ECLI:NL:RBAMS:2025:9929

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
28 oktober 2025
Publicatiedatum
15 december 2025
Zaaknummer
13/065765-24
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak zware mishandeling en bewezenverklaring bedreiging met dood

In deze zaak heeft de Rechtbank Amsterdam op 28 oktober 2025 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die werd beschuldigd van zware mishandeling en bedreiging. De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van de zware mishandeling, omdat niet bewezen kon worden dat hij opzettelijk letsel had toegebracht aan de aangever. De rechtbank oordeelde dat de verklaringen van zowel de aangever als de verdachte onvoldoende steun vonden in objectief bewijsmateriaal, zoals camerabeelden en getuigenverklaringen. De rechtbank concludeerde dat het letsel van de aangever mogelijk op andere wijze was ontstaan tijdens een worsteling tussen de verdachte en de aangever.

Echter, de rechtbank heeft de verdachte wel schuldig bevonden aan de bedreiging van de aangeefster, die in de periode van 20 juli 2022 tot en met 14 oktober 2023 meerdere keren met de dood was bedreigd. De rechtbank achtte de verklaring van de aangeefster betrouwbaar, ondersteund door getuigenverklaringen. De verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van één week voor de bedreiging, waarbij de rechtbank rekening hield met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en zijn meewerkend gedrag tijdens de procedure. De vordering van de benadeelde partij werd afgewezen, omdat er geen straf of maatregel was opgelegd aan de verdachte voor het feit waar de vordering op betrekking had.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13.065765.24
Datum uitspraak: 28 oktober 2025
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1983,
wonende op het [adres]

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 14 oktober 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S.M. Hoogerheide en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. R. Malewicz, naar voren hebben gebracht.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] en van wat door zijn advocaat, mr. K.Y. Ramdhan, namens hem tijdens het onderzoek op de terechtzitting naar voren is gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat
Feit 1:
Hij op 24 februari 2024 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde partij] opzettelijk van het leven te beroven, althans opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een (stanley)mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, één of meerdere keren een stekende en/of slaande beweging heeft gemaakt richting de hand(en) en/of de zijkant(en) van het lichaam van die [benadeelde partij] , althans het lichaam van die [benadeelde partij] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Feit 2:
Hij in of omstreeks de periode van 20 juli 2022 tot en met 14 oktober 2023 te Amsterdam, althans in Nederland, [aangeefster] heeft bedreigd, met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [aangeefster] , één of meerdere keren, dreigend de woorden toe te voegen: "ik maak je dood! Jullie gaan zien" en/of "Ik ga je doodmaken, ik ga je keel doorsnijden" en/of "Zie je die bandenstapel kankerhoer, ik ga je tussen de bandenstapel zetten en ga er benzine overheen gooien en in de fik steken", althans woorden van gelijke (be)dreigende aard of strekking.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3.Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat beide tenlastegelegde feiten bewezen kunnen worden verklaard, te weten het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel en de bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. Met betrekking tot het eerste feit, het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel door met een mes [benadeelde partij] te steken, wijst de officier van justitie ter onderbouwing op de beschrijvingen van het incident van de getuigen op straat, de camerabeelden en het letsel van [benadeelde partij] .
4.2.
Het standpunt van de verdediging
Het onder 1 ten laste gelegde
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde, omdat op basis van de inhoud van het dossier niet kan worden bewezen dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van [benadeelde partij] , dan wel op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De raadsman vindt de verklaring van [benadeelde partij] niet betrouwbaar, nu deze inconsistent is en niet strookt met andere verklaringen in het dossier en het aangetroffen letsel bij verdachte. Er moet dan ook uitgegaan worden van de verklaring van verdachte in combinatie met het bij hem waargenomen letsel. Er zijn onvoldoende aanwijzingen voor agressieve handelingen aan de zijde van verdachte voor een bewezenverklaring van het feit. Subsidiair stelt de raadsman zich op het standpunt dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat sprake is geweest van een noodweersituatie, waarin verdachte zich moest verdedigen tegen de handelingen van [benadeelde partij] .
Het onder 2 ten laste gelegde
De raadsman heeft verzocht verdachte ook vrij te spreken van het onder 2 ten laste gelegde, omdat verdachte ontkent de in de tenlastelegging genoemde woorden te hebben gebruikt en zich op het standpunt stelt dat sprake is van een onjuiste en daarmee valse aangifte.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
Vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde
De rechtbank acht – evenals de officier van justitie en de verdediging – de onder 1 ten laste gelegde poging tot doodslag van [benadeelde partij] (hierna: aangever) niet bewezen, zodat verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.
De rechtbank acht – anders dan de officier van justitie en met de verdediging – de onder 1 ten laste gelegde zware mishandeling eveneens niet bewezen. Zij overweegt daartoe dat niet zonder redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat verdachte de aangever opzettelijk heeft gestoken door een stekende of slaande beweging met een (stanley)mes te maken richting aangever. Hierbij wordt het volgende in aanmerking genomen.
Om tot een bewezenverklaring van zware mishandeling te komen, moet kunnen worden bewezen dat de verdachte, al dan niet in voorwaardelijke zin opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij aangever.
De aangever heeft bij de politie verklaard dat verdachte hem heeft aangevallen en een slaande beweging naar hem heeft gemaakt met een stanleymes met een geel handvat, waardoor aangever een snijwond aan zijn linkerhand en rechterzij heeft gekregen. Dat aangever deze verwondingen heeft opgelopen blijkt ook uit het letselrapport. Verdachte heeft echter steeds ontkend dat hij aangever heeft gestoken. Hij heeft verklaard dat de situatie juist omgekeerd was. De aangever zou hem hebben aangevallen, waarna zij in een worsteling terecht zijn gekomen en allebei gewond zijn geraakt. Bij het doorzoeken van de omgeving van het incident is daarbij geen stanleymes aangetroffen met een geel handvat. Bij de fouillering van verdachte is een zilverkleurig zakmes aangetroffen, maar daarop werden geen bloedsporen aangetroffen en dit was bedekt met stof.
De rechtbank stelt op basis van de camerabeelden vast dat er een schermutseling is geweest tussen verdachte en aangever waardoor zowel verdachte en aangever gewond zijn geraakt. Op de camerabeelden is echter niet duidelijk te zien wat er precies is gebeurd en uit de camerabeelden blijkt niet dat verdachte een slaande of stekende beweging heeft gemaakt met een mes of een ander scherp voorwerp, of anderszins handelingen heeft verricht waaruit afgeleid kan worden dat hij het (voorwaardelijk) opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij aangever.
De verklaring van zowel de aangever als van de verdachte staan tegen die achtergrond op zichzelf en vinden onvoldoende steun in ander objectief bewijsmateriaal. Ook de getuigen verklaren niet direct over het incident, maar louter over hetgeen daaromheen gebeurde en wat zij van de aangever respectievelijk de verdachte gehoord hebben. De rechtbank is van oordeel dat het scenario dat het letsel van de aangever is ontstaan doordat hij tijdens de worsteling met verdachte op andere wijze is geraakt dan dat verdachte met een scherp voorwerp een stekende of slaande beweging heeft gemaakt niet als onaannemelijk terzijde kan worden geschoven.
Uit de inhoud van het dossier volgt naar het oordeel van de rechtbank met andere woorden niet dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft op het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij aangever.
De rechtbank acht de ten laste gelegde zware mishandeling dan ook niet bewezen. Verdachte zal daarvan ook worden vrijgesproken.
Het oordeel over het onder 2 ten laste gelegde
Ter terechtzitting heeft de verdediging de betrouwbaarheid van de verklaring van [aangeefster] (hierna: aangeefster) betwist. Verdachte heeft verklaard dat zij een valse verklaring heeft afgelegd.
De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit. [1]
De rechtbank acht de verklaring van aangeefster betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs, omdat deze wordt ondersteund door [getuige] , voor zover het gaat om de woorden ‘ik maak je dood! Jullie gaan zien’. [getuige] heeft immers verklaard dat zij ook heeft gehoord dat verdachte aangeefster met de dood heeft bedreigd en dat zij heeft gehoord dat verdachte tegen aangeefster heeft geroepen dat hij haar zou vermoorden. Daarnaast heeft verdachte zelf ter terechtzitting aangegeven dat hij af en toe terug scheldt als hij wordt uitgescholden.
De rechtbank is dan ook van oordeel, op grond van de verklaring die verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd, de aangifte en de verklaring van [getuige] , dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde, de bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, heeft begaan.

5.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
in de periode van 20 juli 2022 tot en met 14 oktober 2023 te Amsterdam [aangeefster] heeft bedreigd, met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [aangeefster] , dreigend de woorden toe te voegen: "ik maak je dood! Jullie gaan zien", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

6.De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8.Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1 en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan een onvoorwaardelijk deel gelijk aan de tijd die verdachte al in voorarrest heeft gezeten en het overige deel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren met daarbij de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.
8.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich niet uitgelaten over de strafoplegging, omdat hij integrale vrijspraak heeft bepleit. De raadsman heeft echter benadrukt dat indien een straf met bijzondere voorwaarden zal worden opgelegd, verdachte hieraan zal meewerken.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging van [aangeefster] . Verdachte heeft zijn buurvrouw meermaals met de dood bedreigd en haar op die manier angst ingeboezemd. Hierdoor heeft verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op haar persoonlijke levenssfeer.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op de oriëntatiepunten genoemd in het LOVS en het strafblad van verdachte van 6 september 2025, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.
Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van de reclasseringsrapporten van 5 maart 2024 en 1 oktober 2025 en de Pro Justitia rapporten van 17 mei 2024, 24 februari 2025 en 19 maart 2025. De reclassering adviseert – op basis van beide ten laste gelegde feiten - om een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met daarbij bijzondere voorwaarden, te weten een meldplicht, ambulante behandeling en een contactverbod.
Vervolgens heeft de rechtbank gekeken naar de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals die uit de inhoud van het strafdossier en het onderzoek ter terechtzitting duidelijk zijn geworden.
Straf
De rechtbank is van oordeel dat gelet op de vrijspraak voor het onder 1 ten laste gelegde feit aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd. Gelet op de aard en ernst van het feit is de rechtbank desondanks van oordeel dat een gevangenisstraf op zijn plaats is. De rechtbank neemt echter in strafmatigende zin mee dat uit het reclasseringsrapport van 1 oktober 2025 blijkt dat verdachte zich meewerkend heeft opgesteld en zich heeft gehouden aan afspraken bij de reclassering en de forensische polikliniek Inforsa. Ook heeft de rechtbank rekening gehouden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte, zoals geadviseerd in het Pro Justitia rapport van 19 maart 2025.
Alles afwegende vindt de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van één week, passend en geboden.

9.Beslag

De rechtbank zal de teruggave gelasten van het inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten: 1 STK Zakmes (goednummer: 6467164).

10.Ten aanzien van de benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert € 599,89 aan vergoeding van materiële schade en € 3.500,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Verder heeft de benadeelde partij verzocht om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij afwijzen, omdat aan verdachte geen straf of maatregel is opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht niet is toegepast voor het onder 1 ten laste gelegde feit waar de vordering op ziet.
De benadeelde partij en de verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.

11.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht.

12.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het onder 1 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht
Veroordeelt verdachte,
[verdachte], tot een gevangenisstraf van
één week.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Gelast de teruggave aan verdachte van:
1 STK Zakmes (goednummer: 6467164).
Wijst de vordering van [benadeelde partij] af.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.K. Glerum, voorzitter,
mrs. L.F. Bögemann en J.J. Bloembergen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. V.D. Bennett, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 oktober 2025.
[...]

Voetnoten

1.[...]