ECLI:NL:RBAMS:2025:9822

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
11 december 2025
Zaaknummer
AMS 25/3320
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Recht op tegemoetkoming voor leenstelselstudenten zonder basisbeurs en de voorwaarden voor studiefinanciering

Deze uitspraak betreft de vraag of eiser recht heeft op een tegemoetkoming voor leenstelselstudenten die geen basisbeurs hebben ontvangen. Eiser is het niet eens met het besluit van DUO om terug te komen op een eerder besluit waarin stond dat hij recht had op deze tegemoetkoming. Eiser voert aan dat hij gedurende twaalf maanden voldeed aan de voorwaarden voor studiefinanciering. De rechtbank beoordeelt of DUO de tegemoetkoming terecht heeft ingetrokken. De rechtbank komt tot het oordeel dat DUO de tegemoetkoming onterecht heeft ingetrokken. Eiser krijgt gelijk en het beroep is gegrond. De rechtbank legt uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft. De rechtbank oordeelt dat eiser aannemelijk heeft gemaakt dat hij al vóór 1 september 2013 in Nederland verbleef, zodat hij op 1 september 2018 vijf jaar duurzaam in Nederland verbleef. Hierdoor kon hij gedurende twaalf maanden aanspraak maken op studiefinanciering en heeft hij recht op de tegemoetkoming. De beroepsgrond slaagt. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en herroept het primaire besluit. DUO wordt opgedragen om eiser alsnog de (ingetrokken) tegemoetkoming toe te kennen. Tevens moet DUO het griffierecht aan eiser vergoeden.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/3320

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 december 2025 in de zaak tussen

[eiser], te [plaats 1] , eiser
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Dienst Uitvoering Onderwijs, DUO
(gemachtigde: mr. M.M. Remmelts).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de vraag of eiser recht heeft op de tegemoetkoming voor leenstelselstudenten die geen basisbeurs hebben ontvangen. Eiser is het niet eens met het besluit van DUO om terug te komen op een eerder besluit waarin stond dat hij recht had op deze tegemoetkoming. Eiser voert hiertoe aan dat hij, anders dan DUO stelt, gedurende twaalf maanden voldeed aan de voorwaarden voor studiefinanciering. De rechtbank beoordeelt of DUO de tegemoetkoming terecht heeft ingetrokken.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat DUO de tegemoetkoming onterecht heeft ingetrokken. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

3. DUO heeft eiser bij brief van 10 januari 2025 laten weten dat hij recht heeft op – onder meer – een tegemoetkoming voor de gemiste basisbeurs van € 1.230,12 (de tegemoetkoming).
4. DUO heeft de tegemoetkoming bij besluit van 27 februari 2025 ingetrokken (het primaire besluit). Met het besluit van 21 mei 2025 op het bezwaar van eiser is DUO bij dit besluit gebleven (het bestreden besluit).
4.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
4.2.
De rechtbank heeft het beroep op 25 november 2025 op zitting behandeld. Eiser was hierbij aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde, door middel van een beeldverbinding. De gemachtigde van DUO was ter zitting aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

5. De rechtbank beoordeelt of DUO op goede gronden de tegemoetkoming heeft ingetrokken. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
Voldeed eiser tijdens zijn opleiding gedurende twaalf maanden aan de voorwaarden voor studiefinanciering?
6. DUO stelt dat eiser geen recht heeft op tegemoetkoming omdat hij niet gedurende minimaal twaalf maanden aan de voorwaarden voor studiefinanciering voldeed. Volgens DUO had eiser op 1 september 2018 nog geen vijf jaar onafgebroken in Nederland verbleven en kwam hij daarom niet op grond van het Europese recht voor studiefinanciering in aanmerking. Eiser stond namelijk pas vanaf 2 september 2013 in de Basisregistratie personen (BRP) ingeschreven in Nederland. Omdat de toestand op de eerste dag van de maand bepalend is, verbleef eiser daardoor pas vanaf 1 oktober 2018 vijf jaar duurzaam in Nederland. Een BRP-inschrijving geldt volgens DUO als (enige) bewijs van verblijf, terwijl uit de bewijsstukken van eiser niet blijkt niet dat hij eerder al in Nederland woonde. Eiser voldeed gedurende zijn opleiding dus maar elf maanden (van oktober 2018 tot en met augustus 2019) aan de voorwaarden voor studiefinanciering. Daarom bestaat volgens DUO geen recht op tegemoetkoming.
7. Eiser stelt dat hij wel recht heeft op de tegemoetkoming omdat hij gedurende twaalf maanden voldeed aan de voorwaarden voor studiefinanciering. Hij voert aan dat hij medio augustus 2013 in Nederland is komen wonen en dus ook vanaf medio augustus 2018 dus vijf jaar in Nederland verbleef. Volgens eiser had hij daarom van september 2018 tot en met augustus 2019 recht op studiefinanciering op basis van zijn in het Europese recht verankerde duurzame verblijfsrecht. DUO gaat er volgens hem dan ook ten onrechte van uit dat hij niet minimaal twaalf maanden aan de voorwaarden voor studiefinanciering voldeed.
8. Voor de tegemoetkoming voor leenstelselstudenten gelden de voorwaarden van artikel 12.30, tweede lid, van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000). Allereerst moet de studerende in de periode van 1 september 2015 tot en met 31 augustus 2023 geen aanspraak hebben gehad op een basisbeurs. Daarnaast moet hij in die periode gedurende ten minste twaalf maanden recht hebben gehad op studiefinanciering, anders dan het collegegeldkrediet. In dit verband geldt samengevat dat het recht op aanspraak op studiefinanciering per kalendermaand wordt beoordeeld en dat de toestand op de eerste dag van de maand daarvoor bepalend is. [1] Als derde voorwaarde geldt dat de studerende binnen de diplomatermijn een opleiding als bedoeld in artikel 5.7 van de Wsf 2000 moet hebben afgerond. Ook moet een niet-Nederlandse studerende voldoen aan de eisen van artikel 2.2 van de Wsf 2000. Hieruit volgt onder meer – en in het kort – dat een studerende uit een EU-lidstaat of een daarmee gelijkgestelde staat aanspraak kan maken op volledige studiefinanciering als sprake is van een duurzaam verblijfsrecht, dat ontstaat na vijf jaar legaal verblijf in Nederland. [2]
9. De enige vraag die partijen verdeeld houdt, is of eiser voldoet aan de voorwaarde dat hij gedurende ten minste twaalf maanden recht had op studiefinanciering. Zij zijn het er meer specifiek over oneens of eiser al uiterlijk op 1 september 2013 of pas daarna in Nederland is komen wonen. De rechtbank is van oordeel dat eiser aannemelijk heeft gemaakt dat hij al vóór 1 september 2013 in Nederland verbleef, zodat op 1 september 2018 sprake was van een duurzaam verblijfsrecht. Hierdoor kon hij gedurende twaalf maanden aanspraak maken op studiefinanciering en heeft hij recht op tegemoetkoming. Dit wordt hieronder nader toegelicht.
10. Vooropgesteld wordt dat een inschrijving in de BRP in beginsel een objectief en betrouwbaar uitgangspunt vormt voor het vaststellen van iemands verblijfplaats. In zoverre volgt de rechtbank DUO in haar standpunt dat een ononderbroken verblijf in Nederland in de regel kan blijken uit een BRP-inschrijving. Dit sluit echter niet uit dat in sommige gevallen ook zonder een BRP-inschrijving kan worden vastgesteld dat iemand in Nederland verbleef. [3] Dat is het geval als blijkt van concrete omstandigheden die voldoende wijzen op een (eerder) feitelijk verblijf in Nederland.
11. De rechtbank is van oordeel dat eiser aannemelijk heeft gemaakt dat hij al in augustus 2013, dus vóór zijn BRP-inschrijving op 2 september 2013, feitelijk in Nederland verbleef. Er is dan ook aanleiding om in het geval van eiser van het hiervoor genoemde uitgangspunt af te wijken. DUO wordt daarom niet gevolgd in haar standpunt dat uitsluitend de BRP-inschrijving bepalend is voor het begin van eisers verblijf in Nederland. De rechtbank gaat hieronder in op de omstandigheden die tot dit oordeel leiden.
12. Eiser heeft op de zitting uitgelegd dat hij medio augustus 2013 samen met zijn vader naar Nederland is gereisd. Na een kort verblijf in een hotel heeft hij later in augustus 2013 een appartement in [plaats 2] gehuurd en betrokken. Eiser heeft daarnaast een brief van de [bedrijf] overgelegd waaruit volgt dat hij daar op 22 augustus 2013 een bankrekening heeft geopend. Eiser heeft ter zitting toegelicht dat hij hiervoor bij het [bedrijf] -kantoor langs is gegaan en onder meer zijn adresgegevens, het huurcontract en zijn bewijs van inschrijving bij de opleiding moest aanleveren. Dit sluit aan bij de gebruikelijke identificatie- en verificatievereisten van banken. Deze omstandigheden ondersteunen dat eiser deze documenten destijds daadwerkelijk kon overleggen en daarmee dat hij (al in augustus 2013 kon aantonen dat hij) vóór 1 september 2013 in Nederland woonde. Dat eiser het huurcontract en afschriften van zijn bankrekening niet in deze procedure heeft overgelegd, doet hieraan niet af. De rechtbank acht in dit verband de stelling dat hij deze documenten na ruim twaalf jaar niet meer kan terugvinden of opvragen geloofwaardig.
13. Verder heeft eiser een brief van zijn opleidingsinstelling van 21 november 2019 overgelegd waaruit volgt dat hij vanaf 1 september 2013 was ingeschreven voor een voltijds masterstudie. Daarnaast volgt uit een e-mail van zijn opleidingsinstelling van 15 augustus 2013 dat hij uiterlijk op 1 oktober 2013 zijn woonadres moest registreren bij de gemeente en dat hiervoor op maandag 2 september 2013 om 14:00 uur een inschrijfsessie werd georganiseerd. Ter zitting heeft eiser toegelicht dat hij deze sessie op 2 september 2013 heeft bezocht en dat de medewerkers van de opleidingsinstelling hem toen hebben geholpen met zijn BRP-inschrijving. Eiser heeft toegelicht dat de sessie pas op 2 september 2013 kon plaatsvinden, omdat 1 september 2013 op een zondag viel. Eiser heeft hiermee een begrijpelijke uitleg gegeven voor het feit dat hij zich pas na 1 september 2013 in de BRP heeft ingeschreven, terwijl hij daarvoor al in Nederland woonde. Bovendien verklaart de uitnodiging van de opleidingsinstelling ook waarom eiser zich, ondanks dat hij al eerder in Nederland woonachtig was, niet eerder zelf bij de gemeente heeft gemeld voor een inschrijving in de BRP.
14. Al het voorgaande is voldoende om aan te nemen dat eiser al vóór 1 september 2013 in Nederland woonde, ook al stond hij toen nog niet in de BRP ingeschreven. Dat betekent dat eiser op 1 september 2018 vijf jaar duurzaam in Nederland verbleef. Hij kon daarom gedurende twaalf maanden – van 1 september 2018 tot en met augustus 2019 – aanspraak maken op studiefinanciering. Eiser heeft dan ook recht op tegemoetkoming. De beroepsgrond slaagt.

Conclusie en gevolgen

15. Het beroep is gegrond. De rechtbank voorziet zelf in de zaak, omdat maar één uitkomst mogelijk is in de zaak van eiser. Namelijk dat eiser wel gedurende twaalf maanden aanspraak kon maken op studiefinanciering, zodat hij wel recht heeft op de tegemoetkoming. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en herroept het primaire besluit. Deze uitspraak komt in de plaats van de besluitvorming van DUO. De rechtbank draagt DUO op eiser alsnog de (ingetrokken) tegemoetkoming toe te kennen.
16. Omdat het beroep gegrond is moet DUO het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- herroept het primaire besluit;
- stelt de uitspraak in de plaats van het vernietigde besluit;
- draagt DUO op eiser alsnog de tegemoetkoming voor de gemiste basisbeurs toe te kennen;
- bepaalt dat DUO het griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A.L. Wiersinga, rechter, in aanwezigheid van mr. N.J.A. van Eck, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2025.
Griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder a, en artikel 1.2 van de Wsf 2000.
2.Artikel 2.2, aanhef en onder b, van de Wsf 2000 in samenhang met artikel 16, eerste lid, van Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004.
3.Vgl. Rb. Amsterdam 21 december 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:7630.