Op 19 maart 2022 vond een incident plaats waarbij verdachte werd beschuldigd van seksueel binnendringen van het slachtoffer terwijl zij in een staat van verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde. De rechtbank heeft het bewijs onderzocht, waaronder verklaringen van het slachtoffer, verdachte, getuigen en WhatsApp-berichten.
De officier van justitie stelde dat het slachtoffer behoorlijk dronken was en dat verdachte hiervan op de hoogte was, wat het ten laste gelegde feit zou bewijzen. De verdediging betoogde dat er onvoldoende bewijs was dat het slachtoffer in een staat van verminderd bewustzijn verkeerde en dat verdachte dit wist.
De rechtbank oordeelde dat hoewel het slachtoffer dronken was, zij nog steeds in staat was tot actieve handelingen zoals praten, fietsen en communiceren via WhatsApp. Hierdoor kon niet worden vastgesteld dat zij in een staat verkeerde die haar vrije wilsvorming uitsloot. Daarom werd verdachte vrijgesproken van het ten laste gelegde feit.
De vordering van het slachtoffer tot schadevergoeding werd niet-ontvankelijk verklaard vanwege de vrijspraak. Beide partijen dragen hun eigen proceskosten.
Het vonnis werd uitgesproken door de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam op 3 februari 2026.