3.3.Het oordeel van de rechtbank
Vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde (diefstal van [benadeelde partij 1] ) en het onder 3 tenlastegelegde (diefstal van [benadeelde partij 3] )
De rechtbank is van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 en 3 tenlastegelegde wegens onvoldoende wettig bewijs. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. De signalementen van de daders zijn onvoldoende specifiek om met zekerheid te kunnen vaststellen dat het om verdachte gaat. Daarnaast zijn de gestolen sieraden niet bij verdachte of zijn medeverdachten aangetroffen.
Bewezenverklaring van het onder 2 primair tenlastegelegde (diefstal [benadeelde partij 2] )
Nadat aangever [benadeelde partij 2] op 28 augustus 2025 boodschappen heeft gedaan, loopt hij naar zijn auto. Op dat moment slaat een vrouw een arm om hem heen. Vervolgens ziet hij dat de vrouw in een auto stapt waarin nog een vrouw zit. Aangekomen bij zijn auto merkt hij dat zijn portemonnee, met daarin allerlei passen en gegevens en contant geld, is weggenomen.
Op de camerabeelden is te zien dat een auto in de richting van aangever rijdt. Een vrouw (vrouw 1) stapt uit de passagierskant uit en vervolgens stapt nog een vrouw (vrouw 2) uit via het rechterachterportier. Minder dan een minuut later loopt vrouw 1 met versnelde pas terug naar de auto en loopt vrouw 2 er achteraan.
Ongeveer anderhalf uur later zijn verdachte en medeverdachten [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) en [medeverdachte 2] aangehouden op grond van een andere verdenking. Verbalisanten hebben beschreven dat de verdachten overeenkomsten hebben met de personen op de camerabeelden, namelijk verdachte als bestuurder van de auto, verdachte en [medeverdachte 1] als de vrouwen die uit de auto stappen.
Verdachte heeft bij de politie verklaard dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] uit de auto zijn gestapt, iets aan iemand hebben gevraagd en deze persoon daarbij hebben aangeraakt. Vervolgens zou medeverdachte [medeverdachte 1] de portemonnee van [benadeelde partij 2] hebben gestolen.
Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft ontkend dat zij de portemonnee heeft gestolen. Zij heeft verklaard dat zij op 28 augustus 2025 vanuit Duitsland naar Beverwijk is gereden om sieraden te kopen bij de Bazaar.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] de portemonnee met inhoud heeft gestolen. De aangifte wordt ondersteund door de camerabeelden en de verklaring van verdachte. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van medeplegen, gelet op het vooropgezette plan waarbij met de auto naar de supermarkt is gereden, een slachtoffer is uitgezocht en vervolgens door samenwerking van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] de portemonnee binnen een zeer kort tijdsbestek is weggenomen. De onderlinge verhouding tussen de verdachten is duidelijk zichtbaar, waarbij ieder van hen substantieel heeft bijgedragen aan het gepleegde feit. De rechtbank acht het onder 2 tenlastegelegde feit bewezen.
Bewezenverklaring van het onder 4 primair tenlastegelegde (diefstal [Aangeefster] )
Aangeefster [Aangeefster] loopt op 26 augustus 2025 langs een auto, waarbij zij door een vrouw op de bijrijdersstoel vanuit de auto wordt aangesproken. De vrouw stelt aangeefster vragen over de katholieke kerk en wil haar ringen en € 100,- geven. Hierbij vindt een wisseltruc plaats, waarbij aangeefster drie ringen in haar eigen tas stopt, maar de vrouw deze er onopgemerkt uithaalt. Aangeefster verklaart dat de bestuurder van de auto een man met een baard betrof.
Verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] zijn op 28 augustus 2025 aangehouden op grond van een andere verdenking. In een verborgen plek in de auto zijn de ringen van [Aangeefster] aangetroffen.
Ter zitting heeft verdachte verklaard dat medeverdachte [medeverdachte 1] de ringen van [Aangeefster] heeft gestolen. Verdachte heeft verklaard dat hij wist dat [medeverdachte 1] van plan was om de ringen te stelen.
De rechtbank dient te beoordelen of de rol van verdachte aangemerkt kan worden als medepleger of medeplichtige.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte en [medeverdachte 1] nauw en bewust hebben samengewerkt, waardoor sprake is van medeplegen. Verdachte is samen met [medeverdachte 1] op het slachtoffer afgereden, het slachtoffer is aangesproken waarna de ringen (vanuit de auto) zijn weggenomen en verdachte vervolgens met [medeverdachte 1] weg is gereden. Als bestuurder van de auto heeft verdachte een substantiële bijdrage geleverd aan de diefstal, waardoor van een ondergeschikte rol geen sprake is. Bovendien heeft hij verklaard dat hij wetenschap had van het plan van de diefstal. De rechtbank acht het primair tenlastegelegde onder 4 bewezen.
Bewezenverklaring van het onder 5 primair tenlastegelegde (diefstal [benadeelde partij 4] )
Op 26 augustus 2025 is aangeefster [benadeelde partij 4] op straat aangesproken door een vrouw, die op de bijrijdersstoel zat. Deze vrouw stelde haar vragen over de route naar de kerk. De bestuurder, een man, liet hierbij iets zien op zijn telefoon. Aangeefster hing hierbij half in de auto. Na het vertrek van de auto merkte aangeefster dat haar ketting met twee hangertjes was weggenomen.
Zoals hierboven beschreven zijn verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] op 28 augustus 2025 aangehouden. De ketting van aangeefster is aangetroffen in de auto van de verdachte en medeverdachte, maar met slechts één hanger.
Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat zij op 28 augustus 2025 een ketting heeft gestolen. Verdachte heeft wisselend verklaard over zijn betrokkenheid bij de diefstal. Bij de politie heeft hij verklaard dat het opgegeven signalement door aangeefster van de bestuurder met zijn eigen signalement overeenkomt, maar dat hij niets van de diefstal af weet. Verdachte heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij op een parkeerplaats was en dat de ringen, de portemonnee en een ketting die hij bij zich had, van diefstal afkomstig waren. Ter zitting heeft hij zijn betrokkenheid ontkend, hij was enkel op een parkeerplaats geweest.
De rechtbank hecht geen waarde aan de ontkennende verklaring van verdachte en acht bewezen dat verdachte samen met [medeverdachte 1] de ketting heeft gestolen. Daarbij is van belang dat aangeefster heeft verklaard dat zowel de vrouw als de man actief betrokken waren bij het plegen van het feit. Dit temeer de ketting is weggenomen vanuit de auto en zij beiden deelnamen aan het gesprek over het vragen van de route. Gelet hierop kan bewezen worden dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking. Het signalement van de bestuurder komt, zoals verdachte zelf ook heeft bevestigd, overeen met verdachte. Bovendien is de ketting aangetroffen in de auto die verdachte bestuurde. De rechtbank acht het primair tenlastegelegde onder 5 bewezen.