Op 5 oktober 2025 pleegde verdachte een diefstal bij een filiaal van een winkelbedrijf in Amsterdam, waarbij twee flessen wasmiddel en een stuk vlees ter waarde van 20,59 euro werden weggenomen. Verdachte bekende het feit tijdens de terechtzitting van 15 januari 2026. De rechtbank achtte het bewezen op basis van de aangifte van de winkel en de bekennende verklaring.
De officier van justitie vorderde een ISD-maatregel van twee jaar, omdat verdachte voldeed aan de harde en zachte criteria: hij was meerdere malen veroordeeld voor soortgelijke feiten, had een hoog recidiverisico, problematisch middelengebruik en geen recht op sociale voorzieningen. De reclassering en een deskundige bevestigden dat repatriëring naar Polen de beste kans biedt op terugdringing van recidive.
De verdediging verzocht primair om geen ISD-maatregel op te leggen en stelde voor een gevangenisstraf van tien maanden, waarvan zes voorwaardelijk, op te leggen zodat verdachte vrijwillig naar Polen kon terugkeren. Subsidiair werd een ISD-maatregel van één jaar gevraagd. De rechtbank verwierp deze verzoeken omdat er geen reëel alternatief is voor de ISD-maatregel en verdachte al eerder terugkeerde naar Nederland.
De rechtbank legde de ISD-maatregel voor de maximale duur van twee jaren op, zonder aftrek van voorarrest, met als doel recidive te beëindigen en de maatschappij te beschermen. De maatregel richt zich op hulp bij verslaving en begeleiding bij repatriëring. Het vonnis werd uitgesproken op 29 januari 2026 door de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam.