ECLI:NL:RBAMS:2026:1010

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
13/219514-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 312 SrArt. 36f SrArt. 6:106 BWArt. 6:2:10 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor ripdeal met diefstal en geweld van 57 kilo hennep in Aalsmeer

Op 14 juli 2025 pleegde verdachte samen met anderen een ripdeal in Aalsmeer waarbij 57 kilo hennep werd gestolen van twee eigenaren. Tijdens de overval werd geweld gebruikt en werd met vuurwapens gedreigd. Verdachte was betrokken bij de totstandkoming van de afspraak en de uitvoering van de overval.

De rechtbank baseerde haar oordeel op verklaringen van het slachtoffer, een medeverdachte en verdachte zelf, alsmede chatgesprekken en andere bewijsmiddelen. De verdediging voerde aan dat de verklaringen onbetrouwbaar waren en dat verdachte niet op de camerabeelden stond, maar dit werd door de rechtbank verworpen.

Verdachte werd bewezen verklaard medepleger van diefstal met geweld en bedreiging. De rechtbank hield rekening met het strafblad van verdachte, zijn recidive en de ernst van het feit. De officier van justitie eiste 40 maanden gevangenisstraf, maar de rechtbank legde 30 maanden op met aftrek van voorarrest.

Daarnaast werd verdachte veroordeeld tot betaling van een immateriële schadevergoeding van €800 aan het slachtoffer, met wettelijke rente en een schadevergoedingsmaatregel. Een contactverbod werd niet opgelegd wegens gebrek aan aanleiding.

De straf zal volledig in detentie worden uitgevoerd tot aan de voorwaardelijke invrijheidstelling. De rechtbank achtte de straf passend gelet op de ernst van het feit en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 30 maanden gevangenisstraf voor medeplegen van ripdeal met diefstal en geweld.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/219514-25
Datum uitspraak: 3 februari 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,
wonende op het adres
[adres] , [woonplaats] ,
nu gedetineerd in het [naam Justitieel Complex] ,
hierna: verdachte.

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 20 januari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S.M.E. Hirdes, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. C. Stroobach, advocaat te Diemen, naar voren hebben gebracht.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van de vordering tot schadevergoeding van
de benadeelde partij [benadeelde partij] en van hetgeen door mr. A. Derks, advocaat te Almere, naar voren is gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort weergegeven – tenlastegelegd dat hij zich op 14 juli 2025 in Aalsmeer samen met anderen heeft schuldig gemaakt aan diefstal van 57 kilo hennep van [naam 1] en/of [naam 2] , waarbij geweld is gebruikt en/of gedreigd met geweld tegen [benadeelde partij] en/of [naam 1] .
De volledige tenlastelegging is opgenomen in
bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3.Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het tenlastegelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Standpunt van het openbaar ministerie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit en heeft daartoe de volgens haar relevante bewijsmiddelen gepresenteerd.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde, omdat er onvoldoende bewijs is dat verdachte enige betrokkenheid heeft gehad bij de diefstal. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat de verklaringen van aangever [benadeelde partij] en [naam 1] niet betrouwbaar zijn, omdat zij belang hebben bij het afschuiven van de verantwoordelijkheid voor de verdwenen drugs op verdachte en hun verklaringen op essentiële onderdelen verschillen. Daarnaast is verdachte niet de koper van de drugs en daarom niet verantwoordelijk voor de
ripdeal. Tot slot is verdachte niet te zien op de onduidelijke ‘stills’ van de camerabeelden van de woning en is op de ‘stills’ ook geen overdracht van dozen te zien. Subsidiair heeft zij verzocht verdachte (partieel) vrij te spreken van het ten laste gelegde doorladen van het vuurwapen en het op het hoofd slaan van [benadeelde partij] met een vuurwapen. Dit gelet op het feit dat de verklaring van [benadeelde partij] op die punten niet wordt bevestigd door andere bewijsmiddelen.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft gepleegd en overweegt daartoe als volgt.
De rechtbank stelt op grond van de verklaring van verdachte op de terechtzitting en de andere bewijsmiddelen vast dat aangever, [naam 1] , [naam 2] en verdachte chatgesprekken hebben gevoerd over de koop van 57 kilo hennep. Met verdachte is een afspraak gemaakt op 14 juli 2025 om 19:00 uur bij het Loogman Tankstation in Aalsmeer. Verdachte is bij het tankstation opgehaald en naar een woning in [woonplaats] gebracht. In die woning heeft hij de hennep gecontroleerd. Daarna heeft hij de woning verlaten en is hij teruggebracht naar het tankstation.
Aangever heeft verklaard dat verdachte vervolgens terugkwam naar de woning met [naam 1] en nog een andere man. Deze man trok een vuurwapen, laadde dit door en richtte het vuurwapen op het hoofd van aangever. Verdachte trok eveneens een vuurwapen en richtte dit op [naam 1] . De andere man liep richting aangever en sloeg hem met veel kracht met het vuurwapen op het hoofd. Aangever werd naar de grond geduwd. Terwijl aangever op de grond lag en onder schot werd gehouden, kwamen er zes of zeven mannen binnen. Aangever zag dat alle dozen met hennep werden gepakt door de mannen.
[naam 1] heeft – samengevat – verklaard dat een man, door [naam 1] bij de fictieve naam [fictieve naam] genoemd, langskwam om de hennep te controleren. Daarna is ‘ [fictieve naam] ’ weggegaan om geld te halen. ‘ [fictieve naam] ’ is toen teruggekomen met acht man en vuurwapens. De mannen hebben alles meegenomen.
Betrouwbaarheid aangifte en verklaring [naam 1]
Door de verdediging is aangevoerd dat de verklaringen van aangever en [naam 1] onbetrouwbaar zijn en niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt. De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de inhoud van deze verklaringen. Aangever heeft uitgebreid en gedetailleerd verklaard. De verklaring van aangever stemt overeen met die van [naam 1] voor wat betreft de rol van verdachte en de gebeurtenissen in de woning. De verklaringen vinden op belangrijke onderdelen steun in het dossier en in de verklaring van verdachte zelf. Het betoog van de verdediging dat de verklaringen van aangever en [naam 1] niet stroken met de camerabeelden van de woning, leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank gaat ervan uit dat de camerabeelden van een later moment zijn dan het moment waarop de
ripdealplaatsvond. De camerabeelden zijn namelijk van rond het tijdstip van 23.00 uur, terwijl in het chatgesprek om 21:13 uur een bericht is gestuurd met de inhoud “kankerdieven”. [1] De rechtbank acht de verklaringen geloofwaardig en betrouwbaar. De conclusie is dat de verklaringen voor het bewijs kunnen worden gebruikt. Het verweer wordt verworpen.
De door verdachte op zitting naar voren gebrachte verklaring acht de rechtbank niet aannemelijk en wordt weerlegd door de inhoud van de bewijsmiddelen.
Verdachte zou nadat hij de hennep had gecontroleerd en naar het tankstation was teruggebracht, in de buurt van het tankstation hebben gewacht en vervolgens naar huis zijn gereden. Hij zou niet meer zijn teruggekeerd naar de woning. Dit scenario is strijdig met het bericht dat verdachte om 20:25 uur in de groepschat heeft gestuurd, waarin hij schrijft dat hij over 25 minuten weer bij Loogman is, de hennep weer zal controleren, met een totale berekening zal komen en het papier (volgens de verdachte: geld) meteen meeneemt. [2] Onduidelijk is gebleven waarom hij dit bericht heeft gestuurd als hij niet terug naar de woning, maar naar huis zou zijn gegaan.
Daarbij komt dat deze verklaring vragen oproept die verdachte niet heeft kunnen of willen beantwoorden. Zo heeft hij niet willen verklaren waarom hij ten tijde van de
ripdealeen WhatsApp-bericht aan [naam 3] heeft gestuurd dat hij met spoed iemand met een busje nodig had [3] en waarom hij deze persoon later een foto van hennep in dozen heeft gestuurd. [4]
Ten aanzien van het tenlastegelegde onder het 2de en 3de gedachtestreepje
De verdediging heeft aangevoerd dat voor het ten laste gelegde doorladen van een vuurwapen, of een daarop gelijkend voorwerp, en het daarmee tegen het hoofd van aangever slaan, onvoldoende bewijs is. Weliswaar geldt dat alleen aangever over deze handelingen heeft verklaard, maar nu de rechtbank niet twijfelt aan de verklaring van aangever, acht zij ook deze aan verdachte tenlastegelegde handelingen bewezen. Daarnaast is het voor de bewezenverklaring niet van belang of wordt vastgesteld dat het om ‘echte’ wapens ging.
Medeplegen
De rechtbank is van oordeel dat de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking voldoende is komen vast te staan. Het medeplegen bestaat in de kern uit de gezamenlijke uitvoering van de beroving. Daarnaast is verdachte betrokken geweest bij de totstandkoming van de afspraak voor de koop van de hennep.
Conclusie
De rechtbank concludeert op basis van het voorgaande dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal met geweld.
4.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in
bijlage IIvervatte bewijsmiddelen
bewezen dat verdachte:
op 14 juli 2025 te Aalsmeer, tezamen en in vereniging met anderen, ongeveer 57 kilo hennep, die aan [naam 1] en [naam 2] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [benadeelde partij] en die [naam 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, door:
- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, aan die [benadeelde partij] en die [naam 1] te tonen en op die [benadeelde partij] en die [naam 1] gericht te houden en
- het doorladen van dat vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, en
- die [benadeelde partij] met dat vuurwapen, althans een voorwerp, tegen het hoofd te slaan en
- die [benadeelde partij] met dat vuurwapen, althans een op vuurwapen gelijkend voorwerp, op de grond te duwen.
Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

5.De strafbaarheid van het feit en van verdachte

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar en verdachte is hiervoor strafbaar.

6.Motivering van de straf

6.1.
Strafeis van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gevorderd dat wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertig maanden.
6.2.
Strafmaatverweer van de verdediging
De raadsvrouw heeft, gelet op de persoonlijke situatie van verdachte en de positieve wending die zijn leven sinds kort heeft genomen, verzocht te volstaan met een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest en eventueel een voorwaardelijke gevangenisstraf of een taakstraf voor de maximale duur.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen
geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals
van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van het feit
Uit het dossier komt naar voren dat er een drugsdeal in het criminele milieu was afgesproken, die uiteindelijk heeft geresulteerd in een zogenoemde ripdeal (een gewapende overval) door verdachte en anderen. Bij deze overval is door middel van het dreigen met vuurwapens 57 kilo hennep buitgemaakt. Verdachte heeft kennelijk snel geld willen verdienen en niet nagedacht over de gevolgen van zijn handelen. Zulke gebeurtenissen uit het criminele milieu versterken de gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. Het verboden karakter van de handel in en het bezit van een dergelijke hoeveelheid hennep, maakt dat de aangiftebereidheid van het slachtoffer, en daarmee de kans op ontdekking, minimaal is.
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft kennisgenomen van het uittreksel uit de justitiële documentatie (strafblad) van verdachte van 14 oktober 2025, waaruit blijkt dat hij zich eerder schuldig heeft gemaakt aan soortgelijke strafbare feiten.
De rechtbank heeft daarnaast kennis genomen van het reclasseringsrapport van 8 januari 2026. Hieruit blijkt - zakelijk weergegeven – dat verdachte sinds 2011 in aanraking komt met justitie door voornamelijk vermogensdelicten en agressiedelicten. Er is sprake van een delictpatroon, waarbij opvalt dat de delicten in ernst toenemen. Er is sprake is van instabiliteit op de leefgebieden dagbesteding, financiën, sociaal netwerk en het psychosociaal functioneren. Ook zijn er zorgen over het voortbestaan van zijn relatie en het hebben van een stabiele woonsituatie. Verdachte lijkt steeds opnieuw in de problemen te komen, doordat hij impulsief handelt en financiële problemen heeft. Grote zorgen zijn er over het sociaal netwerk van verdachte. De indruk bestaat dat verdachte inmiddels goed bekend is bij mensen die zich bezighouden met het plegen van strafbare feiten. Delicten komen voort vanuit financieel gewin en omdat verdachte, naar zijn zeggen, moeilijk ‘nee’ kan zeggen. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een straf zonder bijzondere voorwaarden. De reclassering ziet geen mogelijkheden om met interventies of toezicht het recidiverisico te beperken of het gedrag te veranderen.
Straf
De rechtbank heeft bij de strafoplegging acht geslagen op de door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) vastgestelde oriëntatiepunten, ofwel de afspraken die rechtbanken onderling hebben gemaakt over op te leggen straffen voor dezelfde soort feiten. Voor een overval op een bedrijf met licht geweld of bedreiging is het oriëntatiepunt een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren. De rechtbank neemt dat als uitgangspunt, omdat niet is gebleken dat er daadwerkelijk gebruikt werd gemaakt van de woning, anders dan als stash- of handelsplaats voor de hennep. In strafverzwarende zin houdt de rechtbank rekening met het gebruik van een (op) vuurwapen (gelijkend voorwerp) en het delictpatroon dat uit het strafblad naar voren komt..
De rechtbank is van oordeel dat, gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding, bestaat om bij de straftoemeting af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank acht een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.

7.Beslag

De rechtbank zal geen beslissing nemen ten aanzien van het in beslag genomen geldbedrag
van € 8.047, omdat hierop conservatoir beslag rust.

8.Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert een bedrag van € 2.500 aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ook verzoekt de benadeelde partij aan verdachte een contactverbod met hem op te leggen.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden
toegewezen, behalve voor wat betreft het verzochte contactverbod. Daarvoor ziet de officier van justitie op dit moment onvoldoende aanleiding.
De raadsvrouw heeft primair verzocht de benadeelde partij in zijn vordering niet ontvankelijk te verklaren, omdat onvoldoende is onderbouwd op welke wijze hij in zijn persoon is aangetast. Subsidiair heeft zij verzocht de vordering te matigen, omdat de benadeelde partij als tussenpersoon fungeerde bij een transactie die zich afspeelde in het criminele milieu en het algemeen bekend is dat deze transacties uit de hand kunnen lopen. Dat heeft de benadeelde partij er niet van weerhouden om te bemiddelen bij de verkoop van de hennep.
8.1.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade als de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.
De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de aard en de ernst van de normschending, de nadelige gevolgen zo voor de hand liggen dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze in de zin van artikel 6:106, eerste lid onder b, BW. Bij de begroting van de schade houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat de benadeelde partij zich heeft beziggehouden met criminele zaken en daarmee een risico dat schade zal ontstaan voor lief heeft genomen. Dit maakt dat de rechtbank de schade naar billijkheid zal begroten op een bedrag van € 800 (achthonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank zal de vordering voor het overige afwijzen.
Hoofdelijk
De rechtbank zal de vordering hoofdelijk toewijzen, omdat verdachte het bewezenverklaarde feit samen met anderen heeft gepleegd. Verdachte en zijn mededaders zijn, als zij worden aangesproken door de benadeelde partij, ieder afzonderlijk verplicht om het totale bedrag aan de benadeelde partij te betalen, tenzij een ander het hele bedrag al heeft betaald.
Schadevergoedingsmaatregel
In het belang van [benadeelde partij] wordt als extra waarborg voor betaling aan hem de maatregel van artikel 36f Sr aan verdachte opgelegd.
Ten aanzien van het contactverbod
De rechtbank ziet geen aanleiding om aan verdachte een contactverbod op te leggen, omdat er geen meldingen zijn gekomen van pogingen van verdachte om contact te leggen.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

10.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4.4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Straf
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van
30 (dertig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
Vordering tot schadevergoeding
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] toe tot een bedrag van € 800 (achthonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (d.d. 14 juli 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij] , behalve voor zover deze vordering al door of namens anderen is betaald.
Veroordeelt verdachte voorts hoofdelijk in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Wijst de vordering voor het overige af.
Legt verdachte hoofdelijk de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij] aan de Staat € 800 (achthonderd euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (d.d. 14 juli 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 8 (acht) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte of een ander dan wel anderen aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. H.B.W. Beekman, voorzitter,
mrs. F. Dekkers en M.C.H. Broesterhuizen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.J.D. Hartman, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 februari 2026.

Voetnoten

1.Proces-verbaal van bevindingen Analyse Iphone 13 [verdachte] inclusief bijlagen, doorgenummerde pag. 1100.
2.Proces-verbaal van bevindingen Analyse Iphone 13 [verdachte] inclusief bijlagen, doorgenummerde pag. 1099.
3.Proces-verbaal van bevindingen Analyse Iphone 13 [verdachte] inclusief bijlagen, doorgenummerde pag. 1089.
4.Proces-verbaal van bevindingen Analyse Iphone 13 [verdachte] inclusief bijlagen, doorgenummerde pag. 1090.