Uitspraak
- de conclusie van antwoord in reconventie, met producties, van [eiseres] .
Rechtbank Amsterdam
Deze zaak betreft de vraag of de dochter de huurovereenkomst van haar overleden moeder met verhuurder Ymere mag voortzetten. Hoewel er sterke aanwijzingen zijn voor een duurzame gemeenschappelijke huishouding, kan dit in het midden blijven omdat de dochter geen huisvestingsvergunning heeft overgelegd, wat een vereiste is volgens artikel 7:268 lid 3 BW Pro.
De dochter stond sinds september 2020 ingeschreven op het adres van de sociale huurwoning en stelde dat zij met haar moeder een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerde. Ymere betwistte dit en wees op de afwijzingsgronden in de wet, met name het ontbreken van een huisvestingsvergunning. De kantonrechter oordeelde dat ondanks aanwijzingen voor een gemeenschappelijke huishouding, onvoldoende bewijs was voor duurzaamheid en dat het ontbreken van de vergunning doorslaggevend was.
De huurovereenkomst eindigde derhalve rechtsgeldig per eind april 2025. De vordering tot ontruiming door Ymere werd toegewezen met een termijn tot 1 mei 2026, waarbij rekening werd gehouden met de kwetsbaarheid van de dochter. De proceskosten werden aan de dochter opgelegd en uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De vordering tot voortzetting van de huur werd afgewezen en het meer of anders gevorderde werd eveneens afgewezen.
Uitkomst: De vordering tot voortzetting van de huurovereenkomst wordt afgewezen wegens het ontbreken van een huisvestingsvergunning en eiseres wordt veroordeeld tot ontruiming.