ECLI:NL:RBAMS:2025:9874

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
29 oktober 2025
Publicatiedatum
12 december 2025
Zaaknummer
C/13/763351 / HA ZA 25-120
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot het stellen van zekerheid voor proceskosten in civiele procedure

In deze bodemzaak, behandeld door de Rechtbank Amsterdam, is op 29 oktober 2025 een tussenuitspraak gedaan in een incident. De eisende partijen, aangeduid als [eisers], hebben een vordering ingediend tot het stellen van zekerheid voor proceskosten op basis van artikel 224 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). De gedaagde partij, aangeduid als [eiser id hfdzk en verweerder ih inc.], heeft verweer gevoerd en betwist dat hij geen woonplaats in Nederland heeft. De rechtbank heeft vastgesteld dat [eiser id hfdzk en verweerder ih inc.] sinds 1 april 2025 een huurcontract heeft voor een appartement in [woonplaats 7] en daar ook staat ingeschreven. De rechtbank oordeelt dat de vorderingen van [eisers] en [gedaagden] onvoldoende zijn onderbouwd en dat er geen reden is om aan te nemen dat [eiser id hfdzk en verweerder ih inc.] geen woonplaats in Nederland heeft. De incidentele vorderingen worden afgewezen, en [eisers] en [gedaagden] worden veroordeeld in de proceskosten, die zijn begroot op € 1.406,00. De zaak wordt verder verwezen naar de rol voor conclusie van antwoord op 10 december 2025.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/763351 / HA ZA 25-120
Vonnis in incident van 29 oktober 2025
in de zaak van

1.[eiser 1] ,

te [woonplaats 1] ,
2.
[eiser 2],
te [woonplaats 2] (België),
3.
[eiser 3],
te [woonplaats 3] ,
4.
[eiser 4],
te [woonplaats 4] ,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
advocaat: mr. D.J.M. Lange,

5.[gedaagde 1] ,

te [woonplaats 5] ,
6.
[gedaagde 2],
te [woonplaats 6] ,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
advocaat: mr. R.Q. Potter,
gedaagde partijen in de hoofdzaak,
eisende partijen in het incident,
tegen
[eiser id hfdzk en verweerder ih inc.],
te [woonplaats 7] ,
eisende partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: [eiser id hfdzk en verweerder ih inc.] ,
advocaat: mr. J. Stikkelbroeck,

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding in (onder)vrijwaring van 21 januari 2025, met producties,
- de incidentele conclusie tot zekerheidstellen van de proceskosten, van [eisers] ,
- de incidentele conclusie tot zekerheidstellen van de proceskosten, met één productie, van [gedaagden] ,
- de conclusie van antwoord in het incident, met producties,
- het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 26 september 2025 en de daarin genoemde stukken.
1.2.
Ten slotte is bepaald dat vandaag een vonnis in het incident wordt gewezen.

2.Het geschil in het incident

2.1.
[eisers] en [gedaagden] vorderen, afzonderlijk maar bij gelijkluidende incidentele conclusies, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, om [eiser id hfdzk en verweerder ih inc.] op grond van artikel 224 Rv te veroordelen om zekerheid te stellen voor de proceskosten waarin hij veroordeeld kan worden.
2.2.
[eisers] en [gedaagden] leggen aan de vorderingen ten grondslag dat [eiser id hfdzk en verweerder ih inc.] geen woonplaats of vaste verblijfplaats in Nederland heeft.
2.3.
[eiser id hfdzk en verweerder ih inc.] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de incidentele vorderingen, met veroordeling van [eisers] en [gedaagden] in de kosten van dit incident.
2.4.
[eiser id hfdzk en verweerder ih inc.] voert aan dat hij sinds 1 april 2025 een appartement huurt in [woonplaats 7] en daar ook woont.

3.De beoordeling in het incident

3.1.
Artikel 224 lid 1 Rv bepaalt dat allen zonder woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland die bij een Nederlandse rechter een vordering instellen, verplicht zijn om op vordering van de wederpartij zekerheid te stellen voor de proceskosten en de schadevergoeding tot betaling waarvan zij veroordeeld kunnen worden. De ratio van het artikel is te voorkomen dat een proceskostenveroordeling oninbaar blijft doordat deze niet ten uitvoer kan worden gelegd in de woonplaats van de (oorspronkelijk) eiser, in dit geval [eiser id hfdzk en verweerder ih inc.] . Het gaat er dus om dat een eventuele proceskostenveroordeling in de toekomst verhaald kan worden. Dat brengt mee dat niet de woonplaats van [eiser id hfdzk en verweerder ih inc.] op het moment dat hij de vordering instelde beslissend is, maar zijn huidige woon- of gewone verblijfplaats. [eisers] en [gedaagden] moeten op grond van artikel 150 Rv stellen en onderbouwen dat [eiser id hfdzk en verweerder ih inc.] geen woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland heeft.
3.2.
Als onderbouwing voeren [eisers] en [gedaagden] aan dat de dagvaarding in vrijwaring geen woonplaats van [eiser id hfdzk en verweerder ih inc.] vermeldt, maar alleen dat hij woont c.q. een briefadres heeft in [woonplaats 7] . Daarnaast wijzen zij op een mededeling van de advocaat van [eiser id hfdzk en verweerder ih inc.] dat [eiser id hfdzk en verweerder ih inc.] vanwege zijn werk als schipper in de Verenigde Staten verblijft.
3.3.
Bij de conclusie van antwoord in incident en op de zitting heeft de advocaat van [eiser id hfdzk en verweerder ih inc.] toegelicht dat hij vanwege een opleiding tot schipper tijdelijk in de Verenigde Staten verbleef, maar inmiddels weer is teruggekeerd in Nederland en in een huurappartement in [woonplaats 7] woont. [eiser id hfdzk en verweerder ih inc.] heeft een uittreksel uit de Basisregistratie Personen overgelegd en een bevestiging van inschrijving van de gemeente [woonplaats 7] , waaruit blijkt dat hij sinds 1 april 2025 staat ingeschreven op een woonadres in [woonplaats 7] .
3.4.
Het staat niet ter discussie dat [eiser id hfdzk en verweerder ih inc.] een huurcontract heeft voor het appartement in [woonplaats 7] en daar als enige staat ingeschreven. [eisers] en [gedaagden] hebben onvoldoende onderbouwd dat [eiser id hfdzk en verweerder ih inc.] desondanks op dit moment geen woonplaats in Nederland heeft. Hetgeen [eisers] en [gedaagden] op de zitting hebben aangevoerd – dat [eiser id hfdzk en verweerder ih inc.] het huurcontract wellicht heeft gesloten uitsluitend met het oog op deze incidentele procedure, dat hij het appartement mogelijk onderverhuurt of dat hij eventueel op korte termijn weer naar het buitenland zal vertrekken – is speculatief en kan een beroep op artikel 224 Rv niet dragen.
3.5.
Uit het voorgaande volgt dat de incidentele vorderingen zullen worden afgewezen.
3.6.
[eisers] en [gedaagden] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser id hfdzk en verweerder ih inc.] worden begroot op:
- salaris advocaat
1.228,00
(2 punten × € 614,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.406,00

4.De beslissing

de rechtbank
in het incident
4.1.
wijst de vorderingen af,
4.2.
veroordeelt [eisers] en [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.406, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92 plus de kosten van betekening als [eisers] of [gedaagden] niet tijdig aan de veroordeling voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
in de hoofdzaak
4.3.
verwijst de zaak naar de rol van
woensdag 10 decembervoor conclusie van antwoord.
Dit vonnis is gewezen door mr. F.L. Bolkestein, bijgestaan door mr. R.D. Lok, en in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2025.