De verzoekster werd op 19 januari 2025 aangehouden en de volgende dag in verzekering gesteld op verdenking van overtreding van de Opiumwet. De strafzaak werd geseponeerd wegens gebrek aan bewijs. Zij verzocht de rechtbank om een immateriële schadevergoeding van €10.000 wegens de psychische en reputatieschade die zij door de detentie en het politieoptreden had geleden.
De rechtbank overwoog dat de wettelijke grondslag voor vergoeding uitsluitend ziet op schade direct veroorzaakt door de inverzekeringstelling. De verzoekster voerde diverse omstandigheden aan, waaronder een posttraumatische stressstoornis, reputatieschade als influencer, ontwrichting van haar bedrijf door een inval, sluiting van haar woning en publiciteit in de media.
Echter waren deze omstandigheden niet toegespitst op de periode van de inverzekeringstelling zelf, maar betroffen zij de bredere periode van opsporing en nasleep. De rechtbank oordeelde dat deze omstandigheden onvoldoende bijzonder waren om af te wijken van de standaardvergoeding.
De rechtbank kende daarom de forfaitaire vergoeding van €130 toe voor de dag van inverzekeringstelling en wees het overige verzoek af. De beslissing werd op 15 oktober 2025 in openbare raadkamer uitgesproken door rechter D. Bode.