ECLI:NL:RBAMS:2025:9965

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
4 december 2025
Publicatiedatum
15 december 2025
Zaaknummer
11825790 \ KK EXPL 25-516
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Kort geding over loonvordering en arbeidsongeschiktheid tussen werknemer en werkgever

In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Amsterdam op 4 december 2025 uitspraak gedaan in een kort geding tussen een werknemer, [eiser], en zijn werkgever, [gedaagde] B.V. [eiser] vorderde betaling van achterstallig loon, verstrekking van loonspecificaties, doorbetaling van loon tijdens ziekte en naleving van re-integratieverplichtingen. De werknemer was op 1 november 2024 in dienst getreden en had zich op 5 mei 2025 ziekgemeld. Sindsdien had de werkgever geen salaris meer betaald. De kantonrechter oordeelde dat de werkgever niet eenvoudig kon worden verplicht tot betaling, omdat er onduidelijkheid bestond over de gewerkte uren en de ziekte van de werknemer. De kantonrechter concludeerde dat er onvoldoende bewijs was dat [eiser] meer uren had gewerkt dan overeengekomen en dat de werkgever niet had aangetoond dat [eiser] niet ziek was. De vorderingen van [eiser] werden afgewezen, en de proceskosten werden gecompenseerd, zodat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11825790 \ KK EXPL 25-516
Vonnis in kort geding van 4 december 2025
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. Ö. Kenç,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. L. Tastan.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 8 augustus 2025, met producties,
- de (aanvullende) stukken die door beide partijen voorafgaand aan de mondelinge behandeling zijn overgelegd.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 18 september 2025. [eiser] is verschenen, vergezeld door K. Koyuncu als tolk in de Turkse taal en bijgestaan door de gemachtigde. Voor [gedaagde] is verschenen [naam] , bijgestaan door de gemachtigde. Partijen hebben hun standpunt nader toegelicht en hebben vragen van de kantonrechter beantwoord. De gemachtigde van [gedaagde] heeft een pleitnota voorgedragen. Vervolgens is de procedure aangehouden om partijen in de gelegenheid te stellen hun geschil alsnog onderling op te lossen.
1.3.
De gemachtigde van [eiser] heeft de kantonrechter bericht dat partijen geen regeling hebben getroffen. Vervolgens heeft [gedaagde] een akte met producties genomen. [eiser] heeft hiertegen bezwaar gemaakt. De kantonrechter heeft de akte van [gedaagde] toegestaan en [eiser] in de gelegenheid gesteld om hierop te reageren. Dat heeft [eiser] gedaan, waarna vonnis is bepaald.

2.De uitgangspunten

2.1.
[eiser] is op 1 november 2024 in dienst getreden bij [gedaagde] als chauffeur voor 40 uur per week op basis van een arbeidsovereenkomst van bepaalde tijd voor de duur van een jaar en tegen een brutoloon van € 17,99 per uur. Op de arbeidsovereenkomst is de cao Beroepsgoederenvervoer over de weg en de verhuur van mobiele kranen (hierna: de cao) van toepassing.
2.2.
Op 5 mei 2025 heeft [eiser] zich ziekgemeld. Sindsdien heeft [eiser] geen werkzaamheden meer verricht voor [gedaagde] .
2.3.
[gedaagde] heeft vanaf de maand mei 2025 geen salaris meer betaald aan [eiser] .
2.4.
Op 15 juli 2025 heeft de gemachtigde van [eiser] [gedaagde] aangemaand om het verschuldigde loon uit te betalen, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de juridische kosten. [gedaagde] heeft daar geen gehoor aan gegeven.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert - samengevat – betaling van € 59.163,67 bruto aan achterstallig loon over de periode van 1 november 2024 tot en met 1 juli 2025, verminderd met het reeds betaald nettoloon van € 19.000,00, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente. Verder vordert [eiser] verstrekking van loonspecificaties, op straffe van een dwangsom. [eiser] vordert daarnaast doorbetaling van het loon tijdens zijn arbeidsongeschiktheid en naleving van de re-integratieverplichtingen door [gedaagde] , op straffe van een dwangsom. Ook vordert [eiser] buitengerechtelijke incassokosten en veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure.
3.2.
[eiser] stelt daartoe dat hij sinds de aanvang van zijn arbeidsovereenkomst structureel meer uren heeft gewerkt dan overeengekomen. Verder stelt [eiser] dat [gedaagde] ten onrechte geen cao-loonsverhoging heeft doorgevoerd. [eiser] heeft slechts € 19.000,00 netto uitbetaald gekregen. Dit bedrag is volgens [eiser] veel te weinig. Omdat het verschuldigde loon niet is betaald, heeft [eiser] ook recht op de maximale wettelijke verhoging en de wettelijke rente. Daarnaast is [gedaagde] op grond van artikel 7:629 van het Burgerlijk Wetboek verplicht tijdens ziekte het loon door te betalen.
3.3.
[gedaagde] erkent dat [eiser] op grond van de cao vanaf 1 januari 2025 recht had op een loonsverhoging. [gedaagde] stelt dat het loon wekelijks op basis van een voorschot werd betaald. [gedaagde] betwist echter dat [eiser] meer uren heeft gewerkt en dat [eiser] ziek was. [gedaagde] voert verder aan dat [eiser] een trekker met veel schade heeft achtergelaten, waardoor zij schade heeft geleden en dat zij deze schade mag verrekenen met het achterstallig salaris van [eiser] .
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De kantonrechter moet in dit kort geding beoordelen of de vorderingen van [eiser] in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering.
4.2.
Het spoedeisend belang volgt uit de aard van de vorderingen en is door [gedaagde] ook niet weersproken.
4.3.
[eiser] stelt dat hij sinds de aanvang van zijn arbeidsovereenkomst gemiddeld 70,48 uur per week heeft gewerkt en dat [gedaagde] over de meer gewerkte uren loon is verschuldigd. Hij verwijst daarvoor naar de overgelegde afschriften van de tachograaf van de vrachtwagen waarmee hij tijdens zijn dienstverband reed.
4.4.
Dit wordt door [gedaagde] betwist. Volgens [gedaagde] blijkt uit de door [eiser] overgelegde afschriften dat [eiser] gemiddeld 39,90 uur per week werkte. [eiser] heeft bovendien niet de volledige registratie van de door hem gewerkte uren overgelegd. Inmiddels heeft [gedaagde] de bestuurderskaart laten uitlezen, waaruit is gebleken dat de geregistreerde uren bij [gedaagde] niet meer in de bestuurderskaart beschikbaar zijn.
4.5.
[gedaagde] heeft gemotiveerd betwist dat [eiser] meer uren heeft gewerkt dan overeengekomen. Ter zitting is geconcludeerd dat uit de overgelegde afschriften van de tachograaf in ieder geval niet volgt dat [eiser] gemiddeld 70,48 uur per week heeft gewerkt. Zo heeft [eiser] ten onrechte de ‘fortnightly total’ opgeteld bij de ‘Week total’. Fort night betekent immers in het normale spraakgebruik twee weken en niet zoals [eiser] stelt een week. Tijdens de zitting is daarover verder besproken dat [eiser] zijn bestuurderskaart zal laten uitlezen, waaruit kan worden afgelezen wanneer hij is in- en uitgelogd. Hiermee had hij kunnen specificeren hoeveel uur hij feitelijk heeft gewerkt en aan de hand daarvan kunnen nakijken of er te weinig uren aan hem zijn uitbetaald. [gedaagde] heeft de bestuurderskaart uiteindelijk laten uitlezen, maar volgens haar waren de geregistreerde uren bij [gedaagde] niet meer in de bestuurderskaart beschikbaar .Nu [eiser] verder geen nadere onderbouwing in het geding heeft gebracht, is het naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter onvoldoende aannemelijk geworden dat [eiser] vanaf november 2025 meer dan 40 uur per week heeft gewerkt. Voor verdere bewijslevering aan de zijde van [eiser] , op wie de bewijslast rust, is in dit kort geding geen ruimte. De vordering tot betaling van overuren wordt dan ook afgewezen.
4.6.
[gedaagde] heeft verder erkend dat [eiser] vanaf januari 2025 op grond van de cao recht heeft op een loonsverhoging. Zij voert echter aan dat zij slechts een voorschot heeft betaald, omdat de daadwerkelijke uren tot op heden niet vaststaan. Zoals hierboven overwogen kan in deze procedure niet voldoende worden vastgesteld hoeveel uur [eiser] heeft gewerkt, zodat ook niet kan worden vastgesteld dat het betaalde voorschot inclusief de loonsverhoging niet voldoende is. Ook deze vordering wordt daarom afgewezen.
4.7.
[eiser] heeft zich op 5 mei 2025 ziek gemeld. Volgens [gedaagde] was [eiser] niet ziek. [gedaagde] onderbouwt dit standpunt echter niet. Het is daarbij aan de bedrijfsarts om te beoordelen of [eiser] ziek is. Niet in geschil is dat [gedaagde] geen arbo- of bedrijfsarts heeft ingeschakeld die een oordeel had kunnen geven over de ongeschiktheid van [eiser] om zijn arbeid te verrichten. Voorshands wordt daarom geoordeeld dat [eiser] vanaf 5 mei 2025 ziek was. Ter zitting is gebleken dat [eiser] vanaf 23 juni 2025 weer beter was en hij vanaf dat moment geen werkzaamheden meer heeft verricht. Vanaf de maand mei 2025 heeft [eiser] geen loon meer ontvangen. Op grond van artikel 7:629 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek is een werkgever verplicht het loon door te betalen in geval van arbeidsongeschiktheid van de werknemer. Dit betekent dat [gedaagde] het loon van [eiser] vanaf 1 mei 2025 tot 23 juni 2025 in beginsel had moeten doorbetalen.
4.8.
Ter zitting is echter gebleken dat er meer speelt tussen partijen. [gedaagde] stelt dat zij in totaal € 62.780,00 aan [eiser] heeft betaald. Een deel van deze betaling had betrekking op de trekker en een chassis die door [gedaagde] van [eiser] zijn gekocht. Daarnaast zijn door [gedaagde] meer betalingen gedaan aan [eiser] , waaronder de kosten voor een APK-keuring. Ook stelt [gedaagde] dat zij schade heeft geleden, omdat [eiser] de trekker met veel schade heeft achtergelaten. Onder die omstandigheden kan, nu [eiser] beter is, maar geen werkzaamheden meer verricht voor [gedaagde] en dus zelf tekortschiet in de nakoming van zijn verplichtingen uit hoofde van de arbeidsovereenkomst, niet eenvoudig worden vastgesteld dat [gedaagde] op dit moment een betalingsverplichting heeft ten aanzien van [eiser] . Hiervoor is nadere bewijslevering nodig, maar daarvoor is in kort geding geen ruimte. Er kan dan ook niet worden vooruitgelopen op een eventuele bodemprocedure.
4.9.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen worden ook de gevorderde afgifte van de loonspecificaties, de gevorderde naleving van de re-integratieverplichtingen door [gedaagde] en de gevorderde betaling van de wettelijke verhoging, wettelijke rente, en buitengerechtelijke incassokosten afgewezen.
4.10.
In de uitkomst van deze procedure wordt wel aanleiding gezien de proceskosten tussen partijen te compenseren, in die zin dat ieder van partijen de eigen proceskosten draagt.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 4 december 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.