ECLI:NL:RBAMS:2026:104
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- A.Ş. Doğan
- A.M. Grüschke
- C.C.J. Maas-van Es
- Rechtspraak.nl
Verzoek tot uitkering van ontnemingsmaatregel aan benadeelde partij
Op 13 januari 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een verzoek op grond van artikel 6:6:26 van het Wetboek van Strafvordering. Dit verzoek was ingediend door een derde, hierna aangeduid als verzoekster, die aanspraak maakte op de reeds geïncasseerde en nog te incasseren gelden uit hoofde van een ontnemingsmaatregel die was opgelegd aan de veroordeelde. De ontnemingsmaatregel, opgelegd door het Gerechtshof Amsterdam op 27 mei 2021, verplichtte de veroordeelde tot betaling van een bedrag van € 1.289.628,16 aan de Staat. De rechtbank ontving het verzoekschrift op 24 oktober 2025 en heeft het verzoek op 16 december 2025 behandeld. Tijdens de zitting waren de advocaten van verzoekster, mr. N.M.D. van der Aa en mr. P.M. Oldhoff, aanwezig, evenals de officieren van justitie mr. M.J. Dontje en mr. E. Duijts, en de veroordeelde met zijn advocaat mr. J.W. Verhoef.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de verzoekster zich niet als benadeelde partij heeft gevoegd in de strafzaak tegen de veroordeelde, maar dat zij wel als benadeelde kan worden aangemerkt in deze ontnemingsprocedure. De rechtbank oordeelde dat de verzoekster recht heeft op de uitkering van de ontnemingsgelden, aangezien het wederrechtelijk verkregen voordeel van de veroordeelde grotendeels afkomstig was van benadeling van de verzoekster. De rechtbank heeft daarom besloten het verzoek tot uitkering van de reeds geïncasseerde en nog te incasseren gelden aan verzoekster toe te wijzen, tot een bedrag van € 1.284.628,16.