ECLI:NL:RBAMS:2026:1055

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
4 februari 2026
Zaaknummer
11769452 \ CV EXPL 25-8944
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 157 lid 1 RvArt. 151 lid 2 RvArt. 477a lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nietigheid derdenbeslag wegens ontbreken derdenverklaring en onduidelijkheid exploot

Het CAK heeft een vordering op een werknemer van IBC en heeft executoriaal loonbeslag gelegd bij IBC. IBC betwist dat het beslag rechtsgeldig is gelegd, omdat zij geen exploot heeft ontvangen en twijfels heeft over de authenticiteit van het exploot. Het CAK stelt dat het beslag geldig is en dat IBC verplicht is een derdenverklaring af te leggen.

De kantonrechter oordeelt dat het exploot dwingend bewijs oplevert dat het beslag is gelegd, en dat IBC dit onvoldoende heeft ontzenuwd. IBC heeft alsnog een derdenverklaring afgelegd waaruit blijkt dat na aftrek van de beslagvrije voet geen bedrag aan het CAK verschuldigd is, waardoor het beslag geen doel heeft getroffen.

De vordering van het CAK tot betaling wordt afgewezen. De buitengerechtelijke incassokosten worden eveneens afgewezen vanwege onvoldoende onderbouwing. De proceskosten worden gecompenseerd, zodat iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: De vorderingen van het CAK worden afgewezen en de proceskosten worden gecompenseerd.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11769452 \ CV EXPL 25-8944
Vonnis van 13 januari 2026
in de zaak van
DE PUBLIEKRECHTELIJKE RECHTSPERSOON HET CAK,
gevestigd te 's-Gravenhage,
eisende partij,
hierna te noemen: het CAK,
gemachtigde: Inkassier Gerechtsdeurwaarders & Incasso,
tegen
DE BESLOTEN VENNOOTSCHAP IBC EUROPE B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: IBC,
vertegenwoordigd door haar [functienaam] [naam 1] .

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 22 juli 2025 met de daarin genoemde stukken,
- de mondelinge behandeling van 16 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Op de mondelinge behandeling is namens het CAK verschenen [naam 2] (werkzaam bij de deurwaarder) en namens IBC haar [functienaam] [naam 1] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Het CAK heeft een vordering op mevrouw [naam 3] en heeft daarvoor een dwangbevel uitgevaardigd. De totale schuld van [naam 3] bedraagt € 646,56.
2.2.
Het CAK heeft inkomensgegevens opgevraagd om beslag te leggen op de inkomsten van [naam 3] . Uit die gegevens bleek dat [naam 3] werkzaam was bij IBC.
2.3.
Het CAK heeft IBC op 10 juni 2025 gedagvaard. In de dagvaarding staat dat zij ten laste van [naam 3] bij deurwaardersexploot van 11 juni 2024 executoriaal loonbeslag heeft gelegd onder IBC.
2.4.
IBC heeft vervolgens contact opgenomen met de gemachtigde van het CAK en aangegeven dat zij niet op de hoogte is van het beslag.

3.Het geschil

3.1.
Het CAK vordert, samengevat weergegeven,
  • primair: IBC te veroordelen tot betaling van € 646,56,
  • subsidiair: IBC te veroordelen tot nakoming van haar verplichtingen als derde-beslagene, daarvan bewijs te leveren en de gelden die door het beslag getroffen zijn alsnog af te dragen, en als IBC daaraan niet voldoet haar te veroordelen tot vervangende schadevergoeding ter hoogte van € 646,56,
  • primair en subsidiair: IBC te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten.
3.2.
Het CAK legt aan haar vorderingen het volgende ten grondslag. Het CAK heeft executoriaal loonbeslag gelegd onder IBC. IBC heeft echter nagelaten een derdenverklaring te doen. Hierdoor weet het CAK niet wat IBC aan haar had moeten afdragen. Het CAK is daarom op grond van artikel 477a lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) gerechtigd om de openstaande schuld van [naam 3] geheel op IBC te verhalen alsof zij de schuldenaar is. Voor het geval IBC alsnog een verklaring doet, vordert het CAK subsidiair dat IBC veroordeeld wordt tot betaling van hetgeen IBC conform die verklaring moet afdragen.
3.3.
IBC betwist dat het beslag rechtsgeldig is gelegd, omdat zij geen exploot heeft ontvangen. Het bij dagvaarding overgelegde exploot roept bij IBC ook vragen op. Zo bevreemdt het haar dat voorgedrukt staat dat het afschrift aan [naam 1 initiaal 1] [naam 1] in persoon is gelaten, omdat dit normaal gezien handmatig wordt gedaan. Ook ontbreken er twee voorletters van [naam 1] . Bovendien is het onwaarschijnlijk dat [naam 1] het exploot heeft ontvangen, omdat hij de [functienaam] is en zijn kantoor ver van de ingang af zit. Daarnaast heeft IBC als uitzendbureau regelmatig met loonbeslagen te maken en verwerkt zij deze altijd. IBC heeft er ook geen belang bij om dit niet te doen. Dat het beslag niet is gelegd wordt ook bevestigd door het feit dat IBC direct na ontvangst van de dagvaarding contact heeft opgenomen met het CAK. IBC betwist aanmaningen te hebben ontvangen en zij maakt aanspraak op vergoeding van de proceskosten.

4.De beoordeling

4.1.
De eerste vraag die moet worden beantwoord is of het derdenbeslag geldig is gelegd. Een deurwaardersexploot levert op grond van artikel 157 lid 1 Rv Pro tegen een ieder dwingend bewijs op van hetgeen de deurwaarder daarin binnen de kring van zijn bevoegdheid omtrent zijn waarnemingen en verrichtingen heeft verklaard, zulks behoudens tegenbewijs (artikel 151 lid 2 Rv Pro). De mededeling in het exploot, dat de deurwaarder een afschrift van het origineel heeft gelaten aan [naam 1 initiaal 2] [naam 1] in persoon, wordt door de deurwaarder gedaan binnen de kring van zijn bevoegdheid en heeft daarom dwingende bewijskracht. Dat betekent dat verondersteld wordt dat het exploot ook daadwerkelijk aan [naam 1] in persoon is overhandigd. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft IBC dit onvoldoende ontzenuwd. IBC heeft gewezen op de voorgedrukte tekst in het exploot, maar het CAK heeft ter zitting toegelicht dat dit komt door de digitalisering van het proces; de deurwaarder laat een papieren afschrift met de handgeschreven tekst achter aan de derde beslagene, terwijl de bij dagvaarding overgelegde digitale kopie ter plekke door de deurwaarder wordt ingevuld en ondertekend op een tablet. Verder heeft IBC weliswaar aangevoerd dat het onwaarschijnlijk is dat het exploot aan [naam 1] zou zijn gelaten, maar ter zitting heeft [naam 1] desgevraagd verklaard dat hij wel eens exploten heeft aangenomen. Uitgesloten is dat dus niet. De kantonrechter neemt van IBC aan dat zij normaal gesproken alle loonbeslagen verwerkt en dat zij geen belang heeft om dat niet te doen, maar dat sluit de mogelijkheid niet uit dat het beslag dit keer toch niet is verwerkt. Het enkele feit dat twee voorletters van [naam 1] op het exploot ontbreken, is ook onvoldoende om de stelling van het CAK dat rechtsgeldig beslag is gelegd te ontzenuwen.
4.2.
In rechte moet het er daarom voor worden gehouden dat er derdenbeslag is gelegd en dat IBC ten onrechte geen derdenverklaring heeft gedaan. Het CAK heeft vervolgens op grond van artikel 477a lid 1 Rv primair de veroordeling van IBC gevorderd tot betaling van het bedrag waarvoor het beslag is gelegd. Een dergelijke veroordeling kan worden voorkomen door alsnog een derdenverklaring af te leggen in de procedure (de zogenoemde gerechtelijke verklaring). Dat heeft IBC gedaan door ter zitting te verklaren welke loonbetalingen zij heeft gedaan in de periode vanaf de beslagdatum tot de uitdiensttreding van [naam 3] . Partijen hebben vervolgens ter zitting gezamenlijk geconstateerd dat na aftrek van de beslagvrije voet IBC niets aan het CAK verschuldigd zou zijn geweest, zodat de kantonrechter daarvan uitgaat. Dat betekent dat het beslag geen doel heeft getroffen en het CAK geen schade heeft geleden. Daarom worden de vorderingen van het CAK voor dat deel afgewezen, en blijft alleen het gedeelte dat betrekking heeft op de kosten nog ter beoordeling over.
4.3.
Ten aanzien van de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten overweegt de kantonrechter het volgende. IBC heeft gemotiveerd betwist dat zij aanmaningen heeft ontvangen. Het CAK heeft niet weersproken dat het e-mailadres waarnaar de aanmaningen zijn gezonden, niet van IBC is en het CAK heeft ook onvoldoende toegelicht hoe zij aan dat e-mailadres komt. Verder heeft CAK weliswaar gesteld dat zij ten minste één van de brieven per post heeft gezonden, maar zij heeft nagelaten dit te onderbouwen. Dat het CAK buitengerechtelijke incassowerkzaamheden heeft verricht die voor vergoeding in aanmerking komen, heeft het CAK onvoldoende onderbouwd. De vordering wordt dan ook afgewezen.
4.4.
De kantonrechter overweegt met betrekking tot de proceskosten tot slot het volgende. Op grond van artikel 477a Rv komen deze kosten in principe voor rekening van IBC. IBC heeft immers geen derdenverklaring afgelegd waardoor het CAK een procedure is gestart. Echter, zoals hiervoor is overwogen, is niet komen vast te staan dat het CAK IBC heeft aangemaand. Daarnaast heeft IBC direct na ontvangst van de dagvaarding contact gezocht met het CAK en toegelicht dat zij niet met het beslag bekend was, terwijl de gemachtigde van CAK vervolgens geen poging heeft gedaan om alsnog tot een oplossing buiten rechte te komen. Gelet hierop ziet de kantonrechter aanleiding om de kosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van het CAK af,
5.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M.B. Cramwinckel en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2026.
58984