ECLI:NL:RBAMS:2025:9745

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
28 november 2025
Publicatiedatum
10 december 2025
Zaaknummer
13/228955-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor meermalen medeplegen van zakkenrollerij met slachtoffers van hoge leeftijd

In deze zaak heeft de Rechtbank Amsterdam op 28 november 2025 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die zich schuldig heeft gemaakt aan meermalen medeplegen van zakkenrollerij. De verdachte, geboren in 1992 en zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, is veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen maanden. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte samen met medeverdachten op sluwe wijze meerdere slachtoffers, waaronder ouderen van 91 en 92 jaar, heeft bestolen van hun persoonlijke bezittingen. De rechtbank heeft de feiten bewezen verklaard, waarbij de verdachte betrokken was bij diefstallen van ringen en een portemonnee. De rechtbank heeft de vordering van de officier van justitie gevolgd, die een hogere straf had geëist, en heeft de straf gemotiveerd door te wijzen op de ernst van de feiten en de vooropgezette plannen van de verdachte en zijn medeverdachten. De rechtbank heeft ook de vorderingen van benadeelde partijen beoordeeld, waarbij enkele vorderingen zijn toegewezen en andere zijn afgewezen wegens onvoldoende bewijs of onderbouwing. De uitspraak benadrukt de noodzaak van afschrikking tegen het plegen van dergelijke strafbare feiten, vooral gericht op kwetsbare slachtoffers.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/228955-25
Datum uitspraak: 28 november 2025
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats 1] ( [geboorteland 1] ) op [geboortedag 1] 1992,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland ,
momenteel gedetineerd in het [detentieadres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 14 november 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. W. van Veen, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M.D.A. Stam, naar voren hebben gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van de vorderingen benadeelde partij van [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] .

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – tenlastegelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan
telkens op 28 augustus 2025
medeplegen van dan wel medeplichtigheid bij diefstal van een ketting van [benadeelde partij 1] in Amstelveen;
medeplegen van dan wel medeplichtigheid bij diefstal van een portemonnee met daarin meerdere passen en contant geld van [benadeelde partij 2] in Amstelveen;
medeplegen van dan wel medeplichtigheid bij diefstal van een ketting van [benadeelde partij 3] in Vught;
telkens op 26 augustus 2025
4. medeplegen van dan wel medeplichtigheid bij diefstal van ringen van [Aangeefster] in Eindhoven;
5. medeplegen van dan wel medeplichtigheid bij diefstal van een ketting van [benadeelde partij 4] in Haarlem.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in
bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en
geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3.Waardering van het bewijs

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle primair tenlastegelegde feiten kunnen worden bewezen. Er is telkens sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking en dezelfde modus operandi.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van het onder 2 en onder 4 subsidiair tenlastegelegde. Ten aanzien van de overige primair en subsidiair tenlastegelegde feiten heeft de raadsman vrijspraak bepleit wegens onvoldoende bewijs.
3.3.
Het oordeel van de rechtbank
Vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde (diefstal van [benadeelde partij 1] ) en het onder 3 tenlastegelegde (diefstal van [benadeelde partij 3] )
De rechtbank is van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 en 3 tenlastegelegde wegens onvoldoende wettig bewijs. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. De signalementen van de daders zijn onvoldoende specifiek om met zekerheid te kunnen vaststellen dat het om verdachte gaat. Daarnaast zijn de gestolen sieraden niet bij verdachte of zijn medeverdachten aangetroffen.
Bewezenverklaring van het onder 2 primair tenlastegelegde (diefstal [benadeelde partij 2] )
Nadat aangever [benadeelde partij 2] op 28 augustus 2025 boodschappen heeft gedaan, loopt hij naar zijn auto. Op dat moment slaat een vrouw een arm om hem heen. Vervolgens ziet hij dat de vrouw in een auto stapt waarin nog een vrouw zit. Aangekomen bij zijn auto merkt hij dat zijn portemonnee, met daarin allerlei passen en gegevens en contant geld, is weggenomen.
Op de camerabeelden is te zien dat een auto in de richting van aangever rijdt. Een vrouw (vrouw 1) stapt uit de passagierskant uit en vervolgens stapt nog een vrouw (vrouw 2) uit via het rechterachterportier. Minder dan een minuut later loopt vrouw 1 met versnelde pas terug naar de auto en loopt vrouw 2 er achteraan.
Ongeveer anderhalf uur later zijn verdachte en medeverdachten [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) en [medeverdachte 2] aangehouden op grond van een andere verdenking. Verbalisanten hebben beschreven dat de verdachten overeenkomsten hebben met de personen op de camerabeelden, namelijk verdachte als bestuurder van de auto, verdachte en [medeverdachte 1] als de vrouwen die uit de auto stappen.
Verdachte heeft bij de politie verklaard dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] uit de auto zijn gestapt, iets aan iemand hebben gevraagd en deze persoon daarbij hebben aangeraakt. Vervolgens zou medeverdachte [medeverdachte 1] de portemonnee van [benadeelde partij 2] hebben gestolen.
Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft ontkend dat zij de portemonnee heeft gestolen. Zij heeft verklaard dat zij op 28 augustus 2025 vanuit Duitsland naar Beverwijk is gereden om sieraden te kopen bij de Bazaar.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] de portemonnee met inhoud heeft gestolen. De aangifte wordt ondersteund door de camerabeelden en de verklaring van verdachte. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van medeplegen, gelet op het vooropgezette plan waarbij met de auto naar de supermarkt is gereden, een slachtoffer is uitgezocht en vervolgens door samenwerking van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] de portemonnee binnen een zeer kort tijdsbestek is weggenomen. De onderlinge verhouding tussen de verdachten is duidelijk zichtbaar, waarbij ieder van hen substantieel heeft bijgedragen aan het gepleegde feit. De rechtbank acht het onder 2 tenlastegelegde feit bewezen.
Bewezenverklaring van het onder 4 primair tenlastegelegde (diefstal [Aangeefster] )
Aangeefster [Aangeefster] loopt op 26 augustus 2025 langs een auto, waarbij zij door een vrouw op de bijrijdersstoel vanuit de auto wordt aangesproken. De vrouw stelt aangeefster vragen over de katholieke kerk en wil haar ringen en € 100,- geven. Hierbij vindt een wisseltruc plaats, waarbij aangeefster drie ringen in haar eigen tas stopt, maar de vrouw deze er onopgemerkt uithaalt. Aangeefster verklaart dat de bestuurder van de auto een man met een baard betrof.
Verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] zijn op 28 augustus 2025 aangehouden op grond van een andere verdenking. In een verborgen plek in de auto zijn de ringen van [Aangeefster] aangetroffen.
Ter zitting heeft verdachte verklaard dat medeverdachte [medeverdachte 1] de ringen van [Aangeefster] heeft gestolen. Verdachte heeft verklaard dat hij wist dat [medeverdachte 1] van plan was om de ringen te stelen.
De rechtbank dient te beoordelen of de rol van verdachte aangemerkt kan worden als medepleger of medeplichtige.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte en [medeverdachte 1] nauw en bewust hebben samengewerkt, waardoor sprake is van medeplegen. Verdachte is samen met [medeverdachte 1] op het slachtoffer afgereden, het slachtoffer is aangesproken waarna de ringen (vanuit de auto) zijn weggenomen en verdachte vervolgens met [medeverdachte 1] weg is gereden. Als bestuurder van de auto heeft verdachte een substantiële bijdrage geleverd aan de diefstal, waardoor van een ondergeschikte rol geen sprake is. Bovendien heeft hij verklaard dat hij wetenschap had van het plan van de diefstal. De rechtbank acht het primair tenlastegelegde onder 4 bewezen.
Bewezenverklaring van het onder 5 primair tenlastegelegde (diefstal [benadeelde partij 4] )
Op 26 augustus 2025 is aangeefster [benadeelde partij 4] op straat aangesproken door een vrouw, die op de bijrijdersstoel zat. Deze vrouw stelde haar vragen over de route naar de kerk. De bestuurder, een man, liet hierbij iets zien op zijn telefoon. Aangeefster hing hierbij half in de auto. Na het vertrek van de auto merkte aangeefster dat haar ketting met twee hangertjes was weggenomen.
Zoals hierboven beschreven zijn verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] op 28 augustus 2025 aangehouden. De ketting van aangeefster is aangetroffen in de auto van de verdachte en medeverdachte, maar met slechts één hanger.
Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat zij op 28 augustus 2025 een ketting heeft gestolen. Verdachte heeft wisselend verklaard over zijn betrokkenheid bij de diefstal. Bij de politie heeft hij verklaard dat het opgegeven signalement door aangeefster van de bestuurder met zijn eigen signalement overeenkomt, maar dat hij niets van de diefstal af weet. Verdachte heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij op een parkeerplaats was en dat de ringen, de portemonnee en een ketting die hij bij zich had, van diefstal afkomstig waren. Ter zitting heeft hij zijn betrokkenheid ontkend, hij was enkel op een parkeerplaats geweest.
De rechtbank hecht geen waarde aan de ontkennende verklaring van verdachte en acht bewezen dat verdachte samen met [medeverdachte 1] de ketting heeft gestolen. Daarbij is van belang dat aangeefster heeft verklaard dat zowel de vrouw als de man actief betrokken waren bij het plegen van het feit. Dit temeer de ketting is weggenomen vanuit de auto en zij beiden deelnamen aan het gesprek over het vragen van de route. Gelet hierop kan bewezen worden dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking. Het signalement van de bestuurder komt, zoals verdachte zelf ook heeft bevestigd, overeen met verdachte. Bovendien is de ketting aangetroffen in de auto die verdachte bestuurde. De rechtbank acht het primair tenlastegelegde onder 5 bewezen.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in
bijlage IIvervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
2.
op 28 augustus 2025 te Amstelveen tezamen en in vereniging met anderen
- een portemonnee,
- een contant geldbedrag,
- meerdere pinpassen en
- een kenteken- en verzekeringsbewijs,
die aan [benadeelde partij 2] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
4.
op 26 augustus 2025 te Eindhoven tezamen en in vereniging met een ander, ringen, die aan [Aangeefster] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen;
5.
op 26 augustus 2025 te Haarlem tezamen en in vereniging met een ander een ketting, die aan [benadeelde partij 4] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

5.De strafbaarheid van de feiten en verdachte

De bewezenverklaarde feiten zijn volgens de wet strafbaar en verdachte is hiervoor strafbaar.

6.De strafmotivering

6.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden met aftrek van voorarrest. Hierbij heeft de officier van justitie rekening gehouden met de omstandigheid dat sprake is van mobiel banditisme.
6.2.
Het strafmaatverweer van de verdediging
De raadsman heeft verzocht de eis van de officier van justitie te matigen, gelet op de ondergeschikte rol van verdachte.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft zich meermalen schuldig gemaakt aan het medeplegen van zakkenrollerij. Op een listige wijze heeft hij meerdere mensen bestolen van dierbare voorwerpen, zoals de trouwringen van een 92-jarige vrouw en de ketting van een 90-jarige vrouw. Verdachte heeft hierbij geen oog gehad voor het leed wat hij hiermee aanricht. Samen met twee anderen heeft hij ook een 91-jarig slachtoffer op sluwe wijze bestolen van zijn portemonnee. Vervolgens is de portemonnee, nadat het geld eruit is genomen, door verdachten weggegooid. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan. Ook is steeds sprake geweest van een vooropgezet plan, waarbij op doortrapte wijze misbruik is gemaakt van de goedheid van de slachtoffers om behulpzaam te willen zijn naar de verdachte. Het heeft er alle schijn van dat verdachte de slachtoffers mede heeft uitgekozen vanwege hun hoge leeftijd. Ter zitting heeft verdachte geen openheid van zaken gegeven en zijn verklaring steeds aangepast na geconfronteerd te zijn met (onjuistheden in) zijn verklaringen. Dit weegt de rechtbank in het nadeel van verdachte mee. Ook neemt de rechtbank in strafverzwarende zin mee dat verdachte samen met anderen doelbewust naar Nederland is gekomen om strafbare feiten te plegen, waarbij sprake is geweest van een strooptocht.
Uit het strafblad van verdachte van 8 oktober 2025 blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.
Uit de door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) geformuleerde oriëntatiepunten voor de straftoemeting blijkt dat het oriëntatiepunt voor ‘zakkenrollerij’ waarbij in georganiseerd verband te werk wordt gegaan een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden is. Naast vergelding dient de straf ook een afschrikkende werking te hebben voor het komen naar Nederland om strafbare feiten te plegen.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden met aftrek van voorarrest passend en geboden.

7.Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

7.1.
Vordering tot schadevergoeding van [benadeelde partij 1] (feit 1)
7.1.1.
De vordering
De benadeelde partij [benadeelde partij 1] vordert € 8.000,- aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.1.2.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank kan alleen een schadevergoeding toekennen als bewezen is dat verdachte het strafbare feit dat met de schade verband houdt heeft begaan. Verdachte zal door de rechtbank worden vrijgesproken van het tenlastegelegde onder 1. Daarom wordt [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering. Dat betekent dat de geleden schade niet in deze strafzaak wordt vergoed. De vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
7.2.
Vordering tot schadevergoeding van [benadeelde partij 2] (feit 2)
7.2.1.
De vordering
De benadeelde partij vordert € 192,05 aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:
nieuw kentekenbewijs (€ 89,95);
nieuw rijbewijs (€ 52,10);
contant geld (€ 50,00).
7.2.2.
Het oordeel van de rechtbank
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 2 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De vordering is niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.
Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
Hoofdelijk
Het toegewezen bedrag wordt hoofdelijk aan verdachte opgelegd, omdat verdachte het feit samen met anderen heeft gepleegd. Verdachte en zijn medeverdachten zijn ieder afzonderlijk verplicht om het totale bedrag aan de benadeelde partij te betalen, tenzij een van de anderen het hele bedrag al heeft betaald.
Schadevergoedingsmaatregel
In het belang van [benadeelde partij 2] wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.
7.3.
Vordering tot schadevergoeding van [benadeelde partij 3] (feit 3)
7.3.1.
De vordering
De benadeelde partij vordert € 1.230,- aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Daarnaast vordert de benadeelde partij € 200,- aan proceskosten.
7.3.2.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank kan alleen een schadevergoeding toekennen als bewezen is dat verdachte het strafbare feit dat met de schade verband houdt heeft begaan. Verdachte zal door de rechtbank worden vrijgesproken van het tenlastegelegde onder 3. Daarom wordt [benadeelde partij 3] niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering. Dat betekent dat de geleden schade niet in deze strafzaak wordt vergoed. De vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
7.4.
Vordering tot schadevergoeding van [benadeelde partij 4] (feit 5)
7.4.1.
De vordering
De benadeelde partij vordert € 475,- aan vergoeding van materiële schade, te weten de gestolen ketting, en € 1.200,- aan vergoeding van immateriële kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.4.2.
Het oordeel van de rechtbank
Immateriële schade
De verdediging heeft de vordering betwist, omdat het geestelijk letsel niet naar objectieve maatstaven kan worden vastgesteld. De ernst en de aard van het feit brengt ook niet met zich mee dat geestelijk letsel zonder enige onderbouwing kan worden aangenomen.
De rechtbank zal de vordering tot immateriële schadevergoeding niet ontvankelijk verklaren.
De gevolgen die de benadeelde partij beschrijft in haar toelichting op de vordering zijn heel invoelbaar. Zo beschrijft [benadeelde partij 4] dat zij als gevolg van het feit gevoelens van angst en achterdochtigheid ervaart.
De wet stelt echter strenge eisen aan het verhalen op daders van dergelijke gevoelens. Verhaal is alleen dan mogelijk als sprake is van dusdanig geestelijk letsel dat dit kan worden aangemerkt als een aantasting van de persoon. Hiervan is slechts sprake als het geestelijk letsel een voldoende ernstig karakter heeft. Gevoelens van psychisch onbehagen, angst en verdriet vallen volgens vaste rechtspraak hier niet onder. Eventuele ernstigere psychische schade is niet onderbouwd. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.
In dit geval is de rechtbank op grond van het dossier en de vordering tot schadevergoeding van oordeel dat geen van de hierboven genoemde situaties zich voordoet. De benadeelde partij zal daarom ten aanzien van de immateriële schade niet ontvankelijk worden verklaard.
Materiële schade
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 5 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht.
De verdediging heeft de vordering betwist, omdat de ketting is teruggevonden bij verdachte.
De rechtbank concludeert dat de vordering tot vergoeding van materiële schade zal worden toegewezen tot een bedrag van in totaal € 125,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Op basis van het dossier staat vast dat de ketting met het hangertje met de letter A onder verdachte is teruggevonden. Aan de ketting zat echter ook een hangertje met het continent van [plaats] die niet is aangetroffen bij verdachte. De rechtbank maakt daarom gebruik van haar schattingsbevoegdheid en acht een bedrag van € 125,- toewijsbaar. De overige gevorderde materiële schade zal de rechtbank afwijzen.
Hoofdelijk
Het toegewezen bedrag wordt hoofdelijk aan verdachte opgelegd, omdat verdachte het feit samen met anderen heeft gepleegd. Verdachte en zijn medeverdachte zijn ieder afzonderlijk verplicht om het totale bedrag aan de benadeelde partij te betalen, tenzij een van de anderen het hele bedrag al heeft betaald.
Schadevergoedingsmaatregel
In het belang van [benadeelde partij 4] wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 57 en 311 Sr.

9.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het tenlastegelegde onder 1 en onder 3 niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde onder 2, 4 en 5 heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is
bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
ten aanzien van feit 2, feit 4 en feit 5:
telkens: diefstal door twee of meer verenigde personen.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
9 (negen) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in
verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die
straf in mindering gebracht zal worden.
Vordering [benadeelde partij 1]
Verklaart [benadeelde partij 1] niet ontvankelijk in zijn vordering.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Vordering [benadeelde partij 2]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] toe tot een bedrag van € 192,05 (honderdtweeënnegentig euro en vijf cent) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van ontstaan van de schade (28 augustus 2025) tot aan de dag van voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 2] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander of anderen is betaald.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 2] aan de Staat € 192,05 (honderdtweeënnegentig euro en vijf cent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (28 augustus 2025) tot aan de dag van voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 3 (drie) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte of een ander dan wel anderen aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Vordering [benadeelde partij 3]
Verklaart [benadeelde partij 3] niet ontvankelijk in haar vordering.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Vordering [benadeelde partij 4]
Immateriële schade
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 4] niet ontvankelijk in haar vordering voor zover het de immateriële schade betreft.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Materiële schade
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] toe tot een bedrag van € 125,- (honderdvijfentwintig euro) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van ontstaan van de schade (26 augustus 2025) tot aan de dag van voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 4] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander of anderen is betaald.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Wijst de vordering voor het overige gedeelte af.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 4] aan de Staat € 125,- (honderdvijfentwintig euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (26 augustus 2025) tot aan de dag van voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 2 (twee) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte of een ander dan wel anderen aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. G. Oldekamp, voorzitter,
mrs. E. van den Brink en C.C.J. Maas-van Es, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. F.E. Leopold, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 november 2025.
[--]

1.[--]

1.[--]