op de beslaglijst onder de nummers 1 tot en met 3 en 125 tot en met 137.
Ten aanzien van feit 1, feit 2, feit 14:
Wijst de vordering van de benadeelde partij Hotel Victoria B.V. toe tot een bedrag van € 60.116,86 (zestigduizend honderdzestien euro en zesentachtig cent) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening, als volgt:
  • Ten aanzien van een bedrag van € 12.298,60 vanaf 2 maart 2025;
  • Ten aanzien van een bedrag van € 42.609,21 vanaf 3 april 2025;
  • Ten aanzien van een bedrag van € 5.209,05 vanaf 18 april 2025.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan Hotel Victoria voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van Hotel Victoria B.V. aan de Staat € 60.116,86 (zestigduizend honderdzestien euro en zesentachtig cent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening, als volgt:
  • Ten aanzien van een bedrag van € 12.298,60 vanaf 2 maart 2025;
  • Ten aanzien van een bedrag van € 42.609,21 vanaf 3 april 2025;
  • Ten aanzien van een bedrag van € 5.209,05 vanaf 18 april 2025.
Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 258 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Ten aanzien van feit 6, feit 15:
Verklaart de benadeelde partij [naam 6] niet-ontvankelijk in de vordering.
Ten aanzien van feit 8, feit 9:
Wijst de vordering van de benadeelde partij Roompot Recreatiebeheer toe tot een bedrag van € 2.649,15 (tweeduizend zeshonderd negenenveertig euro en vijftien cent) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (27 maart 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan Roompot Recreatiebeheer voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van Roompot Recreatiebeheer aan de Staat € € 2.649,15 (tweeduizend zeshonderd negenenveertig euro en vijftien cent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (27 maart 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 26 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Ten aanzien van feit 13:
Wijst de vordering van de benadeelde partij [naam 12] toe tot een bedrag van € 12.689,20 (twaalfduizend zeshonderd negenentachtig euro en twintig cent) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (12 mei 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam 12] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [naam 12] aan de Staat € € 12.689,20 (twaalfduizend zeshonderd negenentachtig euro en twintig cent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (12 mei 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 88 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover deze voorwaardelijk is opgelegd bij genoemd vonnis van 25 mei 2022, namelijk een gevangenisstraf van 270 dagen.
Heft op de schorsing van de voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J.M. van Hall, voorzitter,
mrs. C. Wildeman en M. Versteege, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.D.N. Tool, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 februari 2026.