ECLI:NL:RBAMS:2026:104

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
25-027458
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot uitkering van ontnemingsmaatregel aan benadeelde partij

Op 13 januari 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een verzoek op grond van artikel 6:6:26 van het Wetboek van Strafvordering. Dit verzoek was ingediend door een derde, hierna aangeduid als verzoekster, die aanspraak maakte op de reeds geïncasseerde en nog te incasseren gelden uit hoofde van een ontnemingsmaatregel die was opgelegd aan de veroordeelde. De ontnemingsmaatregel, opgelegd door het Gerechtshof Amsterdam op 27 mei 2021, verplichtte de veroordeelde tot betaling van een bedrag van € 1.289.628,16 aan de Staat. De rechtbank ontving het verzoekschrift op 24 oktober 2025 en heeft het verzoek op 16 december 2025 behandeld. Tijdens de zitting waren de advocaten van verzoekster, mr. N.M.D. van der Aa en mr. P.M. Oldhoff, aanwezig, evenals de officieren van justitie mr. M.J. Dontje en mr. E. Duijts, en de veroordeelde met zijn advocaat mr. J.W. Verhoef.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de verzoekster zich niet als benadeelde partij heeft gevoegd in de strafzaak tegen de veroordeelde, maar dat zij wel als benadeelde kan worden aangemerkt in deze ontnemingsprocedure. De rechtbank oordeelde dat de verzoekster recht heeft op de uitkering van de ontnemingsgelden, aangezien het wederrechtelijk verkregen voordeel van de veroordeelde grotendeels afkomstig was van benadeling van de verzoekster. De rechtbank heeft daarom besloten het verzoek tot uitkering van de reeds geïncasseerde en nog te incasseren gelden aan verzoekster toe te wijzen, tot een bedrag van € 1.284.628,16.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Strafrecht
Zittingsplaats Amsterdam
raadkamernummer : 25-027458
parketnummer : 13-520094-09
Hofnummer : 23-002093-17
datum : 13 januari 2026
beslissing van de meervoudige kamer op het verzoek op grond van artikel 6:6:26 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[verzoekster] ,

gevestigd te [adres] ,
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. N.M.D. van der Aa en mr. P.M. Oldhoff, advocaten te Amsterdam, Amstelveenseweg 638, 1081 JJ Amsterdam,
verder te noemen: verzoekster.

Procedure

Het verzoekschrift is op 24 oktober 2025 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
Het Openbaar Ministerie heeft op voorhand zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.
De rechtbank heeft op 16 december 2025 het verzoek op de openbare zitting behandeld.
Namens de verzoekster zijn verschenen mr. N.M.D. van der Aa en mr. P.M. Oldhoff, advocaten, en D. Mesquita.
Namens het Openbaar Ministerie zijn verschenen de officieren van justitie mr. M.J. Dontje en mr. E. Duijts.
Daarnaast is als belanghebbende verschenen en in de gelegenheid gesteld het woord te voeren: [veroordeelde] (hierna: veroordeelde) en zijn advocaat mr. J.W. Verhoef.

Feiten

Het gerechtshof Amsterdam heeft aan de veroordeelde [veroordeelde] bij arrest van
27 mei 2021 een ontnemingsmaatregel opgelegd, inhoudende de verplichting tot betaling aan de Staat van € 1.289.628,16. Deze ontnemingsmaatregel is op 7 juni 2022 onherroepelijk geworden.
Het openstaande bedrag van de ontnemingsmaatregel bedraagt per 8 december 2025
€ 1.244.578,16.

Inhoud verzoek

Het verzoekschrift strekt ertoe dat de rechtbank zal bevelen dat het bedrag van
€ 1.284.628,16 van ontvangen gelden en nog te ontvangen gelden ter betaling van de opgelegde ontnemingsmaatregel aan veroordeelde aan verzoekster [verzoekster] zal worden uitgekeerd. Verzoekster plaatst haar verzoek in het licht van de vermogensschade die zij door toedoen van veroordeelde heeft geleden. Middels dit verzoek hoopt de verzoekster een deel van haar schade, toegedaan door veroordeelde, alsnog vergoed te zien door het bedrag uit het ontnemingsarrest te ontvangen.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat in de ontnemingsprocedure feitelijk is vastgesteld dat veroordeelde voordeel heeft behaald, welk voordeel correspondeert met het nadeel van de verzoekster. Het Openbaar Ministerie kan instemmen met uitbetaling aan de verzoekster door het CJIB van het geïncasseerde en nog te incasseren bedrag op de ontnemingsmaatregel die is opgelegd aan veroordeelde ter hoogte van € 1.284.628,16.

Beoordeling

Op grond van artikel 6:6:26 Sv kan de rechter die de betalingsverplichting heeft opgelegd op schriftelijk en gemotiveerd verzoek van een derde benadeelde de veroordeelde het vastgestelde bedrag verminderen of kwijtschelden of bevelen dat een reeds betaald of verhaald bedrag geheel of gedeeltelijk wordt teruggegeven of aan een derde wordt uitgekeerd.
Aan de veroordeelde is bij arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 27 mei 2021 de verplichting opgelegd tot betaling van € 1.284.628,16 aan de Staat ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel.
Uit de schriftelijke toelichting van het CJIB van 13 februari 2025 blijkt dat het openstaande bedrag op dat moment € 1.263.478,16 bedraagt. De executie van de ontnemingsmaatregel is inmiddels ter uitvoering overgedragen aan de deurwaarder. In de aanvulling op voornoemde zaakcommentaar heeft het CJIB op 8 december 2025 laten weten dat er ondanks een actief vermogensonderzoek sinds 13 februari 2025 geen nieuwe beslagen zijn gelegd. De executieopbrengst van het beslag op inkomen is toegenomen tot een bedrag van € 40.500,00 waardoor de resterende vordering thans nog € 1.244.578,16 bedraagt.
De rechtbank overweegt als volgt.
De rechtbank stelt vast dat de verzoekster zich niet als benadeelde partij heeft gevoegd in de strafzaak tegen de veroordeelde. Daarna is de ontnemingszaak tegen de veroordeelde aangebracht en afgerond. De rechtbank stelt vast dat aan verzoekster geen rechtens toekomende vordering toekomt, maar zij is in deze zaak wel aan te merken als benadeelde. Uit de onderbouwing van de ontnemingsmaatregel bij de rechtbank blijkt dat het wederrechtelijk verkregen voordeel (grotendeels) afkomstig is van benadeling van de verzoekster. De rechtbank zal daarom, ingevolge artikel 6:6:26 lid 1 Sv, bepalen dat de reeds geïncasseerde en nog te incasseren gelden inzake de ontnemingsmaatregel, die is opgelegd aan de veroordeelde, worden uitgekeerd aan de verzoekster.
Het verzoek zal daarom worden toegewezen.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek tot uitkering aan [verzoekster] van de reeds geïncasseerde en nog te incasseren gelden uit hoofde van de aan veroordeelde opgelegde ontnemingsmaatregel toe, tot een bedrag van € 1.284.628,16.
Deze beslissing is op 13 januari 2026 gegeven door
mr. A.Ş. Doğan, voorzitter,
mr. A.M. Grüschke en mr. C.C.J. Maas-van Es, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M. van Randeraat, griffier.