ECLI:NL:RBAMS:2026:1236

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
6 februari 2026
Zaaknummer
11272331 \ CV EXPL 24-10930
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:610b BWArt. 7:625 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling arbeidsomvang en betaling achterstallig loon bij contractswisseling schoonmaakbedrijf

Eiseres is sinds 1 oktober 2015 in dienst bij Anjer Schoonmaak & Bedrijfsdiensten B.V. en werkt onder de cao voor het schoonmaak- en glazenwassersbedrijf. Na een contractswisseling per 1 februari 2024 waarbij het werkobject werd overgenomen door Balans Schoonmaak- en Bedrijfsdiensten ontstond onenigheid over de omvang van het dienstverband en de betaling van loon.

Eiseres vordert een verklaring voor recht dat haar arbeidsomvang 20 uur per week bedraagt vanaf 1 januari 2020, en betaling van achterstallig loon over februari en maart 2024. Anjer betwist de vaste arbeidsduur van 20 uur en stelt dat de arbeidsduur wisselde afhankelijk van beschikbare objecten. De kantonrechter analyseert loonstroken en cao-bepalingen en concludeert dat de vermoedelijke arbeidsomvang 20 uur per week bedraagt vanaf 1 februari 2024.

Ten aanzien van het achterstallig loon oordeelt de kantonrechter dat Anjer onterecht uitging van een overgang naar Balans en daardoor loon niet correct heeft doorbetaald. De loonstroken zijn onduidelijk, maar het achterstallig loon wordt toegewezen op basis van de vermoedelijke arbeidsduur. Daarnaast wordt de wettelijke verhoging en rente toegekend vanwege de late betaling. Anjer wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten en het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De arbeidsomvang wordt vastgesteld op 20 uur per week vanaf 1 februari 2024 en Anjer wordt veroordeeld tot betaling van achterstallig loon over februari en maart 2024 met wettelijke verhoging en rente.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11272331 \ CV EXPL 24-10930
Vonnis van 20 januari 2026
in de zaak van
[eiseres],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. R.G.P. van Marle,
tegen
ANJER SCHOONMAAK & BEDRIJFSDIENSTEN B.V.,
gevestigd te Lijnden,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Anjer,
gemachtigde: mr. B. Santen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 12 november 2024
- de mondelinge behandeling van 18 februari 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling zijn door beide partijen nog stukken in het geding gebracht. [eiseres] is verschenen, bijgestaan door de gemachtige. Namens Anjer is [naam] , [naam functie] , verschenen, bijgestaan door de gemachtigde.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Anjer exploiteert een schoonmaakbedrijf werkzaam voor bedrijfsmatig gebruikte gebouwen en horeca (hotels).
2.2.
[eiseres] is op 1 oktober 2015 bij Anjer in dienst getreden. Op het dienstverband is de cao voor het schoonmaak- en glazenwassersbedrijf (hierna: de cao) van toepassing.
2.3.
Artikel 5.1 van de toepasselijke arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd van 17 februari 2017 luidt als volgt:

5.Salaris, vakantietoeslag
5.1.
Het bruto uurloon van de werknemer bedraagt (…) en de gewerkte dagen en uren worden maandelijks worden uitbetaald. Let op de dagen dat u niet hebt gewerkt worden niet uitbetaald.”
2.4.
Met ingang van 1 februari 2024 heeft Balans Schoonmaak- en bedrijfsdiensten (hierna: Balans) het object waar [eiseres] werkzaam was overgenomen. Artikel 38 van Pro de cao verplicht Balans om in het geval van een contractswisseling aan de werknemers die op het moment van de wisseling op het object werkzaam zijn een arbeidsovereenkomst aan te bieden als de werknemer aan een aantal vereisten voldoet, waaronder: “
De werknemer die op of na 1 januari 2012 nieuw in dienst is getreden (…) beschikt over een door de branche erkend diploma”.
2.5.
Op 22 januari 2024 heeft Balans aan [eiseres] het volgende bericht:

Ik heb bij jou aangegeven hoeveel uren wij beschikbaar hebben voor de locatie waar jij nu werkt. Dit is 1,5 uur minder dan jij nu hebt en jij hebt duidelijk aangegeven dat het niet mogelijk is in de uren die wij aanbieden. Jij ziet daarom af van de mogelijkheden die wij jou konden bieden. Omdat je ook niet overnameplichtig bent; je bent niet in het bezit van een schoonmaakdiploma en na 2012 gestart, houd jij recht op je contracturen bij Anjer. Zij dienen jou andere objecten aan te bieden zodat je je huidige contracturen kan blijven werken.
2.6.
Op 29 januari 2024 heeft Anjer aan [eiseres] het volgende bericht:

Zoals aangegeven in mijn vorige mail (…) kunnen wij u geen ander werk aanbieden en is het daarom van belang dat u het aanbod van Balans accepteert.”
2.7.
Op 9 februari 2024 heeft [eiseres] aan Anjer het volgende bericht:

Naar aanleiding van ons gesprek op kantoor heb ik vandaag contact opgenomen met Balans. (…) refereert Balans naar artikel 38 lid 2 van Pro het CAO. (…) Daarbij komt ook kijken dat op basis van artikel 38 lid 12 en Pro 13 dat ik nog steeds werkzaam ben bij jullie, lopende contract heb en dat er een oplossing moet worden gevonden voor een eventuele verplaatsing naar een andere werkplek in de omgeving. Hierbij geeft ik aan dan ik vanaf 1 februari geen werkzaamheden verricht, omdat er geen werk was/is. Ik was zelf wel sins 1 februari beschikbaar.”
2.8.
Op 28 februari 2024 heeft Anjer aan [eiseres] het volgende bericht:

Omdat u langer dan 1.5 jaar werkzaam bent op het desbetreffende object hoort balans u wel over te nemen. U kunt dit aangeven aan Balans.”
2.9.
Op 29 februari 2024 heeft [eiseres] aan Anjer het volgende bericht:

Nogmaals deze hele situatie heeft zich al uitgespeeld. Om alles duidelijk te maken heb ik geen ontslag genomen en neemt balans mij niet aan voor de uren die in mijn contract staat. Ik heb met een jurist deze situatie al helemaal uitgezocht en blijkt dat jullie mij verplicht nog werk moeten aanbieden. Omdat balans mij niet wilt aan nemen voor mij uren halen jullie jullie handen van deze situatie af. Nogmaals ik heb een onbepaalde dienst verband.”
2.10.
Op 12 maart 2024 heeft de gemachtigde van [eiseres] en Anjer gesommeerd om het loon door te betalen en daarbij gesteld: “
Cliënte is werkzaam voor Anjer voor onbepaalde tijd sinds 1 oktober 2018 en is laatstelijk werkzaam voor 20 uur per week (5 x 4 uur)”.
2.11.
Op 19 maart 2024 heeft Anjer aan [eiseres] met ingang van 1 april 2025 een nieuw object ( [naam object 1] ) aangeboden voor 15 uur in de week (5 x 3 uur).
2.12.
Op 29 maart 2024 heeft de gemachtigde van [eiseres] aan Anjer aangegeven dat zij aanspraak maakt op 20 uur werk per week en op betaling van het loon over februari en maart 2024.

3.Het geschil

3.1.
[eiseres] vordert - samengevat – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- een verklaring voor recht dat de omvang van de arbeidsovereenkomst per 1 januari 2020 20 uur per week omvat, althans vanaf een in goede justitie te bepalen datum;
- betaling van het salaris en de daarbij horende emolumenten over de maanden februari en maart 2024, zijnde € 2.581,58 bruto, te vermeerderen met de wettelijke verhogingen en wettelijke rente vanaf 1 februari 2024;
met veroordeling van Anjer in de kosten van deze procedure.
3.2.
Anjer voert verweer. Anjer concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] , met veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Arbeidsduur
4.1.
Anjer heeft betwist dat met [eiseres] een arbeidsduur van 20 uur per week is overeengekomen. Zij stelt dat de arbeidsduur wisselde in de loop van de tijd, afhankelijk van de beschikbare objecten. In de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van 1 oktober 2015 is sprake van een arbeidsduur van 12,5 uur (‘ [naam object 2] , maandag t/m vrijdag van 16:00 uur tot 18:30 uur’). In de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd van 7 februari 2017 is sprake van een arbeidsduur van 11,25 uur (‘ [naam object 2] , maandag t/m vrijdag van 16:00 uur tot 18:15 uur’). Met ingang van 6 januari 2020 is de arbeidsduur uitgebreid naar 21,25 uur (‘ [naam object 3] , ma. t/m vr. 2,00 manuur per keer’ en ‘ [naam object 2] , ma. t/m vr. 2,25 manuur per keer’). Met ingang van 1 januari 2021 is de arbeidsduur teruggebracht naar 10 uur (‘ [naam object 3] , ma. t/m vr. 2,00 manuur per keer’). Dat [eiseres] in 2020 en 2021 meer uren gewerkt heeft wordt door Anjer betwist. In januari 2024 zou [eiseres] 72 uur gewerkt hebben, wat 16,5 uur per week is. Nu [eiseres] haar stelling dat een arbeidsduur van 20 uur week in de week is overeengekomen niet heeft bewezen, is de gevraagde verklaring voor recht niet toewijsbaar, aldus Anjer.
4.2.
[eiseres] heeft voor de mondelinge behandeling alle loonstroken over de periode januari 2022 tot en met december 2023 overgelegd. Daaruit volgt dat in achttien maanden van deze periode er per gewerkte dag sprake is van 4 uur werktijd, en in de overige zes maanden is sprake van een aantal rond de 4 uur. Ook uit de loonstrook van januari 2024 volgt dat [eiseres] per gewerkte dag (72 : 18 =) 4 uur heeft gewerkt. Ook de door [eiseres] in januari 2024 opgenomen vier ‘vakantie snipper’ dagen worden op 4 uur per dag gewaardeerd. Daarnaast bevat de cao (zowel de in 2022-2024 als thans geldende versie) in artikel 13 lid 3 de Pro volgende bepaling “
b. een dienst zal minimaal 4 uur (…) per dag bedragen en er zal geen sprake zijn van gebroken diensten.” Niet gesteld of gebleken is dat hier een uitzondering op van toepassing is. Wel volgt uit het door [eiseres] samengestelde overzicht dat zij weliswaar
per gewerkte dagsteeds voor 4 uur is ingeroosterd, maar dat zij jaarlijks een
wisselend aantal dagen werkzaamis geweest: in 2022 236 dagen (inclusief ziekte dagen/bijz. verlof/’snipper vakantie’) van de 255 werkdagen en in 2023 217 dagen van de 254 werkdagen. Hiervoor heeft [eiseres] geen verklaring gegeven. Uitgaande van de door [eiseres] aangeleverde informatie is de gemiddelde arbeidsduur in 2022 ((949,56 uur : 255 werkdagen =) 3,72 uur x 5 werkdagen =) 18,6 uur per week en in 2023 ((867,56 uur : 254 werkdagen =) 3,41 uur x 5 werkdagen =) 17 uur per week geweest.
4.3.
Aannemelijk is dat partijen in het verleden, afhankelijk van het object, wisselende afspraken hebben gemaakt over de inroostering en het aantal uren per dienst. Na de invoering van Wet arbeidsmarkt in balans (per 1 januari 2020) geldt als uitgangspunt dat een werknemer in beginsel recht heeft op een contract met vaste uren. Partijen hebben voor de afgelopen jaren geen arbeidsduur vastgelegd. In artikel 7:610b van het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat indien een arbeidsovereenkomst ten minste drie maanden heeft geduurd, de bedongen arbeid in enige maand vermoed wordt een omvang te hebben gelijk aan de gemiddelde omvang van de arbeid per maand in de drie voorgaande maanden. Dit artikel is van dwingend recht. De periode direct voorafgaand aan het instellen van deze procedure is niet representatief, aangezien het object waar [eiseres] werkzaam was per 1 februari 2024 is overgegaan naar Balans en de procedure samenhangt met een discussie over de arbeidsduur voorafgaande aan deze overgang. [eiseres] beroept zich op de arbeidsduur die gold bij dat object. Als representatieve ‘drie voorafgaande maanden’-periode neemt de kantonrechter daarom de periode november 2023 tot en met januari 2024, waarin [eiseres] 224 uur heeft gewerkt en 16 uur vakantie heeft opgenomen in 60 werkdagen. Deze periode kent echter – volgens de door [eiseres] gebruikte rekentool – 63 werkdagen, zodat van 3 werkdagen onduidelijk is waarom op de dagen niet is gewerkt, en geen ziekte- of ander verlof is opgenomen. Uitgaande van 63 werkdagen zou de gemiddelde arbeidsduur over deze drie maanden uit op ((240 uur : 63 werkdagen=) 3,8 uur x 5 dagen =) 19 uur per week uitkomen. Hoewel een toelichting met betrekking tot deze drie dagen ontbreekt, staat dit naar het oordeel van de kantonrechter niet in de weg aan het aannemen van een vermoedelijke omvang van de arbeid van 20 uur per week. Immers, in deze drie maanden heeft [eiseres] op gewerkte dagen steeds 4 uur gewerkt, met betrekking tot de in die periode opgenomen ‘snipper vakantie’ dagen wordt door Anjer van 4 uur per dag uitgegaan en de toepasselijke cao bepaalt dat een dienst minimaal 4 uur (…) per dag zal bedragen.
4.4.
Het voorgaande leidt tot het oordeel dat de gevraagde verklaring voor recht uitgesproken kan worden met ingang van 1 februari 2024. Uit de door [eiseres] overgelegde arbeidsovereenkomsten volgt immers dat eerder, in 2020 en 2021, een andere arbeidsduur tussen partijen was overeengekomen, en door [eiseres] is niet aangetoond dat in die jaren méér uren gewerkt werden. Voor de jaren 2022 en 2023 is een arbeidsduur van 20 uur evenmin aangetoond zoals hierboven overwogen. Wel is door [eiseres] aangetoond dat zij op werkdagen in beginsel 4 uur werkte, waardoor bij een arbeidsduur van 20 uur per week sprake is van een verdeling daarvan over vijf dagen in de week.
Achterstallig loon
4.5.
[eiseres] heeft voorts betaling gevorderd van een salaris van € 1.290,79 bruto per maand. Daarbij gaat zij uit van de door haar gestelde arbeidsduur van 20 uur per week, waarin zij zoals hierboven is uiteengezet niet (volledig) gevolgd kan worden. Uit de loonstroken volgt tevens dat [eiseres] maandelijks geen vast bruto maandbedrag, maar een wisselend loon heeft ontvangen op basis van op een wisselend aantal dagen – inclusief ziekte dagen/bijz. verlof/’snipper vakantie’ – gewerkte uren. Dit roept vraagtekens op, maar door [eiseres] is hier slechts over gesteld dat zij Anjer gevraagd heeft om hier duidelijkheid over te geven, waar Anjer niet op is ingegaan.
4.6.
Dan resteert de vraag of over de maanden februari en maart 2024 nog achterstallig loon aan haar verschuldigd is. [eiseres] heeft in die maanden niet gewerkt omdat Anjer er – ten onrechte – van uit was gegaan dat [eiseres] per 1 februari 2024 naar Balans over zou gaan. Anjer heeft bij antwoord aangegeven dat aanvankelijk een eindafrekening per 1 februari 2024 was gemaakt, en heeft uiteengezet dat het met de eindafrekening in januari 2024 teveel betaalde met het loon voor maart 2024 is verrekend, en dat met betrekking tot het daarbij ‘vergeten’ loon voor februari 2024 op 21 oktober 2024 een nabetaling van € 796,54 netto heeft plaatsgevonden. Anjer heeft gecorrigeerde loonstroken en een betalingsbewijs overgelegd. [eiseres] heeft aangegeven dat deze loonstroken niet gevolgd kunnen worden, en dat uitgaande van een arbeidsduur van 20 uur per week nog steeds sprake is van achterstallig loon. Uit de gecorrigeerde loonstroken volgt dat Anjer daarbij uitgegaan is in februari 2024 van respectievelijk 52,50 gewerkte uren in 21 dagen (arbeidsduur 12,5 per week) en in maart 2024 van 60 ‘bijzonder verlof’-uren in 20 dagen (arbeidsduur 15 uur per week). De grondslag voor deze berekeningen is, zonder nadere uitleg welke ontbreekt, onbegrijpelijk. Zowel in februari (loonstrook op basis van gewerkte uren) als in maart heeft [eiseres] niet gewerkt, maart 2024 had 21 (in plaats van 20) werkdagen en de arbeidsduur in beide maanden verschilt van elkaar én van de uren die [eiseres] vóór 1 februari 2024 werkte. Wel kan uit de loonstroken opgemaakt worden dat de grondslag voor de loonberekening minder is geweest dan het aantal uren dat op grond van artikel 7:610b BW is vastgesteld. Aannemelijk is dan ook dat sprake is van achterstallig loon.
4.7.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de kantonrechter Anjer de vordering om het achterstallig loon over de maanden februari en maart 2024 te betalen zal toewijzen, met dien verstande dat daarbij uitgegaan moet worden van de vermoede arbeidsduur van 19 uur.
Wettelijke verhoging
4.8.
De wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7:625 BW Pro zal worden toegewezen. De kantonrechter ziet geen aanleiding om deze te matigen. Immers, de betaling van het loon over februari 2024 heeft pas in oktober 2024 – na het uitbrengen van de dagvaarding – plaatsgevonden en daarbij is nog steeds sprake van achterstallig loon. Tevens weegt mee dat het aan Anjer als werkgever is om aan een werknemer tijdig duidelijkheid te geven over haar rechtspositie, hetgeen Anjer heeft verzuimd waardoor deze procedure noodzakelijk werd.
Wettelijke rente
4.9.
De wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het achterstallige loon is gevorderd en wordt toegewezen vanaf 12 maart 2024. De wettelijke rente over de wettelijke verhoging, waarvan de verschuldigdheid pas is komen vast te staan met de uitspraak in deze procedure, wordt toegewezen vanaf 14 dagen na aanzegging tot betaling daarvan, om een onredelijke cumulatie van de wettelijke verhoging met de wettelijke rente te voorkomen.
Proceskosten
4.10.
Anjer is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eiseres] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal Anjer niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten
.De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- griffierecht
87,00
- salaris gemachtigde
408,00
(2 punten × € 204,00)
- nakosten
67,50
Totaal
562,50

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
verklaart voor recht dat de omvang van het dienstverband twintig uur per week, verdeeld over vijf dagen per week, bedraagt, met ingang van 1 februari 2024,
5.2.
veroordeelt Anjer tot betaling van het achterstallig loon over de maanden februari en maart 2024, te vermeerderen met vakantietoeslag en overige emolumenten, alsmede met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente over het achterstallig loon vanaf 12 maart 2024 en de wettelijke rente over de wettelijke verhoging als deze niet binnen 14 dagen na aanschrijving tot betaling daarvan zijn betaald,
5.3.
veroordeelt Anjer in de proceskosten van € 562,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
veroordeelt Anjer tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.P. Ploeger en in het bijzijn van de griffier in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2026.
60940