ECLI:NL:RBAMS:2025:9740

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
28 november 2025
Publicatiedatum
10 december 2025
Zaaknummer
13/228956-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor medeplegen van zakkenrollerij met een 91-jarig slachtoffer

In deze zaak heeft de Rechtbank Amsterdam op 28 november 2025 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van medeplegen van zakkenrollerij. De verdachte, geboren in Roemenië en zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, werd beschuldigd van het stelen van een portemonnee van een 91-jarig slachtoffer. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte op 28 augustus 2025 samen met medeverdachten een vooropgezet plan heeft uitgevoerd om het slachtoffer te beroven. De verdachte heeft ontkend betrokken te zijn bij de diefstal, maar de rechtbank oordeelde dat er voldoende bewijs was, waaronder camerabeelden en verklaringen van medeverdachten, die de betrokkenheid van de verdachte bevestigden. De rechtbank sprak de verdachte vrij van twee andere tenlastegelegde feiten, maar achtte de diefstal van de portemonnee bewezen. De officier van justitie had een gevangenisstraf van negen maanden geëist, maar de rechtbank legde een gevangenisstraf van vier maanden op, met aftrek van voorarrest. Daarnaast werden vorderingen van benadeelde partijen behandeld, waarbij de rechtbank de vordering van het slachtoffer dat niet betrokken was bij de bewezenverklaring niet ontvankelijk verklaarde, maar de vordering van het slachtoffer dat wel betrokken was, werd toegewezen. De rechtbank legde ook een schadevergoedingsmaatregel op.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/228956-25
Datum uitspraak: 28 november 2025
Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] (Roemenië) op [geboortedag] 1992,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in de [Penitentiaire Inrichting] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 14 november 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. W. van Veen, en van wat verdachte en haar raadsman, mr. T.P. Schut, naar voren hebben gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van de vorderingen benadeelde partij van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] .

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – tenlastegelegd dat zij zich op 28 augustus 2025 schuldig heeft gemaakt aan
medeplegen van diefstal van een ketting van [slachtoffer 1] in Amstelveen;
medeplegen van diefstal van een portemonnee met daarin meerdere passen en contant geld van [slachtoffer 2] in Amstelveen;
medeplegen van diefstal van een ketting van [slachtoffer 3] in Vught.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in
bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en
geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3.Waardering van het bewijs

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle tenlastegelegde feiten kunnen worden bewezen. Daarbij is telkens sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking en dezelfde ‘modus operandi’.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om verdachte vrij te spreken van alle tenlastegelegde feiten. Voor wat betreft het onder 1 en 3 tenlastegelegde is er onvoldoende bewijs. Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde kan niet worden vastgesteld dat verdachte een aandeel heeft gehad in de diefstal.
3.3.
Het oordeel van de rechtbank
Vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde (diefstal van [slachtoffer 1] ) en het onder 3 tenlastegelegde (diefstal van [slachtoffer 3] )
Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat er voor een bewezenverklaring van bovengenoemde feiten onvoldoende wettig bewijs in het dossier zit. De signalementen van de daders zijn onvoldoende specifiek om met zekerheid te kunnen vaststellen dat het om verdachte gaat. Daarnaast zijn de gestolen sieraden niet bij verdachte of haar medeverdachten aangetroffen.
Bewezenverklaring feit 2 (diefstal van [slachtoffer 2] )
Nadat aangever [slachtoffer 2] op 28 augustus 2025 boodschappen heeft gedaan, loopt hij naar zijn auto. Op dat moment slaat een vrouw een arm om hem heen. Vervolgens ziet hij dat de vrouw in een auto stapt waarin nog een vrouw zit. Aangekomen bij zijn auto merkt hij dat zijn portemonnee, met daarin allerlei passen en gegevens en contant geld, is weggenomen.
Op de camerabeelden is te zien dat een auto in de richting van aangever rijdt. Een vrouw (vrouw 1) stapt uit de passagierskant uit en vervolgens stapt nog een vrouw (vrouw 2) uit via het rechterachterportier. Minder dan een minuut later loopt vrouw 1 met versnelde pas terug naar de auto en loopt vrouw 2 er achteraan.
Ongeveer anderhalf uur later zijn verdachte en medeverdachten [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) en [medeverdachte 2] aangehouden op grond van een andere verdenking. Verbalisanten hebben beschreven dat de verdachten overeenkomsten hebben met de personen op de camerabeelden, namelijk [medeverdachte 2] als bestuurder van de auto, verdachte en [medeverdachte 1] als de vrouwen die uit de auto stappen.
Verdachte heeft ontkend dat zij de portemonnee heeft gestolen. Verdachte heeft verklaard dat zij op 28 augustus 2025 vanuit Duitsland naar Beverwijk is gereden om sieraden te kopen bij de Bazaar. Daarnaast heeft zij verklaard dat zij ook naar een supermarkt zijn gereden en dat zij onderweg zijn gestopt omdat zij op zoek was naar een toilet.
Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft bij de politie verklaard dat [medeverdachte 1] en verdachte uit de auto zijn gestapt, iets aan iemand hebben gevraagd en deze persoon daarbij hebben aangeraakt. Vervolgens zou medeverdachte [medeverdachte 1] de portemonnee van [slachtoffer 2] hebben gestolen.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] de portemonnee met inhoud heeft gestolen. De aangifte wordt ondersteund door de camerabeelden en de verklaring van [medeverdachte 2] . De rechtbank is van oordeel dat sprake is van medeplegen, gelet op het vooropgezette plan waarbij met de auto naar de supermarkt is gereden, een slachtoffer is uitgezocht en vervolgens door samenwerking van [medeverdachte 1] en verdachte de portemonnee binnen een zeer kort tijdsbestek is weggenomen. De onderlinge verhouding tussen de verdachten is duidelijk zichtbaar, waarbij ieder van hen substantieel heeft bijgedragen aan het gepleegde feit. De rechtbank hecht geen waarde aan de verklaring van verdachte, onder meer omdat is gebleken dat de Bazaar in Beverkijk op de dag van diefstal gesloten was. Daarnaast heeft verdachte tijdens de terechtzitting haar verklaring telkens aangepast als zij met daarmee tegenstrijdige feiten en omstandigheden werd geconfronteerd. De rechtbank acht het onder 2 tenlastegelegde feit bewezen.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte:
op 28 augustus 2025 te Amstelveen tezamen en in vereniging met anderen
- een portemonnee,
- een contant geldbedrag,
- meerdere pinpassen en
- een kenteken- en verzekeringsbewijs,
die aan [slachtoffer 2] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

5.Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de
feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort
vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte
bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een
aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

6.De strafbaarheid van het feit en verdachte

Het bewezenverklaarde feit is volgens de wet strafbaar en verdachte is hiervoor strafbaar.

7.De strafmotivering

7.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden met aftrek van voorarrest. Hierbij heeft de officier van justitie rekening gehouden met de omstandigheid dat sprake is van mobiel banditisme.
7.2.
Het strafmaatverweer van de verdediging
De raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd. De raadsman heeft verzocht, om bij een straf die korter is dan de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft gezeten, de voorlopige hechtenis van verdachte op te heffen dan wel te schorsen. Daarbij heeft de raadsman ook gewezen op het bepaalde in artikel 67a lid 3 van het Wetboek van Strafrecht (Sr).
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen
geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van
een en ander ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van zakkenrollerij. Hierbij is sprake geweest van een vooropgezet plan, waarbij een 91-jarig slachtoffer door verdachten op een sluwe wijze van zijn portemonnee is bestolen. Vervolgens is de portemonnee, nadat het geld eruit is genomen, door verdachten weggegooid. Met haar handelen heeft verdachte een gebrek aan respect voor de eigendomsrechten van een ander getoond. Naast ergernis en overlast brengt het gedrag van verdachte financiële schade voor de benadeelde met zich mee. Het heeft er alle schijn van dat verdachte het slachtoffer mede heeft uitgekozen vanwege de hoge leeftijd. Dit vindt de rechtbank kwalijk. Verdachte heeft verder op geen enkele wijze verantwoordelijkheid genomen voor haar daad.
Uit het strafblad van verdachte van 5 november 2025 blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.
Uit de door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) geformuleerde oriëntatiepunten voor de straftoemeting blijkt dat het oriëntatiepunt voor ‘zakkenrollerij’ een taakstraf voor de duur van 120 uren is en, in geval van recidive, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden. Gelet op de ernst van het feit acht de rechtbank een taakstraf niet passend. Naast vergelding dient de straf ook een afschrikkende werking te hebben voor het komen naar Nederland om strafbare feiten te plegen.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden met aftrek van voorarrest passend en geboden.
Voorlopige hechtenis
Gelet op de straf die de rechtbank oplegt wordt het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis afgewezen. Ook het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis wordt afgewezen nu deze onvoldoende is onderbouwd.

8.Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

8.1.
Vordering tot schadevergoeding van [slachtoffer 1] (feit 1)
8.1.1.
De vordering
De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert € 8.000,- aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.1.2.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank kan alleen een schadevergoeding toekennen als bewezen is dat verdachte het strafbare feit dat met de schade verband houdt heeft begaan. Verdachte zal door de rechtbank worden vrijgesproken van het tenlastegelegde onder 1. Daarom wordt [slachtoffer 1] niet ontvankelijk verklaard in zijn vordering. Dat betekent dat de geleden schade niet in deze strafzaak wordt vergoed. De vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
8.2.
Vordering tot schadevergoeding van [slachtoffer 2] (feit 2)
8.2.1.
De vordering
De benadeelde partij vordert € 192,05 aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:
nieuw kentekenbewijs (€ 89,95);
nieuw rijbewijs (€ 52,10);
contant geld (€ 50,00).
8.2.2.
Het oordeel van de rechtbank
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 2 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De vordering is niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.
Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
Hoofdelijk
Het toegewezen bedrag wordt hoofdelijk aan verdachte opgelegd, omdat verdachte het feit samen met anderen heeft gepleegd. Verdachte en haar medeverdachten zijn ieder afzonderlijk verplicht om het totale bedrag aan de benadeelde partij te betalen, tenzij een van de anderen het hele bedrag al heeft betaald.
Schadevergoedingsmaatregel
In het belang van [slachtoffer 2] wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f Sr aan verdachte opgelegd.
8.3.
Vordering tot schadevergoeding van [slachtoffer 3] (feit 3)
8.3.1.
De vordering
De benadeelde partij vordert € 1.230,- aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Daarnaast vordert de benadeelde partij € 200,- aan proceskosten.
8.3.2.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank kan alleen een schadevergoeding toekennen als bewezen is dat verdachte het strafbare feit dat met de schade verband houdt heeft begaan. Verdachte zal door de rechtbank worden vrijgesproken van het tenlastegelegde onder 3. Daarom [slachtoffer 3] niet ontvankelijk verklaard in de vordering. Dat betekent dat de gelede schade niet in deze strafzaak wordt vergoed. De vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f en 311 Sr.

10.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het tenlastegelegde onder 1 en onder 3 niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde onder 2 heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is
bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
diefstal door twee of meer verenigde personen.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
4 (vier) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in
verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die
straf in mindering gebracht zal worden.
Vordering [slachtoffer 1]
Verklaart [slachtoffer 1] niet ontvankelijk in zijn vordering.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Vordering [slachtoffer 2]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe tot een bedrag van € 192,05 (honderdtweeënnegentig euro en vijf cent) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van ontstaan van de schade (28 augustus 2025) tot aan de dag van voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 2] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander of anderen is betaald.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat € 192,05 (honderdtweeënnegentig euro en vijf cent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (28 augustus 2025) tot aan de dag van voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 3 (drie) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte of een ander dan wel anderen aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Vordering [slachtoffer 3]
Verklaart [slachtoffer 3] niet ontvankelijk in zijn vordering.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Voorlopige hechtenis
Wijst het verzoek om opheffing van de voorlopige hechtenis af.
Wijst het verzoek om schorsing van de voorlopige hechtenis af.
Dit vonnis is gewezen door
mr. G. Oldekamp, voorzitter,
mrs. E. van den Brink en C.C.J. Maas-van Es, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. F.E. Leopold, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 november 2025.
[...]