ECLI:NL:RBAMS:2026:1321

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
25/5550
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.10.5 HvvArt. 2.10.8 HvvArt. 3 Nadere regels Huisvestingsverordening Amsterdam 2024
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag urgentieverklaring wegens ontbreken urgent huisvestingsprobleem

Eiseres, een alleenstaande moeder met twee kinderen, diende een aanvraag in voor een urgentieverklaring voor woningtoewijzing. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees deze aanvraag af op grond van de Huisvestingsverordening, omdat er geen sprake was van een urgent huisvestingsprobleem.

De rechtbank beoordeelde het beroep van eiseres tegen deze afwijzing. Eiseres stelde dat de problematiek van haar zoon en haar psychische klachten een medische urgentie rechtvaardigden. De rechtbank stelde vast dat het GGD-advies, waarin werd geconcludeerd dat de medische problematiek niet ernstig genoeg was voor urgentie, zorgvuldig was opgesteld en dat de problemen niet direct aan de woning gerelateerd zijn.

De rechtbank concludeerde dat het college de aanvraag terecht heeft afgewezen en dat de algemene weigeringsgrond van toepassing is. Het beroep is daarom ongegrond verklaard, en eiseres krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van de urgentieverklaring wegens het ontbreken van een urgent huisvestingsprobleem.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/5550

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. N. Velthorst),
en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, het college

(gemachtigde: mr. F.M.E. Schuttenhelm).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een urgentieverklaring. Deze aanvraag is door het college afgewezen omdat er sprake is van een algemene weigeringsgrond. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de aanvraag van eiseres voor een urgentieverklaring mocht afwijzen
.Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een urgentieverklaring. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 13 januari 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 15 augustus 2025 op het bezwaar van eiseres is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 19 januari 2026 op zitting behandeld bij de buurtrechtbank in Venserpolder. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college. Ook waren twee medewerkers van het Buurtteam aanwezig.

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Eiseres is een 44-jarige alleenstaande moeder. Eiseres heeft twee kinderen, een 17-jarige zoon en een 21-jarige dochter. Eiseres woont met haar zoon aan de [adres] . Dit is een tweekamerwoning van 53m2. De dochter van eiseres woont sinds 19 september 2023 in een woonlocatie van [organisatie] .
3.1.
Eiseres heeft in 2021 vanwege de medische problematiek van haar destijds inwonende (en toen nog minderjarige) dochter een urgentieverklaring verleend gekregen. Via directe bemiddeling kreeg eiseres begin 2023 een woningaanbod, maar zij moest dit aanbod weigeren omdat thuis een crisissituatie was ontstaan. Eiseres en het college hebben toen afgesproken om de urgentieverklaring van eiseres ‘on hold’ te zetten.
3.2.
In juni 2024 heeft eiseres aangegeven dat haar situatie stabiel was voor een nieuw woningaanbod. Dit aanbod kwam er niet omdat de dochter niet meer thuis woonde. De urgentieverklaring werd ingetrokken en eiseres heeft opnieuw een aanvraag ingediend voor een urgentieverklaring voor zichzelf en haar zoon. Gezien de omstandigheden heeft het college medisch advies gevraagd aan de GGD. De GGD heeft in het advies van
8 januari 2025 overwogen dat de medische problematiek van eiseres niet van dien aard en ernst is dat een medische woonurgentie te rechtvaardigen is. De problemen van de zoon van eiseres zijn niet direct aan de woning gerelateerd. Uit dit alles blijkt volgens de GGD dat er onvoldoende medische noodzaak is om te verhuizen.
3.3.
Het college heeft de aanvraag afgewezen op grond van artikel 2.10.5, vierde lid, in combinatie met artikel 2.10.8, eerste lid, onder b, van de Huisvestingsverordening (Hvv). Met het bestreden besluit heeft het college dat besluit gehandhaafd en aangevuld met een beroep op artikel 2.10.5, eerste lid, onder b, van de Hvv.

Beoordeling door de rechtbank

Wat is de rol van de rechter?

4. In onze democratische rechtstaat maken politici de wetten en regels. In dit geval gaat het om de Hvv, die is opgesteld door de gemeenteraad van Amsterdam. Het college voert de Hvv uit. De rechter controleert of het college in dit geval de regels goed heeft toegepast.
Geen urgent huisvestingsprobleem
5. Eiseres voert aan de algemene weigeringsgrond dat er geen urgent huisvestingsprobleem [1] is, niet van toepassing is. Het college miskent dat er sprake is van problematiek van de zoon van eiseres, waardoor het leven op een dergelijk klein oppervlak onhoudbaar is. Ook wordt eiseres in de woning steeds herinnerd aan nare gebeurtenissen die zich in de woning hebben afgespeeld.
5.1.
De rechtbank volgt het college in het standpunt dat geen sprake is van een urgent huisvestingsprobleem. Onder deze weigeringsgrond valt ook de situatie dat de huidige woning van de aanvrager te klein is. [2] Hoewel het geen gemakkelijke situatie is, hebben eiseres en haar zoon op dit moment een woning tot hun beschikking. Daarnaast heeft de GGD in haar advies de omstandigheden van eiseres en haar zoon meegewogen. Uit het advies volgt dat de (medische) problemen van eiseres en haar zoon niet direct aan de woning zijn gerelateerd. De rechtbank gaat hierna op dat advies in.
Medische urgentiecategorie
6. Eiseres voert aan dat zij tot de medische urgentiecategorie behoort. De psychische klachten van eiseres worden onderschat. De (medische) problemen van haar zoon zijn wel gerelateerd aan de woning. Eiseres heeft hierbij ook een verklaring van 7 januari 2026 van de forensisch orthopedagoog van [arts] overgelegd.
6.1.
Omdat eiseres een beroep heeft gedaan op de medische situatie van haarzelf en haar zoon heeft het college de GGD gevraagd advies uit te brengen. De GGD heeft in het advies van 8 januari 2025 overwogen dat de medische problematiek van eiseres niet van dien aard en ernst is dat een medische woonurgentie te rechtvaardigen is. Bij eiseres is vooral sprake van sociale problematiek. Uit de mondeling verkregen gegevens kwam geen medische problematiek naar voren, ook niet bij navraag. Wel gaf de huisarts lichte medische problemen aan, maar hiervoor is eiseres niet in specialistische behandeling. De (medische) problemen van de zoon van eiseres zijn niet direct aan de woning gerelateerd. Daarnaast heeft ambulante begeleiding en de behandeling van de zoon voor verbetering van de situatie gezorgd. Uit dit alles blijkt dat er onvoldoende medische noodzaak is om te verhuizen. Het is volgens de GGD begrijpelijk dat de situatie voor eiseres en haar zoon niet gemakkelijk is, maar dit vormt onvoldoende onderbouwing voor het toekennen van een medische urgentie.
6.2.
Op grond van vaste rechtspraak mag een bestuursorgaan bij de besluitvorming afgaan op het advies van een (medisch) deskundige als dat advies zorgvuldig tot stand gekomen is, inzichtelijk is en de conclusies kan dragen. [3]
6.3.
De rechtbank is van oordeel dat er geen aanleiding bestaat om aan te nemen dat het advies van de GGD op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. De overwegingen in het GGD-advies zijn goed te volgen. De door eiseres overgelegde verklaring van [arts] van 7 januari 2026 dateert van na het bestreden besluit. Uit de verklaring van [arts] blijkt niet dat eiseres en haar zoon al langdurig in behandeling zijn bij [arts] , maar dat deze behandelingen op 18 juli 2025 zijn gestart. Eiseres was tijdens de bezwaarprocedure nog maar kort in behandeling waardoor dit niet meegenomen kon worden in de besluitvorming.
6.4.
Verder is op zitting gebleken dat de zoon van eiseres op dit moment verblijft in een woon-zorgcomplex van Boomerang Zorg. Het is op zitting niet duidelijk geworden of zijn verblijf daar te maken heeft met de woning van eiseres zelf. Deze omstandigheid kon het college niet meenemen bij het nemen van het bestreden besluit.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.D. Arnold, rechter, in aanwezigheid van
mr.G. dos Santos 't Hoen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 2.10.5, eerste lid, onder b, van de Hvv.
2.Artikel 3, ad b), onder 2 van de Nadere regels Huisvestingsverordening Amsterdam 2024.
3.Zie de uitspraak van 8 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1581.