ECLI:NL:RBAMS:2026:111

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
14 januari 2026
Zaaknummer
25/1560
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 WvwArt. 21 Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen aanwijzing parkeerplaatsen voor opladen elektrische voertuigen

De zaak betreft een beroep van eiser tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam om twee parkeerplaatsen aan te wijzen voor het opladen van elektrische voertuigen. Eiser betwist de motivering van het besluit en voert onder meer aan dat de gehanteerde rekenmethode onjuist is en dat er sprake is van rechtsongelijkheid.

De rechtbank stelt vast dat verweerder het belang van het verkeersbesluit en de keuzes voor het realiseren van laadpunten voldoende en inzichtelijk heeft gemotiveerd. De bezettingsgraad van bestaande laadpalen is een indicator voor de locaties en het milieubelang weegt zwaarder dan het verlies aan parkeerplaatsen. De rechtbank oordeelt dat er geen sprake is van rechtsongelijkheid tussen elektrische en niet-elektrische rijders.

Verder wijst de rechtbank erop dat een beroepsgrond over het verkeersbord pas op de zitting is aangevoerd en niet tijdig is ingebracht, waardoor deze grond buiten beschouwing wordt gelaten wegens strijd met de goede procesorde. Het beroep wordt ongegrond verklaard en eiser krijgt geen vergoeding van het griffierecht.

Uitkomst: Het beroep tegen het aanwijzen van twee parkeerplaatsen voor het opladen van elektrische voertuigen wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/1560

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. C. Mulder).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de aanwijzing van twee parkeerplaatsen voor het opladen van elektrische voertuigen. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of verweerder de twee parkeerplaatsen heeft kunnen aanwijzen voor het opladen van elektrische voertuigen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat hetgeen eiser aanvoert onvoldoende is om te komen tot het oordeel dat verweerder niet tot het aanwijzen van twee parkeerplaatsen voor het opladen van elektrische voertuigen had kunnen besluiten. Het bestreden besluit houdt dus stand. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 25 september 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder twee parkeerplaatsen aangewezen voor het opladen van elektrische voertuigen aan de [adres] ter hoogte van huisnummer [huisnummer] . Op 27 september 2024 is het verkeersbesluit gepubliceerd in het [naam 2]. Tegen dit besluit is bezwaar gemaakt door eiser.
2.1.
Met het bestreden besluit van 12 februari 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder, onder aanvulling van de motivering, bij het primaire besluit gebleven.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 10 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van verweerder.

Overwegingen

Besluitvorming verweerder
3. [adres] [huisnummer] ligt in de buurt ' [naam 1] ' in stadsdeel West. Volgens verweerder bedraagt het aandeel laadpalen in deze buurt ten opzichte van het aantal openbare parkeerplekken 4,52%. In stadsdeel West geldt bij dit aandeel laadpalen een maximale piekbezettingsgraad van 50%. Deze maximale piekbezettingsgraad is in de zes maanden voorafgaand aan het primaire besluit gedurende 2150 uur overschreden. Daarom heeft verweerder besloten het laadnetwerk in deze buurt uit te breiden.
4. In het primaire besluit staat dat het besluit wordt genomen om de milieueffecten van verkeer te beperken. Dit belang wordt in artikel 2, tweede lid, sub a van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw) benoemd. Het doel dat met het verkeersbesluit wordt nagestreefd, is het stimuleren van elektrisch rijden om zo de luchtkwaliteit en leefomgeving in Amsterdam te verbeteren. Dit sluit aan bij de gemeentelijke ambitie dat al het verkeer binnen de Amsterdamse bebouwde kom in 2030 uitstootvrij rijdt. Voor het bereiken van dit doel is een openbaar netwerk van oplaadlocaties noodzakelijk. Het plaatsen van elektrische laadpalen is een noodzakelijke stap om het openbare laadnetwerk van de stad te vergroten. Verweerder ziet geen nadelige gevolgen van het verkeersbesluit die onevenredig zijn in verhouding tot de doelen die worden nagestreefd.
Standpunt eiser
5. Eiser voert samengevat het volgende aan. De rekenmethode die gehanteerd wordt bij uitbreiding van het laadnetwerk is volgens hem onjuist, omdat bij het bepalen van de bezettingsgraad van bestaande laadpalen ook 'laadpaalkleven' wordt gezien als bezetting. Eiser vindt dat er meer gehandhaafd zou moeten worden op laadpaalkleven. Als er beter wordt gehandhaafd, wordt de bezetting lager en zijn er minder laadpalen nodig. Daarnaast creëert verweerder volgens eiser rechtsongelijkheid tussen elektrische rijders en niet elektrische rijders. Elektrische rijders kunnen op alle parkeerplekken, zowel op reguliere plekken als op de laadplaatsen, parkeren terwijl niet-elektrische rijders enkel kunnen parkeren op reguliere plekken. Eiser heeft op de zitting aangegeven dat hij moeite heeft met het vinden van een parkeerplaats en dat hij daardoor regelmatig dertig minuten rondjes moet rijden om een parkeerplaats te vinden. Met het verdwijnen van nog twee parkeerplaatsen in zijn straat zal dat alleen maar erger worden. Verder heeft eiser op de zitting aangevoerd dat in het besluit niet het juiste verkeersbord wordt genoemd. In het besluit staat dat er een E8 bord geplaatst gaat worden. Dit bord geeft volgens eiser aan dat personenauto’s er mogen parkeren. Volgens eiser kan dat verkeersverbod niet worden ingeperkt met een onderbord. Verweerder had een E8c moeten hanteren dat specifiek ziet op elektrische voertuigen of een algemeen E4 bord waar wel een onderbord bij geplaatst kan worden.
5.1.
De beroepsgrond dat niet voldaan is aan de door de gemeente gehanteerde uitgangspunten voor het plaatsen van een laadpaal heeft eiser ter zitting ingetrokken.
Beoordeling door de rechtbank
Het juridisch kader
6. Artikel 21 van Pro het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer bepaalt dat de motivering van een verkeersbesluit in ieder geval vermeldt welke doelstelling of doelstellingen met het verkeersbesluit worden beoogd. Daarbij wordt aangegeven welke van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de Wvw genoemde belangen ten grondslag liggen aan het verkeersbesluit. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) komt een bestuursorgaan bij het nemen van een verkeersbesluit beoordelingsruimte toe bij de uitleg van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de Wvw genoemde begrippen en belangen. De rechter toetst of het bestuursorgaan geen onredelijk gebruik heeft gemaakt van die beoordelingsruimte. Nadat het bestuursorgaan heeft vastgesteld welke verkeersbelangen in welke mate naar zijn oordeel bij het besluit dienen te worden betrokken, moet het die belangen tegen elkaar afwegen. Daarbij dient ook beoordeeld te worden of een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van het verkeersbesluit ervaren die onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Voldoende is dat met het verkeersbesluit de eraan ten grondslag gelegde belangen worden gediend en dat inzichtelijk is gemaakt op welke wijze deze belangen tegen elkaar zijn afgewogen. Verweerder hoeft niet de absolute noodzaak van een verkeersbesluit aan te tonen.
Datagestuurde uitbreiding
7. Uit de besluitvorming van verweerder volgt dat de gemeente Amsterdam elektrisch vervoer stimuleert en inzet op uitbreiding van de laadinfrastructuur, omdat elektrisch vervoer bijdraagt aan het verbeteren van de luchtkwaliteit in Amsterdam en aan het beperken van de milieueffecten van verkeer. Daarvoor is een openbaar netwerk van oplaadlocaties noodzakelijk en dit gebeurt door het aanwijzen en aanleggen van laadplekken voor elektrische voertuigen in Amsterdam.
7.1.
Voorts blijkt uit de besluitvorming dat de gemeente Amsterdam de volgende uitgangspunten hanteert bij een datagestuurde uitbreiding:
1. Volgens prognose moeten 18.000 publieke laadpunten gerealiseerd zijn in 2030 (Laad Me, 2010) waarbij de bezettingsgraden van bestaande laadpunten een indicator zijn voor de locatie van bij te plaatsen laadpunten.
2. Om deze prognose te halen worden 20 tot 30 laadlocaties per week in
realisatie gebracht, op basis van bezettingsgraden van bestaande laadpunten over de afgelopen zes maanden. Daarbij wordt gekozen uit een lijst potentiële laadlocaties in de buurt van bestaande laadpunten met de hoogste gemiddelde bezettingsgraden.
3. Er wordt bij het opstellen van deze lijst op CBS buurtniveau gekeken, omdat deze indeling van buurten geen overlap geeft met de indeling van parkeervergunningsgebieden. Daarnaast bestaan er in een buurt redelijke loopafstanden tot een laadpunt, waardoor de spreiding en loopafstand zo optimaal mogelijk is.
4. Er wordt gekeken naar het drukste moment van de dag, omdat er voor de elektrische rijder ook op dat moment een vrij laadpunt in de buurt beschikbaar moet zijn.
Ten aanzien van het fenomeen laadpaalkleven heeft verweerder ter zitting toegelicht dat zij daarmee bekend is. Voertuigen staan soms langer aan de laadpaal dan nodig, waardoor andere elektrische voertuigen niet kunnen laden. In het beleid van verweerder, het strategische plan laadinfrastructuur 2020-2030 ‘Laad me’ [1] , staat daarover opgenomen dat er de mogelijkheid is om laadpaalkleven te ontmoedigen met een zogenaamd ‘connectietarief’. Daarbij wordt na de laadsessie een bedrag in rekening gebracht als het voertuig wel aangesloten is, maar het laadproces al is voltooid. Volgens verweerder is het laadpaalkleven op dit moment echter nog geen groot probleem en is het nog niet nodig om daar maatregelen tegen te treffen.
7.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder het belang van het verkeersbesluit en de keuzes voor het realiseren van laadpunten waarbij de bezettingsgraad een indicator is voor de locaties, voldoende en inzichtelijk heeft gemotiveerd.
Rechtsongelijkheid en belangenafweging
9. Het plaatsen van laadpalen gaat ten koste van parkeerplekken. Verweerder onderkent dit. De rechtbank is van oordeel dat dit geen rechtsongelijkheid met zich mee brengt. Niet alleen bestuurders van niet-elektrische voertuigen, maar ook bestuurders van elektrische voertuigen hebben namelijk te maken met het verlies aan parkeerruimte. Dit komt omdat de plekken bij een laadpaal geen parkeerplaatsen zijn maar oplaadplaatsen. Wat parkeermogelijkheden betreft is er dus geen rechtsongelijkheid gecreëerd tussen niet-elektrische en elektrische voertuigen. Daarbij betrekt de rechtbank dat laadpaalkleven de aandacht van verweerder heeft en op dit moment niet zo vaak gebeurt, dat daartegen opgetreden moet worden.
10. Voor verweerder weegt het milieubelang en het ontwikkelen van een opbaar laadnetwerk zwaarder dan het verlies aan parkeergelegenheid. De rechtbank is van oordeel dat verweerder geen onjuiste belangenafweging heeft gemaakt en het milieubelang zwaarder heeft mogen laten wegen dan het belang van het in stand houden van parkeerplaatsen. Ook ziet de rechtbank in hetgeen eiser aanvoert geen aanknopingspunten voor het oordeel dat eiser onevenredig in zijn belangen is benadeeld door het plaatsen van de laadpaal in de straat waar hij woont. Het treffen van een verkeersmaatregel is een normale maatschappelijke ontwikkeling waarmee een ieder kan worden geconfronteerd. De rechtbank begrijpt dat eiser het niet eens is met het beleid dat verweerder voert en het aantal laadpalen dat wordt geplaatst, maar verweerder heeft in dat kader een ruime mate van beleidsvrijheid.
Verkeersbord
11. De rechtbank stelt vast dat eiser de beroepsgrond over het verkeersbord pas op de zitting voor het eerst heeft aangevoerd. In het beroepschrift staat hier niets over. De gemachtigde van verweerder heeft op de zitting aangegeven dat zij op dat moment niet inhoudelijk op de grond kon reageren en daarover navraag zou moeten doen.
De rechtbank overweegt dat het belangrijk is om nieuwe gronden tijdig naar voren te brengen. Dit draagt bij aan een tijdige afbakening van het geschil en aan een zorgvuldig, doelmatig en efficiënt gebruik van de beroepsprocedure. Het in een later stadium aanvoeren van aanvullende gronden in beroep kan afstuiten op de eisen van een goede procesorde omdat de andere partij te weinig tijd heeft om inhoudelijk erop te kunnen reageren. [2]
11.1.
Aangezien eiser zijn beroepsgrond over een onjuist verkeersbord pas op de zitting naar voren heeft gebracht en dit ook niet nader heeft onderbouwd, heeft verweerder daar geen adequate reactie op kunnen geven. Om die reden kan de rechtbank deze beroepsgrond van eiser niet goed beoordelen. De rechtbank laat deze grond daarom buiten beschouwing wegens strijd met de goede procesorde.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond. Omdat eiser geen gelijk krijgt bestaat er geen aanleiding voor een vergoeding van het griffierecht.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. van Haeften, rechter, in aanwezigheid van
mr.C. Simonis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie pagina 34 onder het kopje ‘Hoe gaan we om met laadpaalkleven?’.
2.Zie de uitspraak van de Afdeling van 9 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:363.