De rechtbank Amsterdam behandelde op 20 januari 2026 een ontnemingsvordering van de officier van justitie, ingediend op 2 maart 2010, gericht op het vaststellen en ontnemen van wederrechtelijk verkregen voordeel van bijna €60.000 aan veroordeelde. Deze vordering betrof feiten waarvoor veroordeelde in 2014 was veroordeeld voor medeplegen van oplichting.
De procedure kende een langdurige stilstand nadat in 2010 een verzoek werd gedaan om zeven getuigen te horen via de rechter-commissaris, waarna de zaak voor onbepaalde tijd werd aangehouden. Pas in 2026 werd de zaak opnieuw op de rol gezet, waarbij de officier van justitie zelf niet-ontvankelijkheid vorderde vanwege de ernstige overschrijding van de redelijke termijn.
De rechtbank oordeelde dat de termijnoverschrijding van ruim elf jaar niet alleen uitzonderlijk was, maar ook negatieve consequenties had voor de voortzetting van de procedure. De getuigen waren nog niet gehoord en het was onwaarschijnlijk dat zij na zo'n lange periode nog inhoudelijk konden verklaren. Dit zou een ernstige inbreuk vormen op het recht van veroordeelde op een eerlijk proces. Daarom werd de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in de ontnemingsvordering.