ECLI:NL:RBAMS:2025:9965
Rechtbank Amsterdam
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Afwijzing loonvordering wegens onvoldoende bewijs over gewerkte uren en ziekteperiode
De werknemer trad op 1 november 2024 in dienst bij de werkgever als chauffeur voor 40 uur per week tegen een uurloon van €17,99, met toepassing van de cao Beroepsgoederenvervoer. Vanaf 5 mei 2025 meldde de werknemer zich ziek en verrichtte sindsdien geen werkzaamheden meer. De werkgever stopte vanaf mei 2025 met het betalen van salaris.
De werknemer vorderde betaling van achterstallig loon over de periode van november 2024 tot juli 2025, inclusief wettelijke verhoging, rente, loonspecificaties, doorbetaling tijdens ziekte, naleving re-integratieverplichtingen, incassokosten en proceskosten. De werkgever erkende een cao-loonsverhoging vanaf januari 2025, betwistte echter dat de werknemer meer uren had gewerkt dan overeengekomen en dat hij ziek was. Tevens stelde zij schade te hebben geleden door het achterlaten van een beschadigde trekker, die zij wilde verrekenen met het loon.
De kantonrechter oordeelde dat in kort geding geen bewijslevering mogelijk is en dat de werknemer onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij meer dan 40 uur per week heeft gewerkt. Ook kon niet worden vastgesteld dat het betaalde voorschot onvoldoende was. De ziekteperiode werd voorlopig aangenomen, maar door de onduidelijkheid over de schade en het feit dat de werknemer geen werkzaamheden meer verrichtte, kon niet worden vastgesteld dat de werkgever een betalingsverplichting had. De overige vorderingen werden eveneens afgewezen. De proceskosten werden gecompenseerd, ieder draagt eigen kosten.
Uitkomst: De loonvordering van de werknemer wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs en onduidelijkheid over de betalingsverplichting van de werkgever.