ECLI:NL:RBAMS:2026:1338

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
5 februari 2026
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
1310736824
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 OLWArt. 22 OLWArt. 23 OLWArt. 27 OLWArt. 28 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank weigert uitvoering Europees aanhoudingsbevel wegens detentieomstandigheden in Letland

De rechtbank Amsterdam behandelde een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door Letland voor de overlevering van een opgeëiste persoon. Na een tussenuitspraak waarin werd vastgesteld dat er onvoldoende concrete informatie was over de detentieomstandigheden, werd de procedure geschorst voor nader onderzoek.

De rechtbank stelde vragen aan de Letse autoriteiten over de specifieke detentieomstandigheden en mogelijke bescherming tegen het kastenstelsel en geweld binnen de gevangenissen. De verstrekte aanvullende informatie bleef echter algemeen en gaf geen concreet inzicht in de situatie van de opgeëiste persoon.

De raadsman betoogde dat geen gevolg moest worden gegeven aan het EAB vanwege het reële gevaar op onmenselijke of vernederende behandeling. De officier van justitie vond dat de aanvullende informatie een wijziging van omstandigheden inhield, waardoor het gevaar was weggenomen.

De rechtbank oordeelde dat de aanvullende informatie onvoldoende concreet was en het individuele gevaar niet was weggenomen. Daarom werd geen gevolg gegeven aan het EAB en werd de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot in behandeling neming van het EAB. De overleveringsdetentie werd opgeheven en de procedure beëindigd.

Uitkomst: De rechtbank weigert uitvoering aan het Europees aanhoudingsbevel vanwege reëel gevaar op onmenselijke behandeling en verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-107368-24
Datum uitspraak: 5 februari 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 10 oktober 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 8 februari 2024 door
the Prosecutor of the Prosecutor General’s Office of the Republic of Latvia, Letland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 2001 in Letland (geboorteplaats onbekend),
feitelijk verblijfadres:
[adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

Zitting 2 december 2025
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 2 december 2025, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is
verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. E. Boskma. advocaat in Alkmaar, en door een tolk in de Letse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
Tussenuitspraak van 16 december 2025 [3]
In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank beslist over de grondslag en de inhoud van het EAB (punt 3) en de strafbaarheid van het feit (punt 4). Voorts heeft de rechtbank overwegingen gewijd aan artikel 11 OLW Pro (punt 5), waarna het onderzoek is heropend en geschorst voor onbepaalde tijd. De overwegingen uit deze tussenuitspraak dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.
De rechtbank heeft de beslistermijn op grond van artikel 22, vierde lid, sub c, OLW met 60 dagen verlengd, onder gelijktijdige verlenging van de (geschorste) gevangenhouding op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
Zitting van 22 januari 2026
Op deze zitting is de behandeling van het EAB - met instemming van partijen - in gewijzigde samenstelling van de rechtbank voortgezet, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. E. Boskma, en door een tolk in de Letse taal.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Letse nationaliteit heeft.

3.Artikel 11 OLW Pro; detentieomstandigheden

Inleiding
In de tussenuitspraak van 16 december 2025 heeft de rechtbank onder meer overwogen dat de informatie die is gegeven van algemene aard is en niet of nauwelijks ziet op de concrete situatie van de opgeëiste persoon. Zo wordt enkel informatie verschaft over algemene maatregelen die worden genomen en wordt gesproken over alle detentie-instellingen in Letland in plaats van specifiek de detentie-instelling waar de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid zal worden geplaatst. De rechtbank heeft voorts overwogen dat de vraag waar de opgeëiste persoon na overlevering naar alle waarschijnlijkheid zal worden geplaatst onvoldoende is beantwoord, waardoor een nader onderzoek naar de concrete situatie in de detentie-instelling waar de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid terecht zal komen na een overlevering aan de uitvaardigende justitiële autoriteit niet mogelijk is. Geoordeeld is dat het vastgestelde algemene gevaar niet is weggenomen voor de opgeëiste persoon en dat bij deze stand van zaken voor de opgeëiste persoon een reëel gevaar bestaat dat hij in detentie in Letland onmenselijk of vernederend zal worden behandeld. De rechtbank heeft vervolgens een redelijke termijn van 30 dagen gesteld, zodat kan worden nagegaan of na het verstrijken van deze termijn een wijziging in omstandigheden is opgetreden.
Naar aanleiding van deze tussenuitspraak heeft het Internationaal Rechtshulpcentrum (IRC) op 22 december 2025 de volgende vragen voorgelegd aan de uitvaardigende justitiële autoriteit:
“1. Is there any possibility of placing the wanted person in a ward where he will not be exposed to (the negative consequences of) the caste-system?
2. Is it possible to guarantee (in any way) that the wanted person will not be in contact with leaders of the informal hierarchy or other prisoners who display violent or degrading behavior (in their cell, but also in common-rooms and during activities)?
3. Can it be guaranteed that the wanted person will only be placed in a cell with other detainees if it has been established that there is no risk of conflict among these detainees and they are capable of coexisting peacefully?
a. If yes, will the activities and time outdoors of in common-rooms, also take place with these detainees where it has been established that there is no risk of conflict?
4. Is there any possibility of putting the wanted person in a one-person cell?
5. Is there any system in place that ensures that the leaders of non-formal prison hierarchies are isolated in separate cells or separate floors?
6. To what extent can the (planned) renovations, after a possible surrender, already concretely remove the danger of inhuman or degrading treatment towards the wanted person?
7. Has any plan been adopted to reduce the influence of the informal hierarchy/caste-system in Latvian prisons? If yes, what concrete protection does this plan offer?
8. Would the wanted person be placed separately from recidivists?
9. Could you please provide information on whether and to what extent the caste system issues would arise in wards for first offenders, and from which examples this would be evident?”
The Head Colonel of the Prisons Administration of the Republic of Latviaheeft op 6 januari 2026, via de uitvaardigende justitiële autoriteit, onder meer de volgende informatie verstrekt:
“The Administration informs that placement and accommodation of imprisoned persons in places of imprisonment is carried out in accordance with the criteria laid down in the following laws: the Sentence Execution Code of Latvia (hereinafter referred to as the Code) and the Law on the Procedures for Holding under Arrest (hereinafter referred to as the Law). For example, pursuant to Section 131 of the Code, the placement of convicted persons in a specific place of imprisonment shall be determined by the Head of the Administration, taking into consideration medical, security and crime prevention criteria. (…)
Placement and accommodation of imprisoned persons in places of imprisonment is carried out in accordance with the criteria laid down in the laws and the Law on the Procedures for Holding under Arrest. Pursuant to Section 13 1 of the Code, the placement of convicted persons in a specific place of imprisonment shall be determined by the Head of the Administration, taking into consideration medical, 2 security and crime prevention criteria. (…)
(…) Arrested persons who, prior to their arrest, have not served a custodial sentence in places of deprivation of liberty are detained separately from other arrested persons. Arrested persons are placed in cells, taking into consideration internal and psychological compatibility. Persons to whom there was applied a restraint measure – arrest – are held separately from the convicted persons, unless they agree either to be placed together or to be involved in joint activities, and if the specific investigating authority, prosecution office or court in the jurisdiction of which the relevant person is placed, also agrees to it. (…)
The Administration informs you that in the event of a threat, the person shall be immediately transferred to a single, small-area of other cell, but if the threat is very serious, the person may be transferred to another prison. (…)
In order to eliminate the informal hierarchy of prisoners that exists in places of imprisonment the Ministry of Justice developed and on 8 October 2024 the Cabinet of Ministers supported (…) the informative report “On actions to reduce the informal hierarchy of prisoners of places of imprisonment”. (…) The action plan included in the report summarizes measures both already implemented and still to be implemented in the following areas:
-
measures to improve the capacity of Prisons Administration staff (…);
-
further development of the prisoner resocialization system (…);
-
measures to improve the infrastructure of places of imprisonment (…);
-
measures to improve the training of judges.
(…)
In prisons there is provided a system of uninterrupted 24-hour supervision, which includes video surveillance and regular inspections carried out by the staff. If a risk of violence of degrading treatment is detected, the imprisoned person will be moved to another cell, moreover, in case of any existent endangerment, imprisoned persons can apply to the prison official and request their assistance of protection, furthermore, the use of video surveillance cameras in places of imprisonment reduces the possibility of affecting imprisoned persons and helps to reduce the prevalence of informal hierarchy among imprisoned persons. (…)
Arrested persons who, prior to their arrest, have not served a custodial sentence in places of deprivation of liberty are detained separately from other arrested persons. (…)
The Administration also informs that imprisoned persons’ safety is assured by carrying out regular inspections and supervision. (…) Video surveillance systems are also in use in order to prevent any violence or other incidents. In addition the Administration informs that in the event of a serious threat any imprisoned person can be isolated from the “source” of a threat, for example, by relocating to another cell or unit, relocating to another block, relocating to another place of imprisonment. (…)”
Standpunt van de raadsman
De raadsman stelt zich op het standpunt dat geen gevolg moet worden gegeven aan het EAB. De verstrekte aanvullende informatie is nog altijd te algemeen van aard en levert geen wijziging in omstandigheden op.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de aanvullende informatie van 6 januari 2026 een wijziging van omstandigheden inhoudt, waardoor geen sprake meer is van een individueel gevaar van schending van de grondrechten van de opgeëiste persoon. In deze aanvullende informatie is namelijk sprake van een nieuw deel dat ziet op gedetineerden die een negatieve invloed op anderen hebben. Die gedetineerden zullen apart worden geplaatst van de andere gedetineerden. Deze toezegging is fundamenteel verschillend van de vorige toezeggingen. Hieruit blijkt dat de Letse autoriteiten de problemen in de detentie-instellingen proberen op te lossen. Gelet op deze aanvullende informatie is het volgens de officier van justitie niet nodig dat informatie wordt verstrekt over de vraag in welke detentie-instelling de opgeëiste persoon na een overlevering aan Letland naar alle waarschijnlijkheid zal worden geplaatst.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt allereerst vast dat het IRC naar aanleiding van de tussenuitspraak niet aan de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft gevraagd in welke detentie-instelling de opgeëiste persoon na overlevering naar alle waarschijnlijk zal worden geplaatst. Hierdoor is het voor de rechtbank nog steeds niet mogelijk om nader onderzoek naar de concrete situatie in die detentie-instelling te doen. De rechtbank is voorts van oordeel dat met de aanvullende informatie van
6 januari 2026 onvoldoende antwoord is gegeven op de vraag naar de concrete bescherming van de opgeëiste persoon tegen geweld en andere negatieve gevolgen van het kastenstelsel. De verstrekte informatie vermeldt nog steeds enkel algemene maatregelen die worden genomen waarbij opnieuw wordt gesproken over alle detentie-instellingen in Letland. De informatie van
6 januari 2026 levert daarom naar het oordeel van de rechtbank geen wijziging van omstandigheden op. Hierdoor is het reeds vastgestelde reële individuele gevaar zoals bedoeld in artikel 11, eerste lid, OLW voor de opgeëiste persoon niet weggenomen.
De rechtbank zal daarom geen gevolg geven aan het EAB, gelet op het bepaalde in artikel 11, eerste lid, OLW. De rechtbank zal op grond van artikel 11, vierde lid, in verbinding met artikel 28, derde lid OLW, de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB. Daarmee wordt de overleveringsprocedure beëindigd.

4.Slotsom

De rechtbank zal met toepassing van artikel 11, eerste lid, OLW geen gevolg geven aan het EAB.

5.Toepasselijke wetsbepalingen

Artikel 11 OLW Pro.

6.Beslissing

GEEFTgeen gevolg aan het EAB.
VERKLAARTde officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB.
HEFT OPde (geschorste) overleveringsdetentie.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. E. de Rooij en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.J. Gauneau en N.F.M. de Koning, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 5 februari 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.