ECLI:NL:RBAMS:2025:9744

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
28 november 2025
Publicatiedatum
10 december 2025
Zaaknummer
13/228958-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor meermalen medeplegen van zakkenrollerij met slachtoffers van hoge leeftijd

Op 28 november 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in de zaak tegen een verdachte die zich schuldig heeft gemaakt aan meermalen medeplegen van zakkenrollerij. De verdachte, geboren in 1982 en zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, is op 14 november 2025 ter terechtzitting verschenen. De officier van justitie, mr. W. van Veen, heeft een gevangenisstraf van vijftien maanden geëist, terwijl de verdediging pleitte voor een lagere straf, rekening houdend met de bekennende verklaring van de verdachte en haar status als first offender. De rechtbank heeft de verdachte uiteindelijk veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen maanden, met aftrek van voorarrest. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte samen met anderen meerdere ouderen heeft bestolen, waaronder slachtoffers van 91 en 92 jaar. De rechtbank heeft de bewezenverklaring van de diefstallen onder 2, 4 en 5 uitgesproken, waarbij de verdachte in vereniging met anderen heeft gehandeld. De rechtbank heeft ook de vorderingen van benadeelde partijen beoordeeld, waarbij enkele vorderingen zijn toegewezen en andere zijn afgewezen. De rechtbank heeft de verdachte ook verplicht om schadevergoedingen te betalen aan de benadeelde partijen, met inachtneming van de wettelijke rente. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de rechtbank, bestaande uit drie rechters, en is openbaar uitgesproken op dezelfde datum.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/228958-25
Datum uitspraak: 28 november 2025
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag 1] 1982,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
momenteel gedetineerd in de [detentieadres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 14 november 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. W. van Veen, en van wat verdachte en haar raadsvrouw, mr. L. Snel, naar voren hebben gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van de vorderingen benadeelde partij van [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] .

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – tenlastegelegd dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan
telkens op 28 augustus 2025
medeplegen van diefstal van een ketting van [benadeelde partij 1] in Amstelveen;
medeplegen van diefstal van een portemonnee met daarin meerdere passen en contant geld van [benadeelde partij 2] in Amstelveen;
medeplegen van diefstal van een ketting van [benadeelde partij 3] in Vught;
telkens op 26 augustus 2025
4. medeplegen van diefstal van ringen van [persoon 2] in Eindhoven;
5. medeplegen van diefstal van een ketting van [benadeelde partij 4] in Haarlem.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in
bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en
geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3.Waardering van het bewijs

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle tenlastegelegde feiten kunnen worden bewezen. Daarbij is telkens sprake van nauwe en bewuste samenwerking en dezelfde ‘modus operandi’.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft, gelet op de bekennende verklaring van verdachte, geen verweer gevoerd ten aanzien van het onder 2, 4 en 5 tenlastegelegde. Zij heeft enkel aangevoerd dat geen sprake is van medeplegen voor wat betreft het onder 5 tenlastegelegde.
Ten aanzien van het onder 1 en 3 tenlastegelegde heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit.
3.3.
Het oordeel van de rechtbank
Vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde (diefstal van [benadeelde partij 1] ) en het onder 3 tenlastegelegde (diefstal van [benadeelde partij 3] )
Met de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat het dossier onvoldoende wettig bewijs bevat voor een veroordeling van bovengenoemde feiten. De signalementen van de daders zijn onvoldoende specifiek om met zekerheid te kunnen vaststellen dat het om verdachte gaat. Daarnaast zijn de gestolen sieraden niet bij verdachte of de medeverdachten aangetroffen.
Bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde (diefstal [benadeelde partij 2] ), het onder 4 tenlastegelegde (diefstal [persoon 2] ) en het onder 5 tenlastegelegde (diefstal [benadeelde partij 4] )
Verdachte heeft bekend dat zij de portemonnee van [benadeelde partij 2] , de ringen van [persoon 2] en de ketting van [benadeelde partij 4] heeft gestolen. De raadsvrouw heeft geen bewijsverweer gevoerd.
De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde sprake is van medeplegen. Nadat aangever [benadeelde partij 2] op 28 augustus 2025 boodschappen heeft gedaan, loopt hij naar zijn auto. Op dat moment slaat een vrouw een arm om hem heen. Vervolgens ziet hij dat de vrouw in een auto stapt waarin nog een vrouw zit. Aangekomen bij zijn auto merkt hij dat zijn portemonnee, met daarin allerlei passen en gegevens en contant geld, is weggenomen.
Op de camerabeelden is te zien dat verdachte en [medeverdachte 1] op dezelfde momenten de auto in- en uitstappen. Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft na confrontatie met de camerabeelden verklaard dat hij de bestuurder van de auto was. Ook heeft hij verklaard dat verdachte en [medeverdachte 1] iets aan iemand hebben gevraagd, hem hierbij hebben aangeraakt en dat verdachte vervolgens de portemonnee van aangever heeft gestolen.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] de portemonnee met inhoud heeft gestolen. De aangifte wordt ondersteund door de camerabeelden en de verklaring van verdachte. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van medeplegen, gelet op het vooropgezette plan waarbij met de auto naar de supermarkt is gereden, een slachtoffer is uitgezocht en vervolgens door samenwerking van verdachte en [medeverdachte 1] de portemonnee binnen een zeer kort tijdsbestek is weggenomen. De onderlinge verhouding tussen de verdachten is duidelijk zichtbaar, waarbij ieder van hen substantieel heeft bijgedragen aan het gepleegde feit. De rechtbank acht het onder 2 tenlastegelegde feit bewezen.
Ook ten aanzien van het onder 4 en 5 tenlastegelegde is de rechtbank van oordeel dat sprake is van medeplegen. Uit de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 2] in combinatie met de aangifte van [persoon 2] (feit 4) volgt dat [medeverdachte 2] de bestuurder van de auto was op het moment dat de ringen van aangeefster zijn weggenomen. De rechtbank stelt ook vast dat [medeverdachte 2] de bestuurder van de auto was bij de diefstal van [benadeelde partij 4] (feit 5), gelet op zijn eigen verklaring in samenhang met de aangifte. Zowel [persoon 2] als [benadeelde partij 4] zijn aangesproken en van hun goederen bestolen door verdachte, terwijl zij als bijrijder in de auto zat. Gelet op de wijze waarop de diefstallen zijn gepleegd, waarbij de bestuurder van de auto een essentiële rol heeft gespeeld, hebben verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] geen ondergeschikte rol ten opzichte van elkaar gehad. Bovendien heeft aangeefster [benadeelde partij 4] verklaard dat de man in de auto ook deel uitmaakte van het gesprek. Dat medeverdachte [medeverdachte 2] geen wetenschap had van de diefstallen, acht de rechtbank dan ook ongeloofwaardig. De rechtbank heeft medeverdachte [medeverdachte 2] bij uitspraak van vandaag voor zijn aandeel in deze feiten als medepleger veroordeeld.
De rechtbank is van oordeel dat bewezen kan worden dat verdachte de diefstallen tenlastegelegd onder 2, 4 en 5 samen en in vereniging met (een) ander(en) heeft gepleegd.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in
bijlage IIvervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
2.
op 28 augustus 2025 te Amstelveen tezamen en in vereniging met anderen
- een portemonnee,
- een contant geldbedrag,
- meerdere pinpassen en
- een kenteken- en verzekeringsbewijs,
die aan [benadeelde partij 2] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
4.
op 26 augustus 2025 te Eindhoven tezamen en in vereniging met een ander, ringen, die aan [persoon 2] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen;
5.
op 26 augustus 2025 te Haarlem tezamen en in vereniging met een ander een ketting, die aan [benadeelde partij 4] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

5.De strafbaarheid van de feiten en verdachte

De bewezenverklaarde feiten zijn volgens de wet strafbaar en verdachte is hiervoor strafbaar.

6.De strafmotivering

6.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden met aftrek van voorarrest. Hierbij heeft de officier van justitie rekening gehouden met de omstandigheid dat sprake is van mobiel banditisme.
6.2.
Het strafmaatverweer van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om rekening te houden met de omstandigheid dat verdachte een
first offenderis en een bekennende verklaring heeft afgelegd. Daarnaast is een cumulatie van straffen niet passend, omdat verdachte nog niet de gelegenheid heeft gehad om te laten zien dat een straf afschrikkende werking op haar heeft. Ook is verdachte in een achtergestelde positie, omdat ze geen geregistreerd adres heeft in [plaats] waardoor het uitvoeren van een taakstraf niet mogelijk is. De raadsvrouw heeft daarom verzocht om te volstaan met een gevangenisstraf die gelijk is aan voorarrest, al dan niet in combinatie met een voorwaardelijk strafdeel.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen
geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte heeft zich meermalen schuldig gemaakt aan het medeplegen van zakkenrollerij. Op een listige wijze heeft zij meerdere mensen bestolen van dierbare voorwerpen, zoals de trouwringen van een 92-jarig slachtoffer. Verdachte heeft hierbij geen oog gehad voor het leed wat ze aanricht. Samen met twee anderen heeft ze ook een 91-jarig slachtoffer op sluwe wijze bestolen van zijn portemonnee. Vervolgens is de portemonnee, nadat het geld eruit is genomen, door verdachten weggegooid. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan. Ook is steeds sprake geweest van een vooropgezet plan, waarbij op doortrapte wijze misbruik is gemaakt van de goedheid van de slachtoffers om behulpzaam te willen zijn naar de verdachte. Het heeft er alle schijn van dat verdachte de slachtoffers mede heeft uitgekozen vanwege hun hoge leeftijd.
Hoewel verdachte de feiten heeft bekend, heeft zij geen volledig inzicht gegeven in haar handelen. Ter terechtzitting heeft verdachte na confrontatie door de rechtbank telkens haar verklaring aangepast. Dit weegt de rechtbank in het nadeel van verdachte mee. Ook neemt de rechtbank in strafverzwarende zin mee dat verdachte samen met anderen doelbewust naar Nederland is gekomen om strafbare feiten te plegen, waarbij sprake is geweest van een strooptocht.
Uit het strafblad van verdachte van 8 oktober 2025 blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.
Uit de door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) geformuleerde oriëntatiepunten voor de straftoemeting blijkt dat het oriëntatiepunt voor ‘zakkenrollerij’ waarbij in georganiseerd verband te werk wordt gegaan een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden is. Naast vergelding dient de straf ook een afschrikkende werking te hebben voor het komen naar Nederland om strafbare feiten te plegen.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden met aftrek van voorarrest passend en geboden.

7.Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

7.1.
Vordering tot schadevergoeding van [benadeelde partij 1] (feit 1)
7.1.1.
De vordering
De benadeelde partij [benadeelde partij 1] vordert € 8.000,- aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.1.2.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank kan alleen een schadevergoeding toekennen als bewezen is dat verdachte het strafbare feit dat met de schade verband houdt heeft begaan. Verdachte zal door de rechtbank worden vrijgesproken van het tenlastegelegde onder 1. Daarom wordt [benadeelde partij 1] niet ontvankelijk verklaard in de vordering. Dat betekent dat de geleden schade niet in deze strafzaak wordt vergoed. De vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
7.2.
Vordering tot schadevergoeding van [benadeelde partij 2] (feit 2)
7.2.1.
De vordering
De benadeelde partij vordert € 192,05 aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:
nieuw kentekenbewijs (€ 89,95);
nieuw rijbewijs (€ 52,10);
contant geld (€ 50,00).
7.2.2.
Het oordeel van de rechtbank
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 2 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De vordering is niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.
Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
Hoofdelijk
Het toegewezen bedrag wordt hoofdelijk aan verdachte opgelegd, omdat verdachte het feit samen met anderen heeft gepleegd. Verdachte en haar medeverdachten zijn ieder afzonderlijk verplicht om het totale bedrag aan de benadeelde partij te betalen, tenzij een van de anderen het hele bedrag al heeft betaald.
Schadevergoedingsmaatregel
In het belang van [benadeelde partij 2] wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht (Sr) aan verdachte opgelegd.
7.3.
Vordering tot schadevergoeding van [benadeelde partij 3] (feit 3)
7.3.1.
De vordering
De benadeelde partij vordert € 1.230,- aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Daarnaast vordert de benadeelde partij € 200,- aan proceskosten.
7.3.2.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank kan alleen een schadevergoeding toekennen als bewezen is dat verdachte het strafbare feit dat met de schade verband houdt heeft begaan. Verdachte zal door de rechtbank worden vrijgesproken van het tenlastegelegde onder 3. Daarom wordt [benadeelde partij 3] niet ontvankelijk verklaard in haar vordering. Dat betekent dat de geleden schade niet in deze strafzaak wordt vergoed. De vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
7.4.
Vordering tot schadevergoeding van [benadeelde partij 4] (feit 5)
7.4.1.
De vordering
De benadeelde partij vordert € 475,- aan vergoeding van materiële schade, te weten de gestolen ketting, en € 1.200,- aan vergoeding van immateriële kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.4.2.
Het oordeel van de rechtbank
Immateriële schade
De verdediging heeft de vordering betwist, omdat het geestelijk letsel niet naar objectieve maatstaven kan worden vastgesteld. De ernst en de aard van het feit brengt ook niet met zich mee dat geestelijk letsel zonder enige onderbouwing kan worden aangenomen.
De rechtbank zal de vordering tot immateriële schadevergoeding niet ontvankelijk verklaren.
De gevolgen die de benadeelde partij beschrijft in haar toelichting op de vordering zijn heel invoelbaar. Zo beschrijft [benadeelde partij 4] dat zij als gevolg van het feit gevoelens van angst en achterdochtigheid ervaart.
De wet stelt echter strenge eisen aan het verhalen op daders van dergelijke gevoelens. Verhaal is alleen dan mogelijk als sprake is van dusdanig geestelijk letsel dat dit kan worden aangemerkt als een aantasting van de persoon. Hiervan is slechts sprake als het geestelijk letsel een voldoende ernstig karakter heeft. Gevoelens van psychisch onbehagen, angst en verdriet vallen volgens vaste rechtspraak hier niet onder. Eventuele ernstigere psychische schade is niet onderbouwd. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.
In dit geval is de rechtbank op grond van het dossier en de vordering tot schadevergoeding van oordeel dat geen van de hierboven genoemde situaties zich voordoet. De benadeelde partij zal daarom ten aanzien van de immateriële schade niet ontvankelijk worden verklaard.
Materiële schade
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 5 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht.
De verdediging heeft de vordering betwist, omdat de ketting is teruggevonden bij verdachte.
De rechtbank concludeert dat de vordering tot vergoeding van materiële schade zal worden toegewezen tot een bedrag van in totaal € 125,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Op basis van het dossier staat vast dat de ketting met het hangertje met de letter A onder verdachte is teruggevonden. Aan de ketting zat echter ook een hangertje met het continent van Afrika die niet is aangetroffen bij verdachte. De rechtbank maakt daarom gebruik van haar schattingsbevoegdheid en acht een bedrag van € 125,- toewijsbaar. De overige gevorderde materiële schade zal de rechtbank afwijzen.
Hoofdelijk
Het toegewezen bedrag wordt hoofdelijk aan verdachte opgelegd, omdat verdachte het feit samen met een ander heeft gepleegd. Verdachte en haar medeverdachte zijn ieder afzonderlijk verplicht om het totale bedrag aan de benadeelde partij te betalen, tenzij een van de anderen het hele bedrag al heeft betaald.
Schadevergoedingsmaatregel
In het belang van [benadeelde partij 4] wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f Sr aan verdachte opgelegd.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 57 en 311 Sr.

9.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het tenlastegelegde onder 1 en onder 3 niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde onder 2, 4 en 5 heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is
bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
ten aanzien van feit 2, feit 4 en feit 5:
telkens: diefstal door twee of meer verenigde personen.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
9 (negen) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in
verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die
straf in mindering gebracht zal worden.
Vordering [benadeelde partij 1]
Verklaart [benadeelde partij 1] niet ontvankelijk in zijn vordering.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Vordering [benadeelde partij 2]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] toe tot een bedrag van € 192,05 (honderdtweeënnegentig euro en vijf cent) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van ontstaan van de schade (28 augustus 2025) tot aan de dag van voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 2] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander of anderen is betaald.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 2] aan de Staat € 192,05 (honderdtweeënnegentig euro en vijf cent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (28 augustus 2025) tot aan de dag van voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 3 (drie) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte of een ander dan wel anderen aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Vordering [benadeelde partij 3]
Verklaart [benadeelde partij 3] niet ontvankelijk in haar vordering.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Vordering [benadeelde partij 4]
Immateriële schade
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 4] niet ontvankelijk in haar vordering voor zover het de immateriële schade betreft.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Materiële schade
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] toe tot een bedrag van € 125,- (honderdvijfentwintig euro) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van ontstaan van de schade (26 augustus 2025) tot aan de dag van voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 4] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander of anderen is betaald.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Wijst de vordering voor het overige gedeelte af.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 4] aan de Staat € 125,- (honderdvijfentwintig euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (26 augustus 2025) tot aan de dag van voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 2 (twee) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte of een ander dan wel anderen aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. G. Oldekamp, voorzitter,
mrs. E. van den Brink en C.C.J. Maas-van Es, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. F.E. Leopold, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 november 2025.
[--]
[--]

1.[--]

1.[--]

4.[--]