ECLI:NL:RBAMS:2026:1302

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
6 februari 2026
Zaaknummer
C/13/780505 / JR RK 25-936
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging uithuisplaatsing minderjarige bij netwerkpleeggezin met nader onderzoek

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige bij haar netwerkpleeggezin, de pleegmoeder die tevens haar halfzus is. De kinderrechter heeft de machtiging eerder beperkt tot verblijf bij de pleegmoeder tot 8 februari 2026. De GI verzoekt verlenging tot het einde van de ondertoezichtstelling.

Levvel Pleegzorg voerde een geschiktheidsonderzoek uit en concludeerde dat de pleegmoeder momenteel een veilige basis biedt, maar dat er op langere termijn risico’s zijn vanwege haar fysieke kwetsbaarheid en afhankelijkheid van haar netwerk. De Raad voor de Kinderbescherming gaf een tijdelijke Verklaring Geen Bezwaar af. De GI wil een ander pleeggezin zoeken, maar de kinderrechter vindt het onderzoek onvolledig en verlengt de machtiging voor drie maanden.

De kinderrechter stelt concrete vragen aan de GI en Levvel over de betrokkenheid en duurzaamheid van het netwerk, het opstellen van een borgingsplan bij uitval van de pleegmoeder, de woonruimte en de samenwerking met hulpverlening. De mondelinge behandeling wordt voortgezet op 1 mei 2026. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en hoger beroep is mogelijk.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing wordt verlengd voor drie maanden met nader onderzoek naar de geschiktheid van de plaatsing en het netwerk.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/13/780505 / JE RK 25-936
Datum uitspraak: 28 januari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een (verlenging) machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2025 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
Mevr. [de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat mr. W.P.A. Vos.
De kinderrechter merkt als informant aan:
Dhr. [de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] ,
[de pleegmoeder],
hierna te noemen de pleegmoeder,
wonende in [woonplaats 3] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de beschikking van 10 december 2025, die als hier herhaald en ingelast geldt;
  • het verzoek van de GI van 15 december 2025 tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing;
  • de schriftelijke updates van de GI van 20 en 27 januari 2026 met daarbij de uitkomst van de screening van de pleegmoeder door Levvel Pleegzorg (hierna: het geschiktheidsonderzoek) en het besluit van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 27 januari 2026 tot tijdelijke afgifte van de Verklaring Geen Bezwaar voor opname van [minderjarige] bij de pleegmoeder.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 28 januari 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat,
  • de vader;
  • de pleegmoeder vergezeld door haar persoonlijk begeleider,
- mevrouw [persoon 1] en [persoon 2] namens de GI.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2025.
2.2.
Bij beschikking van 8 augustus 2025 is de toen nog niet geboren [minderjarige] beschouwd als geboren, onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 8 augustus 2025 tot 8 augustus 2026 en is machtiging verleend tot haar uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 8 augustus 2025 tot 8 februari 2026.
Ten tijde van het wijzen van de beschikking was de moeder met een zorgmachtiging opgenomen op een gesloten afdeling van het Amsterdam UMC. Daarvoor woonde zij bij HVO Querido.
2.3.
Bij beschikking van 10 december 2025 is het verzoek van de moeder tot voorkoming van de door GI voorgenomen wijziging van de verblijfplaats van [minderjarige] , toegewezen. Voorts is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] beperkt tot het verblijf in het netwerkpleeggezin van de pleegmoeder tot 8 februari 2026. De pleegmoeder is de halfzus (dochter van haar vader) van [minderjarige] .

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de resterende duur van de ondertoezichtstelling, tot 8 augustus 2026, en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
In de situatie van [minderjarige] is weinig veranderd. Zij groeit goed en ontwikkelt zich naar haar kalenderleeftijd. Zij heeft alle vaccinaties gehad en bij de laatste controle in het AMC waren er geen bijzonderheden. De pleegmoeder is na de laatste mondelinge behandeling een aantal keren opgenomen geweest in verband met haar sikkelcelziekte en een longontsteking. Alle keren heeft de moeder van de pleegmoeder de zorg voor [minderjarige] op zich genomen.
3.3.
De intake voor de gezinsopname van de ouders vond plaats op 16 december 2025. De verwachting is niet dat het tot een gezinsopname komt. Het contact tussen de GI en de ouders is goed. De moeder ziet [minderjarige] wekelijks en begeleid. De vader ziet [minderjarige] ook wekelijks in aanwezigheid van de pleegmoeder. Er wordt gewerkt aan het contact tussen het broertje [naam] en [minderjarige] .
3.4.
Bij de mondelinge behandeling is het verzoek gehandhaafd. Levvel heeft een geschiktheidsonderzoek uitgevoerd, waarin wordt geconcludeerd dat de risicofactoren voor de plaatsing niet opwegen tegen de beschermende factoren. Levvel ziet daarom op dit moment onvoldoende grond voor pleegzorg. De Raad heeft naar aanleiding van het geschiktheidsonderzoek een tijdelijke Verklaring Geen Bezwaar afgegeven voor plaatsing bij de pleegmoeder, zodat in alle rust naar een geschikt bestandpleeggezin kan worden gezocht. De Raad vindt het niet wenselijk dat [minderjarige] nu weg zou moeten bij de pleegmoeder en dan mogelijk op een niet passende plek terecht zou komen. Daarbij heeft de Raad geen aanwijzingen dat het de pleegmoeder niet lukt voor [minderjarige] te zorgen. Die zorg ziet er volgens de Raad goed uit. De GI stelt gebonden te zijn aan de conclusies van Levvel en de tijdelijkheid van de Verklaring Geen Bezwaar van de Raad en zal daarom op zoek gaan naar een ander pleeggezin, niet zijnde een netwerkpleeggezin. Wel heeft de GI enige kanttekeningen geplaatst bij hetgeen door Levvel wordt beschreven. De pleegmoeder is sinds de laatste mondelinge behandeling wel voldoende open. De samenwerking verloopt nu goed en er is geen sprake meer van dat het maken en nakomen van afspraken moeizaam verloopt. Het klopt dat er een keer een conflict is geweest tussen de pleegmoeder en haar moeder, maar ook dit is al langere tijd geleden. Er bestaat geen bezwaar tegen een verlenging van de machtiging voor drie maanden voor nader onderzoek, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek.

4.Het standpunt van de moeder

4.1.
De moeder heeft verklaard dat zij de intake voor het gezinshuis moeilijk vond. Het is wel heel erg ver weg en ze wil daar niet zonder de vader heen. Aanstaande vrijdag krijgt zij haar eigen studio bij HVO Querido. Zij zal door HVO Querido worden begeleid.
4.2.
Namens de moeder is aangevoerd dat op de vorige zitting door de rechter duidelijk is overwogen dat bij de screening ook het netwerk en de familie moet worden betrokken. Daar is onvoldoende onderzoek naar gedaan door Levvel. Bij uitval van de pleegmoeder zou [minderjarige] bijvoorbeeld even kunnen logeren bij oma of bij tante en de oudere zoon van pleegmoeder zou ook even een oogje in het zeil kunnen houden. Als iemand bij Philadelphia woont, is dat meestal voor langere tijd. Het is niet realistisch te veronderstellen dat Philadelphia wegvalt. Er is dus geen reden om niet positief te adviseren over verblijf van [minderjarige] bij de pleegmoeder. Het in de screening aangehaalde rapport uit 2007 ziet op een situatie waarbij je wordt verzorgd door een gezonde ouder die plotseling ziek wordt. Dat is dus een andere situatie. Namens de moeder is verzocht de machtiging voor een beperkte duur te verlenen en een volledig geschiktheidsonderzoek te laten verrichten met een heroverweging door de Raad.

5.De beoordeling

5.1.
Op basis van de stukken en hetgeen bij de mondelinge behandeling naar voren is gekomen is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in het netwerkpleeggezin van de pleegmoeder noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [1] [minderjarige] kan niet bij de moeder geplaatst worden en een andere plaatsing dan die bij de pleegmoeder is op dit moment niet beschikbaar. Een overplaatsing zou op dit moment ook niet wenselijk zijn. [minderjarige] ontwikkelt zich goed bij de pleegmoeder, het contact met de ouders is goed en er is omgang tussen [minderjarige] en de ouders. Er is ook een omslag geweest naar een betere samenwerking tussen alle partijen. De kinderrechter zal de machtiging tot uithuisplaatsing voor verblijf bij de pleegmoeder daarom verlengen.
5.2.
Ten aanzien van de duur van de machtiging overweegt de kinderrechter het volgende. Levvel heeft geconstateerd dat de pleegmoeder op dit moment een veilige basis voor [minderjarige] biedt, maar heeft geconcludeerd dat er op de langere termijn teveel risico’s aan de plaatsing kleven. Op basis daarvan heeft de Raad slechts een tijdelijke verklaring van geen bezwaar afgegeven en heeft de GI aangegeven op zoek te gaan naar een passend bestandpleeggezin. Naar het oordeel van de kinderrechter laat het geschiktheidsonderzoek echter te veel vragen open om reeds nu te kunnen concluderen dat de plaatsing bij de pleegmoeder voor de langere termijn niet mogelijk is. Het onderzoek wijst uit dat de pleegmoeder [minderjarige] op dit moment een veilige leefomgeving biedt. De dagelijkse verzorging is op orde en er is aandacht voor rust en voorspelbaarheid. De pleegmoeder sluit aan bij de basisbehoeften van [minderjarige] en heeft aangegeven open te staan voor observatie en ondersteuning door professionals. Wel zien de onderzoekers risicofactoren, gelegen in de fysieke kwetsbaarheid van de pleegmoeder, haar afhankelijkheid van haar netwerk, haar woonsituatie en de vraag of zij in staat is zich te committeren aan alle verantwoordelijkheden en plichten die horen bij het netwerkpleegouderschap.
5.3.
De kinderrechter deelt de zorgen over de fysieke belastbaarheid van de pleegmoeder. De pleegmoeder heeft een chronische ziekte die maakt dat zij vaak moe is en regelmatig moet worden opgenomen in het ziekenhuis. Daar staat tegenover dat zij een stevig netwerk lijkt te hebben, zowel in de vorm van haar moeder, nicht en zus, als in professionele zin van Philadelphia. Daarnaast zijn Levvel en de GI betrokken. In het geschiktheidsonderzoek wordt overwogen dat er een duidelijk en concreet plan moet komen waarin wordt vastgelegd wie bij uitval verantwoordelijk is voor de zorg van [minderjarige] . Niet blijkt dat is gesproken met de moeder, zus en nicht van de pleegmoeder en/of Philadelphia of de GI om te onderzoeken of dit plan er is dan wel gemaakt kan worden en zo ja, of dit plan dan voldoende waarborg biedt voor de veiligheid van [minderjarige] . Voorts wordt gesteld dat er geen zicht is op hoe de plaatsing zou verlopen als er geen steun zou zijn vanuit het netwerk van de pleegmoeder of Philadelphia. Daarbij lijkt echter niet te zijn onderzocht in hoeverre dit scenario realistisch is. Er is geen aanleiding om te veronderstellen dat de steun vanuit Philadelphia weg zou vallen, terwijl ook het netwerk stevig verankerd lijkt in het leven van de pleegmoeder. Er is weliswaar één keer sprake geweest van een conflict tussen de pleegmoeder en haar moeder, maar de veiligheid van [minderjarige] is hierbij niet in het geding geweest. De pleegmoeder heeft bovendien twee eigen kinderen van 14 en 9 jaar oud waarover geen zorgen bestaan en lijkt dus in staat te zijn om langdurig de zorg over kinderen te dragen, al dan niet met ondersteuning. De kinderrechter is daarom van oordeel dat het geschiktheidsonderzoek onvolledig is geweest waar het de zorg over de ondersteuning van het netwerk betreft en de mogelijkheid om de veiligheid van [minderjarige] middels een veiligheidsplan te waarborgen.
5.4.
Ten aanzien van de woonruimte heeft Levvel geconcludeerd dat deze op dit moment voldoende is. Op langere termijn is het echter wenselijk dat [minderjarige] een eigen kamer krijgt. Op dit moment zou er geen perspectief zijn op een andere woning. Niet blijkt echter dat onderzocht is of er ook op langere termijn geen zicht is op een grotere woonruimte. De pleegmoeder heeft aangegeven op zoek te zijn naar een grotere woning. De kinderrechter onderschrijft de wenselijkheid daarvan. Tegelijkertijd is de woonruimte op dit moment voldoende en zal dat gelet op de leeftijd van [minderjarige] voorlopig zo blijven.
5.5.
Tot slot bestaan er zorgen over de mate waarin de pleegmoeder in staat zal blijken om een duurzame samenwerking met de hulpverlening aan te gaan. De kinderrechter kan zich deze zorgen voorstellen, met name gelet op de beginfase van de samenwerking. Tegelijkertijd is de samenwerking inmiddels sterk verbeterd en lijkt de pleegmoeder nu doordrongen van het feit dat die samenwerking essentieel is voor de plaatsing van [minderjarige] . Dat niet alle afspraken altijd door kunnen gaan in verband met haar ziekte, maakt niet dat van een duurzame samenwerking geen sprake kan zijn. De kinderrechter is van oordeel dat de conclusies omtrent de samenwerking gebaseerd lijken te zijn op verouderde informatie. Ook de GI heeft tijdens de mondelinge behandeling immers aangegeven dat de samenwerking nu veel beter verloopt. Bovendien maakt de plaatsing in het huidige netwerkpleeggezin ook dat de ouders van [minderjarige] de uithuisplaatsing accepteren en goed in samenwerking blijven. De kinderrechter vreest dat dit niet zo zal blijven wanneer [minderjarige] wordt overgeplaatst naar een bestandspleeggezin, waarmee het contact met haar biologische familie mogelijk zal verwateren. Ook dit aspect dient te worden betrokken bij de vraag naar welke plaatsing het meest in het belang van [minderjarige] is te achten.
5.6.
Gelet op het voorgaande bestaan er momenteel teveel vragen over de conclusies uit het geschiktheidsonderzoek en de daarmee samenhangende tijdelijke Verklaring Geen Bezwaar van de Raad om de uithuisplaatsing voor de duur van de ondertoezichtstelling te kunnen verlengen. De kinderrechter zal de uithuisplaatsing daarom verlengen voor de duur van drie maanden, en het resterende deel van de gevraagde machtiging aanhouden. De komende periode dient te worden benut om de vragen die zijn gerezen naar aanleiding van het geschiktheidsonderzoek te beantwoorden. Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat de GI na beantwoording van deze vragen aan de Raad voor de Kinderbescherming dient te vragen of er aanleiding is het standpunt over de (tijdelijkheid van de) Verklaring Geen Bezwaar te heroverwegen.
5.7.
De kinderrechter wenst – met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen -met name de volgende vragen beantwoord te zien:
  • Op welke wijze is het netwerk van de pleegmoeder (zowel de moeder, nicht en zus van de pleegmoeder als professioneel netwerk) in het geschiktheidsonderzoek betrokken?
  • Is het netwerk daadwerkelijk duurzaam beschikbaar en welke verantwoordelijkheden kunnen en willen de personen uit het netwerk dragen?
  • Kan op korte termijn een sluitend borgingsplan worden opgesteld waarin is vastgesteld wie bij uitval door ziekte van de pleegmoeder direct verantwoordelijkheid draagt voor de zorg van [minderjarige] , waarbij altijd een beschikbare volwassene wordt ingezet?
  • Is er zicht op het verkrijgen van een ruimere woning voor de pleegmoeder en zo ja, op welke termijn?
  • Wat wordt van de pleegmoeder verwacht in haar samenwerking met de hulpverlening en op welke wijze kan zij de zorgen die hierover bestaan wegnemen?
  • Is de nu bestaande acceptatie van de uithuisplaatsing door de biologische ouders en het mogelijk wegvallen daarvan in geval van overplaatsing betrokken bij de afweging over de geschiktheid van de huidige plaatsing?
  • Geeft de beantwoording van bovenstaande vragen aanleiding een ander standpunt in te nemen over de plaatsing van [minderjarige] bij de pleegmoeder en zo nee, waarom niet?
5.8.
Van de GI wordt verwacht deze vragen aan Levvel voor te leggen en nader onderzoek te laten doen. Ook moet door de GI aan de Raad gevraagd worden of de uitkomsten van dit nadere onderzoek aanleiding geven het eerder ingenomen standpunt over de Verklaring Geen Bezwaar te heroverwegen.
5.9.
De machtiging wordt voor drie maanden verlengd en de mondelinge behandeling zal worden voortgezet op
1 mei 2026 om 10:30 uur, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek.
5.10.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg in het netwerkpleeggezin bij de pleegmoeder tot 8 mei 2026;
6.2.
bepaalt dat de GI de vragen die hiervoor sub 5.7. zijn geformuleerd aan Levvel Pleegzorg dient voor te leggen, opdat nader onderzoek wordt gedaan, en vervolgens de Raad voor de Kinderbescherming naar aanleiding daarvan dient te verzoeken een nader standpunt in te nemen over de Verklaring Geen Bezwaar;
6.3.
bepaalt dat de mondelinge behandeling van het verzoek zal worden voortgezet op 1 mei 2026 om 10:30 uur op een zitting van mr. Devis. Voor die behandeling zal ook de Raad voor de Kinderbescherming worden opgeroepen. Van de GI wordt tijdig, dat wil zeggen uiterlijk een week van tevoren, een schriftelijke update verwacht;
6.4.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.5.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is mondeling gegeven door mr. E.M. Devis, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2026, in aanwezigheid van mr. W.C. van Lavieren als griffier.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 5 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.