ECLI:NL:RBAMS:2026:1324

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
6 februari 2026
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
13-016576-25 (A) en 13-106209-24 (B)
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285b SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 33 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling belaging voormalige vriendin en familie met contactverbod en voorwaardelijke gevangenisstraf

De rechtbank Amsterdam heeft verdachte schuldig bevonden aan belaging van zijn voormalige vriendin en haar familieleden in drie zaken, gepleegd tussen april 2023 en januari 2025. Het gedrag bestond uit het stelselmatig bellen met verschillende telefoonnummers, het sturen van negatieve berichten via WhatsApp en nepaccounts op Facebook, het bezoeken van woningen en het achterlaten van briefjes. Verdachte bekende het contact, maar stelde dat dit was om zijn spullen terug te krijgen.

De rechtbank oordeelde dat verdachte wederrechtelijk en opzettelijk inbreuk maakte op de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers met het oogmerk hen iets te laten dulden of vrees aan te jagen. De gedragingen waren intensief, langdurig en gevarieerd, en ondanks eerdere gedragsaanwijzingen en schorsingstoezicht bleef verdachte doorgaan.

Gezien de ernst van de feiten, de impact op de slachtoffers en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder een verstandelijke beperking en medische klachten, legde de rechtbank een gevangenisstraf van zes maanden op, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Tevens werd een contactverbod van vijf jaar opgelegd met oplopende vervangende hechtenis bij overtreding. Vorderingen tot schadevergoeding werden afgewezen wegens gebrek aan rechtsgrond.

De rechtbank achtte ook de inbeslaggenomen simkaarten en telefoons als bewijsmiddelen en bepaalde dat sommige voorwerpen verbeurd verklaard en één onttrokken aan het verkeer moesten worden. De uitspraak werd gedaan op 6 februari 2026 door een meervoudige kamer.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf waarvan vijf voorwaardelijk en een contactverbod van vijf jaar met vervangende hechtenis.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummers: 13/016576-25 (A) en 13/106209-24 (B, ter terechtzitting gevoegd)
Datum uitspraak: 6 februari 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1975,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres 1] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 23 januari 2026.
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. H.F. van Kregten, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. S.C. Sassen, naar voren hebben gebracht.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van de vorderingen tot schadevergoeding van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] en van wat mr. R.H. Bouwman, advocaat van de benadeelde partijen, namens hen naar voren heeft gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is - kort samengevat - tenlastegelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan:
Zaak A
1.
belaging van [benadeelde partij 1] en/of [persoon 1] in de periode van 1 juli 2024 tot en met 9 januari 2025 in Amsterdam;
2.
belaging van [benadeelde partij 2] in de periode van de 1 december 2023 tot en met 15 januari 2025 in Amsterdam.
Zaak B
belaging van [persoon 2] in de periode van 27 april 2023 tot en met 26 maart 2024 in Amsterdam.
De volledige tekst van de tenlasteleggingen is opgenomen in
bijlage Ien geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlasteleggingen taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd.
Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

3.Voorvragen

De dagvaardingen zijn geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Standpunt van het openbaar ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen. Aangeefsters [benadeelde partij 1] (hierna: [benadeelde partij 1] ), mede namens haar zoon [persoon 1] (hierna: [persoon 1] ), [benadeelde partij 2] (hierna: [benadeelde partij 2] ) en [persoon 2] (hierna: [persoon 2] ) hebben uitgebreid verklaard over de belaging door verdachte. Hij stuurde hun berichten via Whatsapp en via (nep)accounts op Facebook. Ook werden zij bijna dagelijks gebeld. Verdachte heeft bekend dat hij aangeefsters heeft gestalkt, omdat hij zijn spullen terug wilde van [persoon 2] . Er kunnen veel telefoonnummers aan verdachte worden gekoppeld. Ook de nepaccounts op Facebook op naam van [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] kunnen aan (een telefoonnummer van) verdachte worden gekoppeld.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft in zaak A bepleit dat de volgende Facebook accounts en telefoonnummers aan verdachte kunnen worden gekoppeld:
  • Facebook accounts: de nepaccounts van de profielen van [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] (via de onder verdachte inbeslaggenomen telefoon met het goednummer 6607171) en verdachte zijn eigen account ( [naam 5] );
  • Telefoonnummers eindigend op: * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] en * [telefoonnummer] .
De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de in zaak A onder 1 ten laste gelegde belaging van [persoon 1] . Er kan enkel worden vastgesteld dat verdachte hem vaak heeft gebeld op 5 oktober 2024 en twee keer op 20 en 22 november 2024 (* [telefoonnummer] en * [telefoonnummer] ). Dit levert geen stelselmatige inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer op.
Ten aanzien van de in zaak A onder 1 ten laste gelegde belaging van [benadeelde partij 1] heeft de raadsvrouw bepleit dat slechts kan worden bewezen dat verdachte haar heeft belaagd in de periode van 23 september 2024 tot en met 9 januari 2025 in de vorm van bellen (* [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] en * [telefoonnummer] ), sms’en (* [telefoonnummer] ) en benaderen via Facebook (Messenger) met de profielen [naam 2] en [naam 4] ). De accounts van [naam 6] en [naam 7] zijn aangemaakt vanaf het IP-adres van [benadeelde partij 1] zelf en de berichten van het account [naam 1] vallen buiten de ten laste gelegde periode.
Wat betreft de in zaak A onder 2 ten laste gelegde belaging van [benadeelde partij 2] kan slechts worden bewezen dat verdachte haar in de periode van 26 september 2024 tot en met 14 januari 2025 heeft gebeld (* [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] en * [telefoonnummer] ).
Tot slot heeft de raadsvrouw bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de in zaak B ten laste gelegde belaging van [persoon 2] . Verdachte bekent dat hij op meerdere momenten contact heeft opgenomen met [persoon 2] , maar dit was in verband met de legitieme reden dat hij zijn spullen terug wilde hebben. In dat licht moeten ook de twee briefjes in de brievenbus worden gezien met het verzoek om contact met hem op te nemen (* [telefoonnummer] en * [telefoonnummer] ). Wat betreft de ontmoeting bij de school van de dochter van [persoon 2] geldt dat dit een toevallige ontmoeting was. Verdachte woonde toen nog in de omgeving van die school en fietste toevallig langs, waarna hij werd geroepen door de dochter van [persoon 2] en hij naar hen is teruggefietst. Van deze ontmoeting heeft verdachte foto’s op Facebook ( [naam 1] ) geplaatst en gereageerd met zijn eigen account [naam 5] , maar van andere Facebook berichten is niet gebleken. Voor het veelvuldig bezoeken van de woning van [persoon 2] is geen ondersteunend bewijs. Ten aanzien van het veelvuldig bellen geldt dat de overgelegde screenshots van gemiste oproepen van een telefoonnummer (* [telefoonnummer] ) zijn dat niet aan verdachte kan worden gekoppeld.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
Voor een bewezenverklaring van belaging in de zin van artikel 285b Wetboek van Strafrecht (Sr), moet onder meer sprake zijn van het wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk maken op een anders persoonlijke levenssfeer. Bij de beoordeling of daarvan sprake is zijn verschillende factoren van belang: de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van verdachte, de omstandigheden waaronder ze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op de het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer.
Het kan daarbij gaan om herhaling van dezelfde activiteit, maar ook om het samenstel van een variëteit aan gedragingen. Niet vereist is dat het slachtoffer ten gevolge van de inbreuk op zijn of haar persoonlijke levenssfeer iets heeft gedaan of nagelaten wat hij of zij zonder die inbreuk niet zou hebben gedaan, mits in het algemeen de inbreuk geschikt en geëigend is een bepaalde opstelling teweeg te brengen. Het oogmerk om te dwingen iets te dulden kan volgen uit de bewezenverklaarde handelingen waaruit kan worden afgeleid dat het slachtoffer geen keuze wordt gelaten in het al dan niet aanvaarden van contact met de belager.
4.3.1.
Ten aanzien van zaak A onder 1: belaging van [benadeelde partij 1] en [persoon 1]
[benadeelde partij 1] heeft op 6 oktober 2024 (mede namens haar zoon [persoon 1] ), 17 oktober 2024 en 2 januari 2025 aangifte gedaan van belaging door verdachte. [benadeelde partij 1] heeft - samengevat - verklaard dat zij en haar zoon vanaf juli 2024 bijna dagelijks werden gebeld en dat zij vermoedde dat verdachte hierachter zat. Het waren iedere keer andere nummers en als er werd opgenomen dan werd er niets gezegd. Ook stuurde verdachte WhatsApp berichten (waaronder een excuusbericht op 31 juli 2024) en stuurde hij dagelijks berichten via nepaccounts op Facebook ( [naam 6] , [naam 7] , [naam 1] , [naam 2] en [naam 4] ). [benadeelde partij 1] heeft verklaard dat er op het account van [naam 7] een profielfoto is geplaatst van haar met daarbij de tekst heks en hoer. De telefoonnummers waarmee de WhatsApp berichten zijn gestuurd eindigen op * [telefoonnummer] en * [telefoonnummer] . De telefoonnummers waardoor [benadeelde partij 1] is gebeld eindigen op * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] en * [telefoonnummer] .
Verdachte heeft op zitting bekend dat hij [benadeelde partij 1] veel heeft gebeld. Uit het dossier blijkt ook dat [persoon 1] is gebeld, namelijk veelvuldig op 5 oktober 2024 (* [telefoonnummer] ) en twee keer op 20 en 22 november 2024 (* [telefoonnummer] ).
De rechtbank stelt op basis van het dossier vast dat de telefoonnummers waarmee [benadeelde partij 1] en [persoon 1] zijn gebeld en waarmee via WhatsApp tekstberichten en afbeeldingen zijn gestuurd aan verdachte kunnen worden gekoppeld. Het Whatsappbericht van 31 juli 2024 is verstuurd met het telefoonnummer eindigend op * [telefoonnummer] . Bij de aanhouding van verdachte op 4 augustus 2024 vanwege het overtreden van zijn schorsende voorwaarden, is een mobiele telefoon aangetroffen waaraan dit nummer gekoppeld is. Verder zijn er bij de aanhouding van verdachte op 15 januari 2025 vier telefoons (waaronder een iPhone waaraan het nummer eindigend op * [telefoonnummer] is gekoppeld) en vijftien simkaarten aangetroffen.
De telefoonnummers eindigend op * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] en * [telefoonnummer] hebben verbinding gehad met het IMIE-nummer [nummer] en dit IMEI-nummer is gekoppeld aan een mobiele telefoon van het merk en type Nokia 106. Deze nummers straalden veel de zendmasten aan die zijn gelegen op de adressen [adres 2] en [adres 3] . Deze zendmasten zijn gelegen op 105 en 200 meter van de verblijfplaats van verdachte (tot eind 2024) aan de [adres 4] . Verdachte heeft op de zitting verklaard dat het zou kunnen dat hij zo een Nokia heeft gehad. Ook de telefoonnummers eindigend op * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] en * [telefoonnummer] hebben verbinding gehad met de Nokia 106 en straalden aan op de zendmast [adres 3] . Bovendien is er van het nummer * [telefoonnummer] een simkaart aangetroffen in de woning van verdachte. Ook van het nummer eindigend op * [telefoonnummer] is een simkaart aangetroffen en dit nummer kan voorts worden gekoppeld aan de telefoon die naast het bed van verdachte is gevonden (*eindigend op [telefoonnummer] ). Aan deze telefoon zijn ook de nepaccounts op Facebook met de namen [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] gekoppeld. Verdachte heeft ook bekend dat hij deze accounts heeft aangemaakt.
Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de nepaccounts [naam 6] en [naam 7] niet aan verdachte worden gekoppeld. Uit het dossier blijkt dat deze accounts zijn aangemaakt op het IP-adres van [benadeelde partij 1] en er is onvoldoende komen vast te staan dat verdachte hiervoor verantwoordelijk is. Nu de vijfde ten laste gelegde gedraging en het plaatsen van een foto van [benadeelde partij 1] als profielfoto (op het account van [naam 7] ) met daarbij de tekst ‘heks en hoer’ aan deze accounts zijn verbonden, zal verdachte hiervan worden vrijgesproken. Voor wat betreft het nepaccount [naam 1] geldt dat wel is komen vast te staan dat dit toebehoort aan verdachte, maar de berichten die [benadeelde partij 1] van dit account heeft gekregen vallen buiten de ten laste gelegde periode.
Het telefoonnummer eindigend op * [telefoonnummer] kan niet aan verdachte gekoppeld worden.
Ten aanzien van het telefoonnummer eindigend op * [telefoonnummer] overweegt de rechtbank dat uit het dossier alleen is op te maken dat dit, aan verdachte te koppelen nummer, gebeld heeft met [persoon 3] , de echtgenoot van [benadeelde partij 1] , en niet met [benadeelde partij 1] of haar zoon.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich door het (veelvuldig) bellen met verschillende telefoonnummers van zowel [benadeelde partij 1] als haar zoon [persoon 1] , in onderling verband en samenhang bezien, het sturen van tekstberichten en afbeeldingen via WhatsApp aan [benadeelde partij 1] en het sturen van (negatieve) berichten via de nepaccounts op Facebook op naam van [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] , heeft schuldig gemaakt aan belaging van [benadeelde partij 1] en [persoon 1] . Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot een (gedeeltelijke) bewezenverklaring van het in zaak A onder 1 tenlastegelegde.
4.3.2.
Ten aanzien van zaak A onder 2: belaging van [benadeelde partij 2]
heeft op 15 januari 2025 aangifte gedaan van belaging door verdachte. [benadeelde partij 2] heeft - samengevat - verklaard dat de belaging is begonnen rond december 2023. Zij kreeg via Facebook een vriendschapsverzoek van het account [naam 1] en ontving allerlei berichten via Facebook Messenger. Op het profiel van [naam 1] stonden allerlei foto’s en video’s van haar zus [persoon 2] met allerlei aantijgingen. Nadat dit account was verwijderd, werd [benadeelde partij 2] benaderd via Facebook Messenger door het account [naam 2] . Zij is in gesprek gegaan met de persoon achter het profiel, om ervoor te zorgen dat het zou stoppen. Dit heeft niet geholpen. Iedere keer kwamen er andere accounts bij. [benadeelde partij 2] is ook via Facebook Messenger benaderd door het account [naam 3] ( [naam 4] ). Dit vond zij opvallend, omdat het haar achternaam is en de voornaam van het eerdere profiel ( [naam 1] ).
Vanaf juli 2024 werd [benadeelde partij 2] regelmatig gebeld door verschillende telefoonnummers (eindigend op * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] en * [telefoonnummer] ).
Verdachte heeft op de zitting bekend dat hij [benadeelde partij 2] vaak heeft gebeld. De door [benadeelde partij 2] genoemde telefoonnummers (eindigend op * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] en * [telefoonnummer] ) kunnen onder verwijzing naar hetgeen in rubriek 4.3.1. is overwogen aan verdachte worden gekoppeld. Wat betreft de overige telefoonnummers (eindigend op * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] en * [telefoonnummer] ) geldt dat ook van deze telefoonnummers (verpakkingen van) simkaarten in de woning van verdachte zijn aangetroffen en/of deze telefoonnummers in verbinding hebben gestaan met voornoemde Nokia 106 en de zendmast [adres 3] hebben aangestraald en om die reden aan verdachte kunnen worden gekoppeld. Het nummer eindigend op * [telefoonnummer] kan niet aan verdachte worden gekoppeld.
De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte [benadeelde partij 2] veelvuldig heeft gebeld. Voor wat betreft de nepaccounts waarmee [benadeelde partij 2] via Facebook (Messenger) is benaderd, geldt dat hiervoor is vastgesteld dat deze accounts aan verdachte kunnen worden gekoppeld. Het feit dat [benadeelde partij 2] heeft gereageerd op de berichten van het account [naam 2] , valt te begrijpen vanuit de wens dat de contactpogingen zouden stoppen en betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat verdachte door mocht blijven gaan met zijn gedrag en er geen sprake (meer) zou zijn van belaging. Verdachte heeft door [benadeelde partij 2] veelvuldig te bellen en haar te benaderen via diverse nepaccounts op Facebook (Messenger), en daarbij negatieve berichten te sturen, wederrechtelijk stelselmatige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [benadeelde partij 2] . Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van de in zaak A onder 2 ten laste gelegde belaging.
4.3.3.
Ten aanzien van zaak B: belaging van [persoon 2]
Op 28 januari 2024 en 26 maart 2024 heeft [persoon 2] aangifte gedaan van belaging door verdachte. De rechtbank komt tot een gedeeltelijke bewezenverklaring en overweegt hiertoe als volgt.
De rechtbank acht de volgende ten laste gelegde gedragingen niet bewezen:
-
Verdachte zou [persoon 2] veelvuldig hebben gebeld.
[persoon 2] heeft verklaard dat zij vaak is gebeld door verdachte. Hij zou haar hebben benaderd met de telefoonnummers eindigend op * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] , * [telefoonnummer] en * [telefoonnummer] . Zij heeft screenshots overgelegd van WhatsApp-berichten afkomstig van het nummer eindigend op * [telefoonnummer] . Hoewel dit nummer kan worden gekoppeld aan verdachte, geldt dat het gaat om berichten en niet om (gemiste) oproepen zoals ten laste is gelegd en dat deze berichten voorts gericht lijken te zijn aan de dochter van [persoon 2] . Wat betreft de overgelegde screenshots van gemiste oproepen geldt dat deze afkomstig zijn van het telefoonnummer eindigend op * [telefoonnummer] . De rechtbank is van oordeel dat op basis van het dossier niet kan worden bewezen dat dit telefoonnummer aan verdachte toebehoort. Om die reden dient hij te worden vrijgesproken van deze ten laste gelegde gedraging.
-
Verdachte zou [persoon 2] via Facebook een vriendschapsverzoek hebben gestuurd.
Uit de aangifte volgt dat verdachte via het nepaccount [naam 1] op Facebook een vriendschapsverzoek zou hebben gestuurd aan de ex-partner van [persoon 2] en dus niet aan [persoon 2] zelf. Om die reden dient verdachte te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde gedraging.
De rechtbank acht de volgende gedragingen wel bewezen en is van oordeel dat verdachte daarmee wederrechtelijk, stelselmatige inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [persoon 2] .
-
Meerdere brieven achterlaten in de brievenbus met het verzoek contact op te nemen.
[persoon 2] heeft op 26 maart 2024 verklaard dat er de afgelopen weken twee briefjes in de brievenbus van haar oude woning waren achtergelaten. Verdachte heeft dit bekend. Op één van de briefjes stond met de hand geschreven dat [persoon 2] een pakket bij de buren op kon halen van PostNL (met het telefoonnummer eindigend op * [telefoonnummer] ). Op het andere briefje stond dat [persoon 2] een pakket had gemist van DHL en een nieuwe afspraak kon maken op het telefoonnummer eindigend op * [telefoonnummer] . Verdachte heeft verklaard dat hij dit heeft gedaan, omdat [persoon 2] was verhuisd en hij haar wilde bereiken.
-
[persoon 2] opzoeken bij de school van haar dochter
[persoon 2] heeft op 26 maart 2024 verklaard dat verdachte haar opzoekt bij de school van haar dochter, omdat zij is verhuisd en hij naar nieuwe adres niet weet. Op 19 maart 2024 was zij haar dochter aan het ophalen bij school en liep zij samen met een vriendin (hierna: getuige [persoon 4] ). De dochter van [persoon 2] riep haar, omdat zij verdachte voorbij zag fietsen in de richting van hun oude huis. Verdachte draaide zich om en kwam naar hen toe. [persoon 2] heeft verklaard dat hij riep dat hij zijn spullen terug wilde en dat hij nog niet klaar was met haar. Ook heeft hij hen gefilmd en hiervan heeft verdachte foto’s op het nepaccount [naam 1] op Facebook geplaatst. De verklaring van [persoon 2] wordt bevestigd door de verklaring van getuige [persoon 4] . Verdachte heeft erkend dat hij bij de school is geweest en [persoon 2] en haar vriendin en de kinderen heeft gefilmd en dit op Facebook heeft geplaatst, maar volgens hem ging het om een toevallige ontmoeting. De rechtbank acht deze verklaring ongeloofwaardig, omdat onder meer uit het achterlaten van de brieven in de brievenbus van [persoon 2] en de verklaring van verdachte hierover blijkt dat hij in die periode niet wist waar [persoon 2] woonde en hij in contact met haar wilde komen. Dit past bij de verklaring van [persoon 2] .
-
Meerdere malen de woning van [persoon 2] bezoeken.
[persoon 2] heeft op 28 januari 2024 verklaard dat verdachte meerdere keren bij haar woning heeft aangebeld. Dit gebeurde soms iedere dag en ook één keer twee keer op een dag. Uit het dossier blijkt dat de zus van [persoon 2] op 2 maart 2024 een foto naar de politie heeft gestuurd van verdachte bij de woning van [persoon 2] . Deze foto zit gevoegd bij het proces-verbaal van bevindingen over het bezoek van verdachte bij de school van de dochter van [persoon 2] op 19 maart 2024, waarvan ook een foto als bijlage is toegevoegd. Verdachte heeft op zitting verklaard dat de linker foto in de buurt van de school was. Van de andere foto wist hij niet waar het van was. Gelet op de verklaring van verdachte ten aanzien van de locatie van de linker foto in combinatie met de overige bevindingen ten aanzien van het door verdachte achterlaten van briefjes in de brievenbus van [persoon 2] , gaat de rechtbank ervan uit dat de rechter foto bij het proces-verbaal van bevindingen een foto betreft van verdachte bij de woning van [persoon 2] en dat hij aldus meerdere keren haar woning heeft bezocht.
-
Meerdere negatieve berichten over [persoon 2] op social media plaatsen.
Op grond van het dossier is gebleken dat het nepaccount van [naam 1] op Facebook aan een telefoonnummer van verdachte kan worden gekoppeld. Op de zitting heeft hij ook bekend dat hij dit account heeft aangemaakt. Ook heeft hij bekend dat hij hiermee (negatieve) berichten over [persoon 2] op social media heeft geplaatst, waaronder de foto’s van het bezoek bij de school van de dochter van [persoon 2] en een reactie hierop met zijn eigen account inhoudende: ‘Ik ken haar. Ze stinkt, grote junkie. Ze escort ook. Ze gebruikt cocaine. Blacka Jonko. Als ik weet waar ze woont ga ik je melden schat. Amsterdam is te klein’.
4.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in
bijlage IIopgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
Zaak A
1.
in de periode van 1 juli 2024 tot en met 9 januari 2025 te Amsterdam (telkens) wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [benadeelde partij 1] en [persoon 1] , met het oogmerk voornoemde [benadeelde partij 1] en [persoon 1] , te dwingen iets te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft hij, verdachte,
- voornoemde [benadeelde partij 1] tekstberichten en afbeeldingen gestuurd per Whatsapp en
- voornoemde [benadeelde partij 1] en [persoon 1] gebeld en
- voornoemde [benadeelde partij 1] via (nep)account(s)/sociale media en/of (een) Facebook (messenger) account(s) op naam van [naam 2] en [naam 4] (negatieve) bericht(en) (toe)gestuurd en
- afbeeldingen betreffende voornoemde [benadeelde partij 1] en haar familie geplaatst op Facebook en
- op Facebook/sociale media een (nep/fake)account(s) voorzien van een foto van
voornoemde [benadeelde partij 1] aangemaakt en/of in haar naam bericht(en) op
Facebook/sociale media geplaatst;
2.
in periode van 1 december 2023 tot en met 15 januari 2025 te Amsterdam wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [benadeelde partij 2] , met het oogmerk voornoemde [benadeelde partij 1] te dwingen iets te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft hij, verdachte, meermalen
- voornoemde [benadeelde partij 1] gebeld en
- voornoemde [benadeelde partij 1] via nepaccounts op Facebook (messenger)/sociale media en/of Facebook accounts op naam van [naam 2] en [naam 3] negatieve berichten (toe)gestuurd.
Zaak B
in periode van 27 april 2023 tot en met 26 maart 2024 te Amsterdam wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [persoon 2] , door
- meerdere negatieve berichten over die [benadeelde partij 1] op social media te plaatsen en
- meerdere malen de woning van die [benadeelde partij 1] te bezoeken en
- die [benadeelde partij 1] op te zoeken bij de school van de dochter van die [benadeelde partij 1] en
- meerdere brieven met het verzoek contact op te nemen achter te laten in de brievenbus van die [benadeelde partij 1]
met het oogmerk die [persoon 2] , te dwingen iets te dulden en/of vrees aan te jagen.

5.De strafbaarheid van de feiten en van verdachte

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar en verdachte is hiervoor strafbaar.

6.Motivering van de straf en maatregel

6.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren zal worden opgelegd. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd de maatregel van artikel 38v Sr op te leggen inhoudende een contactverbod met [benadeelde partij 1] , [persoon 1] , [benadeelde partij 2] en [persoon 2] voor de duur van vijf jaren met toepassing van vervangende hechtenis voor de duur van zeven dagen bij de eerste overtreding, veertien dagen bij de tweede overtreding, oplopend telkens met zeven dagen per overtreding (met een maximum van zes maanden) en deze maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
6.2.
Strafmaatverweer van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat artikel 9a Sr dient te worden toegepast. Verdachte is een kwetsbare man met een verstandelijke beperking en een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Hij woont in een omslagwoning van HVO-Querido met woonbegeleiding en ontvangt intensieve begeleiding van het forensisch FACT van Inforsa. Verder kampt verdachte met veel medische klachten. Ook staat hij onder bewind en ontvangt hij een uitkering. Bij de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van één maand (maar misschien zelfs korter) wordt verdachtes uitkering stopgezet en zal hij zijn omslagwoning verliezen. Hij is vanwege zijn slechte gezondheid niet in staat om een taakstraf uit te voeren.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
6.3.1.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belaging van een voormalige vriendin. Hierna is hij ook haar familie gaan lastigvallen en heeft hij haar zussen en het zoontje van een zus belaagd. De belaging bestond voornamelijk uit bellen (met veel verschillende telefoonnummers), het sturen van tekstberichten en afbeeldingen via WhatsApp en het sturen van negatieve berichten via meerdere nepaccounts op Facebook. Door zo te handelen heeft verdachte een grote inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers en heeft hij hen angst aangejaagd. Zelfs nadat er twee stopgesprekken met verdachte zijn gevoerd, er een gedragsaanwijzing aan hem is opgelegd en hij in een schorsingstoezicht liep, is verdachte doorgegaan met zijn gedrag en bleef hij contact zoeken met de slachtoffers. De rechtbank neemt dit verdachte zeer kwalijk.
6.3.2.
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 22 december 2025, waaruit blijkt dat hij recent niet is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Wel is hij op 2 mei 2024 veroordeeld voor het handelen in strijd met een gedragsaanwijzing inhoudende een contactverbod met één van de slachtoffers.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 16 januari 2026, opgemaakt door mevrouw [reclasserings medewerker] , reclasseringswerker. Hieruit blijkt - zakelijk weergegeven - dat de risico’s op recidive, letsel en onttrekking worden ingeschat als gemiddeld. Er is sprake van instabiliteit op de leefgebieden psychosociaal functioneren, middelengebruik, sociaal netwerk en dagbesteding. Verdachte is gediagnosticeerd met een verstandelijke beperking en een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Hij staat onder bewind en ontvangt een uitkering. Verdachte gebruikt op dagelijkse basis cannabis en is niet gemotiveerd hiermee te stoppen. Hij woont in een omslagwoning van HVO-Querido en ontvangt woonbegeleiding. Daarnaast wordt verdachte intensief begeleid door het forensische FACT van Inforsa, waarbij de begeleiding zich met name richt op praktische zaken. Dit wordt samen met de ambulante begeleiding van HVO-Querido aangemerkt als een mogelijke beschermende factor. Verdachte beschikt over een beperkt sociaal netwerk en kampt met verschillende medische klachten, waardoor hij vaak een beroep doet op de outreachende begeleiding van zijn behandelteam. Omdat hij over weinig probleembesef en zelfinzicht lijkt te beschikken, maar wel impulsief gedrag vertoont en moeite heeft met het overzien van de gevolgen van zijn daden (inherent aan zijn onderliggende psychische problematiek), is het lastig gebleken tot inhoudelijk behandeling te komen gericht op het bewerkstelligen van gedragsverandering. Daarbij ziet verdachte zichzelf als slachtoffer en lijkt hij soms ook geprovoceerd te worden. Bij een veroordeling is de inschatting dat een reclasseringstoezicht geen meerwaarde heeft, omdat er reeds begeleiding en behandeling wordt ingezet vanuit het vrijwillige kader en omdat het huidige lopende schorsingstoezicht niet voor probleeminzicht en gedragsverandering lijkt te zorgen. De huidige begeleiding en behandeling gericht op praktische zaken lijkt, gezien verdachte zijn beperkte leervermogen en zijn huidige gezondheid, het hoogst haalbare. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen. De reclassering ziet contra-indicaties voor een lange gevangenisstraf, omdat verdachte dan zijn huur niet meer kan betalen en hij zijn omslagwoning zal verliezen. Ook ziet de reclassering contra-indicaties voor een taakstraf, omdat verdachte wegens zijn medische klachten fysiek slecht in staat zal zijn om dit uit te voeren. Er worden geen contra-indicaties gezien voor het opleggen van een geldboete.
6.3.3.
Straf en maatregel
Hoewel de rechtbank aanwijzingen ziet dat ook van de zijde van de slachtoffers contact is gezocht met verdachte, is de rechtbank van oordeel dat dit niet afdoet aan de laakbaarheid van zijn handelen en dat de oplegging van een straf op zijn plaats is. Bij het bepalen van (de hoogte van) de op te leggen straf beoogt de rechtbank recht te doen aan de ernst van de feiten en de gevolgen daarvan voor de slachtoffers. De rechtbank houdt hierbij rekening met wat in soortgelijke zaken wordt opgelegd en de wens recidive te voorkomen. Gelet op het feit dat aan verdachte geen (lange) onvoorwaardelijke gevangenisstraf kan worden opgelegd omdat hij dan zijn omslagwoning en begeleiding verliest hetgeen zorgt voor meer instabiliteit en daarmee het risico op recidive wordt verhoogd, hij vanwege zijn medische problemen niet in staat is om een taakstraf uit te voeren en een geldboete niet passend wordt geacht, resteert de oplegging van een forse voorwaardelijke gevangenisstraf als stok achter de deur. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met aftrek van voorarrest, passend en geboden is. Verdachte wordt dan ook via deze weg met zijn handelen geconfronteerd. Gaat hij opnieuw in de fout, dan dient hij er ernstig rekening mee te houden dat dit ertoe kan leiden dat hij naar de gevangenis moet.
Vrijheidsbeperkende maatregel en dadelijke uitvoerbaarheid (artikel 38v Sr)
Daarnaast ziet de rechtbank ter beveiliging van de slachtoffers aanleiding om op grond van artikel 38v Sr een vrijheidsbeperkende maatregel aan de verdachte op te leggen, inhoudende een contactverbod met [benadeelde partij 1] , [persoon 1] , [benadeelde partij 2] en [persoon 2] voor de duur van vijf jaren. De rechtbank zal bevelen dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt bij de eerste overtreding zeven dagen, bij de tweede overtreding veertien dagen, oplopende telkens met zeven dagen (met een maximum van in totaal zes maanden) voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan. Op deze manier wordt verdachte ook via deze weg (oplopend) geconfronteerd met de gevolgen van zijn handelen als hij opnieuw de fout in gaat.
De rechtbank zal de maatregel van artikel 38v Sr dadelijk uitvoerbaar verklaren, nu er - gelet op de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten en de persoon van de verdachte - ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend zal gedragen jegens een bepaalde persoon of bepaalde personen.
7. Beslag
Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen inbeslaggenomen en niet teruggegeven:\
STK Verdovende Middelen (G6607154);
6 STK Simkaart van zaktelefoon (G6607192);
4 STK Simkaart van zaktelefoon (G6607195);
STK Simkaart van zaktelefoon (G6607179);
3 STK Simkaart van zaktelefoon (G6607183);
3 STK Simkaart van zaktelefoon (G6607188);
4 STK Simkaart van zaktelefoon (G6607176);
1 STK Telefoontoestel Apple (G6607171);
1 STK Telefoontoestel Xiaomi (G6607169);
3 STK Bon (G6607201).
Onttrekking aan het verkeer
De rechtbank is van oordeel dat het onder verdachte inbeslaggenomen voorwerp (nummer 1) dient te worden onttrokken aan het verkeer. De drugs behoren toe aan verdachte, het ongecontroleerde bezit daarvan is in strijd is met de wet of het algemeen belang en het is bij gelegenheid van het onderzoek naar de bewezenverklaarde feiten aangetroffen.
Verbeurdverklaring
De rechtbank is van oordeel dat de (bonnen of verpakkingen van ) simkaarten (nummer 2 tot en met 7 en 10) en de iPhone (nummer 8) verbeurd moeten worden verklaard, omdat deze voorwerpen aan verdachte toebehoren en de bewezenverklaarde feiten ermee zijn begaan.
Teruggave
De rechtbank zal de teruggave aan verdachte gelasten van de inbeslaggenomen telefoon (nummer 9), omdat niet is komen vast te staan dat het bewezenverklaarde ermee is begaan.

8.Vorderingen tot schadevergoeding van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] (zaak A)

[benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] vorderen ieder € 5.000,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vorderingen tot vergoeding van immateriële schade zullen worden afgewezen, omdat hiervoor geen rechtsgrond bestaat. Door de advocaat van de benadeelde partijen is ter zitting naar voren gebracht dat de vorderingen zijn gebaseerd op de grond dat de benadeelde partijen in hun eer of goede naam zijn aangetast (artikel 6:106 lid 1 sub b van Pro het Burgerlijk Wetboek). Naar het oordeel van de rechtbank is hiervan geen sprake, nu [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] niet (zoals hun zus [persoon 2] ) in de openbaarheid negatief zijn bejegend door verdachte. Voor (ambtshalve) toewijzing op basis van een andere rechtsgrond bestaat geen aanleiding, omdat namens de beide benadeelde partijen geen feiten zijn gesteld die leiden tot de conclusie dat de benadeelde partij (psychisch) letsel heeft opgelopen danwel op andere wijze in haar persoon is aangetast door het tenlastegelegde.
De benadeelde partij en de verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36b, 36c, 36d, 38v, 38w, 57 en 285b van het Wetboek van Strafrecht.

10.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4.4. is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
ten aanzien van zaak A onder 1 en 2
telkens belaging;
ten aanzien van zaak B
belaging.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Straf
Veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
6 (zes) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat deze straf
nietten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.
Stelt daarbij een proeftijd van
2 (twee) jarenvast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Maatregel
Legt aan de veroordeelde op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheidinhoudende een contactverbod voor de duur van
vijf jaren.
Dit contactverbod houdt in dat de veroordeelde op geen enkele wijze, direct of indirect, contact zal (laten) opnemen, zoeken of hebben met [benadeelde partij 1] (geboren op [geboortedag] 1984), [persoon 1] (geboren op [geboortedag] 2013), [benadeelde partij 2] (geboren op [geboortedag] 1989) en [persoon 2] (geboren op [geboortedag] 1982).
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 7 (zeven) dagen bij de eerste overtreding, 14 (veertien) dagen bij de tweede overtreding, oplopend telkens met 7 (zeven) dagen per overtreding, voor ieder keer dat niet aan deze maatregel wordt voldaan, met een maximum van 6 (zes) maanden.
Bepaalt dat toepassing van de vervangende hechtenis de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet opheft.
Beveelt dat de opgelegde maatregel
dadelijk uitvoerbaaris.
Beslag
Onttrekt aan het verkeerhet volgende voorwerp:
1 STK Verdovende Middelen (G6607154).
Verklaart verbeurdde volgende voorwerpen:
2. 6 6 STK Simkaart van zaktelefoon (G6607192);
2. 6 4 STK Simkaart van zaktelefoon (G6607195);
2. 6 4 STK Simkaart van zaktelefoon (G6607179);
2. 6 3 STK Simkaart van zaktelefoon (G6607183);
2. 6 3 STK Simkaart van zaktelefoon (G6607188);
2. 6 4 STK Simkaart van zaktelefoon (G6607176);
2. 6 1 STK Telefoontoestel Apple (G6607171);
10. 3 STK Bon (G6607201).
Gelast de teruggaveaan [verdachte] van:
1 STK Telefoontoestel Xiaomi (G6607169).
Vorderingen tot schadevergoeding
Wijst de vordering van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] af.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.
Dit vonnis is gewezen door
mr. W.M.C. van den Berg, voorzitter,
mrs. H.E. Hoogendijk en L.F. Bögemann, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.L. Köhler, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 februari 2026.