In deze zaak vordert de werknemer betaling van loon vanaf 1 november 2025, vergoeding van visumkosten, achterstallig salaris, buitengerechtelijke kosten en proceskosten. De werknemer was sinds 1 augustus 2022 in dienst bij Bellingcat op basis van arbeidsovereenkomsten onder Nederlands recht, die telkens voor een jaar werden verlengd. Na 31 juli 2025 bleef de werknemer zijn werkzaamheden verrichten, waarna Bellingcat een concept arbeidsovereenkomst met Engels recht aanbood, maar deze werd niet ondertekend.
De kantonrechter stelt vast dat Nederlands recht van toepassing is op de arbeidsovereenkomst, omdat partijen dit expliciet hadden gekozen en er geen geldige wijziging van rechtskeuze is overeengekomen. De opzegging door Bellingcat per 31 oktober 2025 wordt voorlopig als niet rechtsgeldig beoordeeld, omdat geen toestemming van het UWV is verkregen en er geen dringende reden was.
De vorderingen tot loonbetaling vanaf 1 november 2025, vergoeding van visumkosten en achterstallig salaris tot 1 november 2025 worden toegewezen, inclusief wettelijke verhogingen en rente voor de maanden november en december 2025. De inhouding van € 1.200 voor bedrijfseigendommen wordt onterecht geacht. Ook de buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten worden aan de werknemer toegewezen.
Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde is afgewezen.