ECLI:NL:RBAMS:2025:9699

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
28 november 2025
Publicatiedatum
9 december 2025
Zaaknummer
11796728 EA VERZ 25-784 en 11866392 EA VERZ 25-1020
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag op staande voet en toewijzing van schadevergoedingen in arbeidsconflict tussen werknemer en stichting

In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Amsterdam op 28 november 2025 uitspraak gedaan in een arbeidsconflict tussen een werknemer, aangeduid als [verzoeker], en zijn werkgever, Stichting Beheer Fractiegelden DENK Amsterdam. De werknemer was op 1 september 2018 in dienst getreden als Fractiemedewerker met een salaris van € 2.666,00 bruto per maand. De stichting heeft de werknemer op 4 juli 2025 op staande voet ontslagen, omdat hij zich publiekelijk had gedistantieerd van de politieke partij DENK en betrokken was bij de oprichting van een concurrerende politieke partij, terwijl hij zich tegelijkertijd ziek had gemeld. De werknemer heeft het ontslag betwist en verzocht om een billijke vergoeding, een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en een transitievergoeding. De kantonrechter heeft geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig was, omdat er geen dringende reden was voor het ontslag. De kantonrechter heeft de stichting veroordeeld tot betaling van een billijke vergoeding van € 5.758,56 bruto, een vergoeding wegens onregelmatige opzegging van € 8.266,32 bruto en een transitievergoeding van € 6.800,93 bruto. Daarnaast is de stichting veroordeeld tot het verstrekken van bruto/netto-specificaties en in de proceskosten. Het verzoek van de stichting om de werknemer te veroordelen tot betaling van een gefixeerde vergoeding en om de werknemer te gebieden bedrijfseigendommen in te leveren, is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummers / rekestnummers: 11796728 \ EA VERZ 25-784 en 11866392 \ EA VERZ 25-1020
Beschikking van 28 november 2025
in de zaak van
[verzoeker],
te [woonplaats] ,
verzoekende partij in EA 25-784,
verwerende partij in EA 25-1020,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. I.I. Feenstra,
tegen
STICHTING BEHEER FRACTIEGELDEN DENK AMSTERDAM,
te Amsterdam,
verwerende partij in EA 25-784,
verzoekende partij in EA 25-1020,
hierna te noemen: de stichting,
gemachtigde: mr. U. Karatas.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedures blijkt uit:
in de zaak EA25-784:
- het verzoekschrift van [verzoeker] met producties, ingekomen op 18 juli 2025;
- het verweerschrift en tevens een voorwaardelijk tegenverzoek van de stichting met producties;
en in de zaak EA 25-1020:
- het verzoekschrift van de stichting met producties, ingekomen op 3 september 2025;
- het verweerschrift en tevens een tegenverzoek van [verzoeker] met een productie.
1.2.
Op 31 oktober 2025 zijn de zaken gelijktijdig mondeling behandeld. [verzoeker] is in persoon verschenen, vergezeld door zijn partner en bijgestaan door de gemachtigde. Namens de stichting zijn verschenen [naam 1] (hierna: [naam 1] ) en [naam 2] (hierna: [naam 2] ), bijgestaan door de gemachtigde. Partijen en hun gemachtigden hebben hun standpunten toegelicht en vragen beantwoord. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt. Na verder debat is beschikking gevraagd en is een datum voor beschikking bepaald.

2.De feiten

2.1.
[verzoeker] is op 1 september 2018 in dienst getreden bij de stichting in de functie van Fractiemedewerker. Het salaris van [verzoeker] bedroeg laatstelijk € 2.666,00 bruto per maand exclusief 8% vakantietoeslag.
2.2.
In artikel 15.1 van de arbeidsovereenkomst is het volgende opgenomen:
“Werknemer zal zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van werkgever tijdens de duur van deze overeenkomst geen betaalde en/of onbetaalde werkzaamheden verrichten voor derden. Werkgever kan aan een te verlenen toestemming voorwaarden verbinden. Niet naleven van deze bepaling kan een dringende reden vormen tot ontslag op staande voet.”
2.3.
De werkzaamheden van [verzoeker] bij de stichting richten zich onder meer op de voorbereiding van moties, het opmaken van stemmingslijsten, administratieve ondersteuning van de fractie DENK, beleidsmatig uitzoekwerk, leidinggeven aan stagiairs en contact met andere fracties. [verzoeker] heeft naast zijn werkzaamheden voor de stichting ook werkzaamheden verricht voor de fractie DENK Amsterdam als fractievertegenwoordiger in raadscommissies.
2.4.
De bestuurders van de stichting zijn [naam 1] en [naam 2] . Zij zijn ook de fractieleden van DENK Amsterdam.
2.5.
Op 9 december 2024 heeft een functioneringsgesprek plaatsgevonden. Nadat partijen over en weer tijdens dit gesprek hun onvrede over enkele zaken kenbaar hadden gemaakt, heeft de stichting een mediationtraject voorgesteld, waarmee [verzoeker] heeft ingestemd.
2.6.
Op 16 december 2024 en 8 januari 2025 hebben mediationgesprekken plaatsgevonden. In de periode daarna is bij [verzoeker] onvrede ontstaan over een nieuw systeem voor urenverantwoording ingevoerd door de stichting. Ook is tussen partijen een discussie ontstaan over de aard en omvang van het dienstverband van [verzoeker] en het daarbij behorende salaris, die is uitgemond in een dagvaardingsprocedure aangespannen door [verzoeker] .
2.7.
Eind maart 2025 heeft [verzoeker] zich tegenover [naam 1] zich afgevraagd waarom een islamitische collega een punt mocht bespreken in de fractievergadering maar een niet-islamitische collega niet. [naam 1] heeft gevraagd waar en door wie ongelijke behandeling op basis van religie zou hebben plaatsgevonden. Nadat een inhoudelijke reactie uitbleef heeft [naam 1] op 25 maart 2025 onder meer aan [verzoeker] geschreven dat de politieke fractie heeft besloten dat [verzoeker] als fractievertegenwoordiger geen woord meer zal voeren namens de fractie. Daarbij is tevens vermeld dat dit uitdrukkelijk geen schorsing is van de werkzaamheden van [verzoeker] voor het fractiebureau.
2.8.
Op 31 maart 2025 heeft [verzoeker] zich ziekgemeld.
2.9.
Op 16 april 2025 heeft [verzoeker] de bedrijfsarts bezocht. Uit de rapportage van de bedrijfsarts volgt onder meer:
“(…)
Hervattingsvoorstel
De huidige beperkingen maken werknemer niet geschikt voor het eigen werk in volle omvang. Wel acht ik werknemer geschikt voor het uitvoeren van andere taken, mits hierbij rekening wordt gehouden met de beperkingen en de werkrelatie is hersteld. Hierbij kan worden gedacht aan bijvoorbeeld raadslidwerkzaamheden, waarmee het arbeidsritme behouden kan worden. Bij een toename van de belastbaarheid acht ik werknemer in staat geleidelijk uit te breiden binnen het eigen werk. (…)”
2.10.
Op 16 mei 2025 heeft een gesprek tussen [verzoeker] , de stichting en hun beide gemachtigden plaatsgevonden. Het eerste deel van het gesprek ging over de re-integratie en het tweede deel over de politieke functie.
2.11.
Bij e-mail van 23 mei 2025 heeft de stichting aan [verzoeker] een Plan van Aanpak toegezonden. In de e-mail staat onder meer het volgende:
“(…)
In aansluiting op het advies van de bedrijfsarts d.d. 21 mei 2025 en ons gesprek op 16 mei jl., doen wij je hierbij een concreet voorstel om de re-integratie op verantwoorde wijze te starten. Dit voorstel is uitsluitend bedoeld om jouw werkhervatting – zoals aanbevolen door de bedrijfsarts – mogelijk te maken, en is zorgvuldig afgestemd op de door jou eerder benoemde bezwaren.
Met dit voorstel nemen wij de door jou aangegeven drie belemmeringen (functie-inhoud, urenomvang en beloning) tijdelijk weg, teneinde een duidelijke en veilige start van de re-integratie mogelijk te maken. Deze afspraken gelden tot er een nieuw advies van de bedrijfsarts wordt uitgebracht, en zijn uitsluitend bedoeld als onderdeel van het re-integratietraject. Ze impliceren uitdrukkelijk géén definitieve wijziging van de overeengekomen arbeidsvoorwaarden.
(…)”
2.12.
Bij e-mail van 26 mei 2025 heeft de gemachtigde van [verzoeker] aan de stichting onder meer het volgende geschreven:
“(…) Tenslotte blijkt uit zowel het gespreksverslag, als de bij de oproep voor de re-integratie bijgevoegde werkschema nog maar eens dat er geen enkele van de door cliënt ervaren werk gerelateerde problemen zijn opgelost of het begin van een oplossing naderen. Cliënt en uw cliënte blijven hier lijnrecht tegenover elkaar staan. Uw cliënte lijkt nu deze knelpunten te willen “parkeren” totdat cliënt volledig is gere-integreerd, maar dat gaat natuurlijk niet aan. Zoals cliënt zelf ook al aangaf tijdens het gesprek; als partijen het niet eens zijn over de uit te voeren werkzaamheden, in welke werkzaamheden kan cliënt dan re-integreren?
Voorgaande geldt ook met betrekking tot het plan van aanpak waarvan uw cliënte aan cliënt verzoekt dit te ondertekenen. (…)”
2.13.
Na correspondentie over en weer over de re-integratie heeft de stichting een deskundigenoordeel aangevraagd bij het UWV.
2.14.
Bij e-mail van 3 juli 2025 heeft de stichting aan [verzoeker] laten weten dat zij kennis heeft genomen van gedragingen van [verzoeker] die op flagrante wijze strijdig zijn met de verplichtingen voortvloeiend uit de arbeidsovereenkomst. De stichting heeft daarbij haar voornemen kenbaar gemaakt om over te gaan tot ontslag op staande voet en [verzoeker] in de gelegenheid gesteld om zich over de door de stichting gedane constateringen uit te laten.
2.15.
Bij e-mail van 4 juli 2025 heeft de gemachtigde van [verzoeker] een reactie gegeven op het voorgenomen ontslag op staande voet.
2.16.
Bij e-mail van 4 juli 2025 heeft de stichting [verzoeker] op staande voet ontslagen. In de e-mail staat onder meer het volgende:
“(…)
Bij deze delen wij u dan ook mede dat wij u per direct op staande voet ontslaan omdat u met uw handelen ernstig in strijd handelt met (het doel en de strekking van) uw arbeidsovereenkomst en uw verplichtingen daaruit grovelijk veronachtzaamd. Hieronder lichten wij toe:
Actieve betrokkenheid bij concurrerende politieke partij
U heeft zich actief verbonden aan de oprichting en promotie van een concurrerende politieke partij onder de naam [naam initiatief] , terwijl u in dienst bent van een stichting die expliciet en uitsluitend ten dienste staat van de fractie DENK Amsterdam. Dit blijkt uit:
  • Uw publieke oproep op 2 juli 2025 via WhatsApp status om deel te nemen aan het initiatief “ [naam initiatief] ”;
  • WHOIS-gegevens waaruit blijkt dat uw privé e-mailadres[e-mailadres]is geregistreerd als administratief én technisch contactpersoon voor de domeinnaam[domeinnaam], een rol die doorgaans voorbehouden is aan de domeinhouder of initiatiefnemer;
  • Signalen van aanwezigheid op het Keti Koti-festival onder diezelfde naam, waar u naar verluidt actief promotie heeft gevoerd.
Gezien uw activiteiten voor een concurrerende politieke partij is uw werkgever het vertrouwen in uw loyaliteit volledig verloren. U bent het vertrouwen van uw werkgever hiermee onwaardig geworden.
Voornoemde gedragingen zijn in strijd met artikel 15.1 van uw arbeidsovereenkomst, waarin is bepaald dat u zonder schriftelijke toestemming geen (neven)werkzaamheden mag verrichten tijdens het dienstverband. Ook handelt u in strijd met artikel 9.3 en 9.4, waarin geheimhouding wordt voorgeschreven en wordt verboden om handelingen te verrichten die de belangen of reputatie van de werkgever kunnen schaden. Het handelen is voorts in strijd met het concurrentiebeding uit uw arbeidsovereenkomst. Hoewel de stichting naar deze bepalingen verwijst, wijzen wij u erop dat uw handelen zelfs zonder een beroep op deze bedingen uit uw arbeidsovereenkomst ontoelaatbaar is.
Duidelijke distantiëring van de organisatie
U heeft op uw publieke Bluesky-profiel (account: [accountnaam] ) de mededeling geplaatst: “Politically not affiliated with DENK anymore.” Dit heeft u gedaan zonder overleg met werkgever of opdrachtgever, terwijl u nog formeel werknemer was van een organisatie die in dienst staat van diezelfde politieke fractie. Dit heeft direct effect op uw geloofwaardigheid en functioneren binnen uw dienstverband, juist omdat de stichting ten dienste staat van de organisatie waarvan u zich publiekelijk heeft gedistantieerd. U neemt namelijk openlijk afstand van de organisatie die u geacht wordt te ondersteunen.
Belangenverstrengeling en vertrouwensbreuk
Uw gedrag heeft geleid tot een objectieve en onverenigbare belangenverstrengeling met de doelstellingen van uw werkgever. Uw nevenactiviteiten staan haaks op de integriteit en loyaliteit die in uw functie vereist zijn en zijn daarmee onverenigbaar met een voortzetting van het dienstverband. Dit is fundamenteel strijdig met het vertrouwen en de loyaliteit die binnen uw functie essentieel zijn. Uw handelingen hebben bovendien publieke impact en veroorzaken reputatieschade, mede gelet op het publieke karakter van de organisatie.
Activiteiten tijdens ziekte
Het vorenstaande gedrag is des te verwerpelijker omdat dit alles heeft plaatsgevonden terwijl u zich ziek heeft gemeld voor werkzaamheden voor de stichting. Gedurende uw ziekteverzuim heeft u consequent elke poging tot re-integratie gefrustreerd door het re-integratieproces afhankelijk te stellen van arbeidsvoorwaardelijke eisen. Terwijl u beweerde arbeidsongeschikt te zijn voor werkzaamheden ten behoeve van uw werkgever, bleek u tegelijkertijd wel in staat en bereid te zijn om activiteiten te verrichten voor of ten behoeve van een concurrerende politieke organisatie. Dit is een flagrante tegenstelling tussen uw beweerde arbeidsongeschiktheid en uw feitelijke handelingsvermogen en vormt ook weer een ernstige schending van het goed werknemerschap.
Dringende reden(en)De hierboven beschreven gedragingen kwalificeren, zowel elk afzonderlijk als in samenhang bezien, als een dringende reden om uw arbeidsovereenkomst per direct te beëindigen. Elk van deze gedragingen, als helemaal de combinatie ervan, maakt voortzetting van het dienstverband objectief onmogelijk; uw gedrag heeft geleid tot onwerkbare verhoudingen binnen het team en het verlies van vertrouwen in uw integriteit en loyaliteit als werknemer. De aard en ernst van uw gedragingen maken dat van de stichting in redelijkheid niet verlangd kan worden de arbeidsovereenkomst nog langer voort te zetten.
Conclusie
Wij beëindigen hierbij uw arbeidsovereenkomst per direct (op staande voet), met ingang van vandaag, 4 juli 2025. (…)”
3. Het verzoek, het verweer en het voorwaardelijk tegenverzoek in de zaak EA 25-784
3.1.
[verzoeker] verzoekt de kantonrechter, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad, de stichting te veroordelen:
a. om aan [verzoeker] een billijke vergoeding toe te kennen van € 19.484,11 bruto;
b. tot betaling van de vergoeding wegens onregelmatige opzegging van € 8.266,32 bruto;
c. tot betaling van de transitievergoeding van € 6.800,93 bruto;
d. tot betaling van een bedrag van € 2.666,00 bruto omdat dit bedrag ten onrechte niet is betaald met de eindafrekening, te vermeerderen met de wettelijke verhoging;
e. tot verstrekking van bruto-netto specificaties, op straffe van een dwangsom;
f. in de proceskosten.
3.2.
[verzoeker] legt hieraan ten grondslag dat geen sprake is van een rechtsgeldig gegeven ontslag op staande voet. De door de stichting gegeven redenen vormen apart en ook niet in samenhang bezien geen dringende reden op. Daarbij is uitgegaan van aannames en zijn niet alle omstandigheden betrokken. Volgens [verzoeker] betreft de uitlating die hij op Bluesky heeft gedaan een politieke uiting die losstaat van de arbeidsovereenkomst en heeft hij die op verzoek van DENK geplaatst. De tweede door de stichting aangevoerde reden betreft de vermeende betrokkenheid van [verzoeker] bij de nieuwe politieke partij [naam initiatief] . [verzoeker] betwist dit en voert aan dat de partij nog niet is opgericht, maar dat het alleen gaat om een plan. Ook in dit verband wijst hij erop dat de stichting zelf heeft aangegeven dat zijn werkzaamheden voor de stichting losstaan van zijn politieke activiteiten als raadscommissielid. De derde reden, dat [verzoeker] ondanks zijn arbeidsongeschiktheid aanwezig was bij Keti Koti en daarmee zijn herstel belemmerde, kan volgens hem evenmin een ontslag op staande voet rechtvaardigen. Uit de probleemanalyse van de bedrijfsarts volgt immers dat re-integratie pas kon plaatsvinden zodra de werkrelatie voldoende was hersteld, wat op dat moment nog niet het geval was. Het staan bij een kraampje belemmerde zijn herstel niet. Verder stelt [verzoeker] dat niet is voldaan aan de vereisten van onverwijldheid en onverwijlde mededeling. [verzoeker] voert aan dat hij ten minste nog een jaar in dienst zou zijn gebleven als de stichting hem niet op staande voet had ontslagen.
3.3.
De stichting voert ‑ samengevat ‑ aan dat [verzoeker] een patroon laat zien van onredelijkheid en escalatie om zich een gunstige positie te verschaffen bij beëindiging van de arbeidsrelatie en heeft bewust en doelgericht de feiten verdraaid en om zijn publieke distantiëring van de stichting te rechtvaardigen. Toen [verzoeker] arbeidsongeschiktheid was, heeft hij zich ingespannen voor de oprichting en promotie van een concurrerende politieke partij, terwijl hij tegelijkertijd iedere wezenlijke re-integratiepoging heeft gesaboteerd. Door zich publiekelijk en actief van zijn werkgever te distantiëren en tegelijkertijd een partij op te richten binnen hetzelfde politieke speelveld, heeft [verzoeker] volgens de stichting een objectieve belangenverstrengeling en een onherstelbare vertrouwensbreuk veroorzaakt. Om die redenen is hij onverwijld op staande voet ontslagen.
3.4.
De stichting heeft voorwaardelijk verzocht om ontbinding van de arbeidsovereenkomst, namelijk voor zover [verzoeker] zijn verzoek om een billijke vergoeding wijzigt naar een verzoek om vernietiging van het ontslag op staande voet.

4.Het verzoek, het verweer en het tegenverzoek in de zaak EA 25-1020

4.1.
De stichting verzoekt bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad:
a. een verklaring voor recht dat [verzoeker] door de stichting terecht op staande voet is ontslagen;
b. een verklaring voor recht dat aan [verzoeker] (wegens ernstig verwijtbaar handelen of nalaten) geen transitievergoeding toekomt;
c. dat [verzoeker] veroordeeld wordt tot betaling van de vergoeding wegens onregelmatige opzegging van € 5.387,04 bruto;
d. [verzoeker] te gebieden om binnen 48 uur na de datum van de te wijzen beschikking de in zijn bezit zijnde bedrijfseigendommen, in het bijzonder de laptop en de iPad, aan de stichting te retourneren, op straffe van een dwangsom;
e. dat [verzoeker] veroordeeld wordt in de proceskosten.
4.2.
De stichting legt daaraan ten grondslag dat [verzoeker] de stichting door opzet of schuld een dringende reden heeft gegeven om haar op staande voet te ontslaan.
4.3.
[verzoeker] voert gemotiveerd verweer.
4.4.
Daarnaast verzoekt [verzoeker] dat de stichting wordt veroordeeld om binnen zeven dagen na de beschikking aan [verzoeker] een kopie van zijn Outlook e-mail in ieder geval over de jaren 2023, 2024 en 2025, alsmede een kopie van de agenda van [verzoeker] over de jaren 2018 tot en met 2025 overhandigt, op straffe van een dwangsom.

5.De beoordeling

In de zaak EA 25-784
5.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of aan [verzoeker] onterecht op staande voet is ontslagen op grond waarvan hem een billijke vergoeding moet worden toegekend en of de stichting daarom moet worden veroordeeld tot betaling van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en een transitievergoeding.
5.2.
Een ontslag op staande voet is alleen geldig als daarvoor een dringende reden is, dat wil zeggen zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De kantonrechter moet bij de beoordeling van de dringende reden alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemen. Ook moet er onverwijld worden opgezegd en moet de dringende reden onverwijld worden meegedeeld aan de werknemer. Onverwijld betekent dat dit direct of zo snel mogelijk moet gebeuren. Het gaat er daarbij om dat het voor de werknemer onmiddellijk duidelijk moet zijn welke eigenschappen of gedragingen voor de werkgever aanleiding zijn geweest voor het beëindigen van de arbeidsovereenkomst.
5.3.
De kantonrechter komt tot de conclusie dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. Daartoe wordt het volgende overwogen.
5.4.
Als redenen heeft de stichting aangevoerd dat [verzoeker] zich publiekelijk heeft gedistantieerd van DENK en dat hij betrokken is geweest bij de oprichting en promotie van een concurrerende politieke partij, dat hij dat heeft gedaan tijdens zijn arbeidsongeschiktheid, terwijl hij alle re-integratiepogingen frustreerde. Volgens de stichting heeft [verzoeker] daarmee zowel een objectieve belangenverstrengeling als een onherstelbare vertrouwensbreuk veroorzaakt. Daarnaast heeft [verzoeker] daarmee volgens de stichting zijn nevenwerkzaamhedenbeding, geheimhoudings- en concurrentiebeding geschonden.
5.5.
Vooropgesteld moet worden dat het nevenwerkzaamhedenbeding zeer ruim is geformuleerd en er in wezen op neer komt dat [verzoeker] gedurende zijn dienstverband met de stichting geen enkele activiteit zou mogen ondernemen voor derden zonder toestemming van de stichting. De kantonrechter acht dat niet redelijk en te verstrekkend. Daarnaast heeft [verzoeker] zich beziggehouden met plannen voor de oprichting van een nieuwe politieke partij. Niet gesteld of gebleken is dat hij dit voor derden heeft gedaan en bovendien staat het hem in principe vrij om dit te doen. Ook is niet gebleken dat deze activiteiten op zichzelf onverenigbaar waren met zijn werkzaamheden voor de stichting. Bovendien heeft de stichting onvoldoende onderbouwd dat de verweten werkzaamheden die [verzoeker] heeft verricht schadelijk en/of concurrerend zijn geweest ten opzichte van de stichting. Wel had op zijn minst van [verzoeker] mogen worden verwacht dat hij, gelet op het feit dat de stichting volledig in dienst staat van DENK en hij bovendien arbeidsongeschikt was, de stichting had geïnformeerd over deze activiteiten. Zijn verweer dat dit een mogelijkheid was om zijn eigen re-integratie te organiseren vanwege het ontbreken van re-integratiemogelijkheden bij de stichting, wordt verworpen. Indien [verzoeker] het niet eens was met het handelen van de stichting tijdens het re-integratieproces, had het op zijn weg gelegen een second opinion of een deskundigenoordeel bij het UWV aan te vragen. Dat heeft hij niet gedaan. Integendeel, uit de stukken is voldoende naar voren gekomen dat juist [verzoeker] de re-integratie heeft gefrustreerd door zonder geldige reden te weigeren mee te werken aan het door de stichting voorgestelde plan van aanpak. De stichting heeft meerdere redelijke voorstellen gedaan om het re-integratieproces op gang te brengen en daarbij rekening gehouden met de belangen van [verzoeker] . [verzoeker] heeft deze voorstellen steeds afgewezen zonder een tegenvoorstel te doen. Verder had [verzoeker] moeten begrijpen dat zijn publieke distantiëring van DENK op sociale media, de politieke partij die hij werd geacht te dienen in zijn functie bij de stichting, het vertrouwen van de stichting in hem zou aantasten. Anders dan [verzoeker] aanvoert kan niet worden volgehouden dat die uitingen slechts zagen op zijn persoonlijke mening over bepaalde onderwerpen die niet in lijn waren met de standpunten daaromtrent van DENK.
5.6.
De kantonrechter begrijpt dan ook dat het vertrouwen van de stichting in [verzoeker] ernstig is geschaad doordat [verzoeker] , tijdens zijn arbeidsongeschiktheid en terwijl hij weigerde mee te werken aan zijn re-integratie, plannen maakte voor de oprichting van een nieuwe politieke partij zonder dit aan de stichting te melden en zich bovendien publiekelijk distantieerde van de politieke partij waarvoor de stichting was opgericht met als enige doel het dienen van deze politieke partij. Deze omstandigheden zijn echter niet zodanig zwaarwegend dat zij een dringende reden voor ontslag op staande voet opleveren. Een ontslag op staande voet is een ultimum remedium en in onderhavig geval had met een minder zware sanctie kunnen worden volstaan, zoals het indienen van een ontbindingsverzoek. Alles afwegende leidt dit tot het oordeel dat er weliswaar sprake is van verwijtbaar handelen van [verzoeker] , maar dat dit onder de gegeven omstandigheden onvoldoende is om het gegeven ontslag op staande voet te rechtvaardigen. Het voorgaande betekent dat het ontslag niet rechtsgeldig is gegeven vanwege het ontbreken van een dringende reden.
5.7.
Nu [verzoeker] niet om vernietiging van het gegeven ontslag heeft verzocht maar om een billijke vergoeding, staat vast dat het dienstverband is geëindigd op 4 juli 2025. Het verzoek van [verzoeker] tot toekenning van een billijke vergoeding wordt toegewezen. Daarbij wordt opgemerkt dat een ongeldig ontslag als ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever moet worden aangemerkt.
5.8.
Voor het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding zijn in de rechtspraak uitgangspunten geformuleerd. [1] De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle (uitzonderlijke) omstandigheden van het geval en die vergoeding moet daarbij aansluiten. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Ook met de gevolgen van het ontslag kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel, maar met de billijke vergoeding kan ook worden tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen.
5.9.
Als gevolg van het ontslag is [verzoeker] zijn baan kwijtgeraakt. Hij dient hiervoor gecompenseerd te worden. De kantonrechter stelt vast dat door het hierboven beschreven handelen van [verzoeker] het vertrouwen van de stichting in [verzoeker] , dat noodzakelijk is voor een vruchtbare samenwerking, geheel is komen te ontbreken. Daarvan valt [verzoeker] in de gegeven omstandigheden een substantieel verwijt te maken. Daarbij heeft niet geholpen dat [verzoeker] in de aanloop naar het ontslag de stichting geregeld heeft beticht van slecht werkgeverschap, hoewel daarvoor onvoldoende reden was. Indien de stichting rond de datum van het ontslag op staande voet een ontbindingsverzoek bij de kantonrechter zou hebben ingediend, zou de arbeidsovereenkomst als gevolg van ontbinding door de kantonrechter zijn geëindigd, waarbij bij de vaststelling van de beëindigingsdatum rekening zou zijn gehouden met de duur van die procedure. Daarnaast zijn er, mede gelet op de werkervaring van [verzoeker] en de krappe arbeidsmarkt, geen redenen om aan te nemen dat [verzoeker] niet in staat zal zijn om binnen een korte tijd andere inkomsten te verwerven. Gelet op al deze omstandigheden zal de billijke vergoeding worden vastgesteld op twee maandsalarissen, zijnde een bedrag van € 5.758,56 bruto.
5.10.
De stichting zal dus worden veroordeeld tot betaling van een billijke vergoeding van € 5.758,56 bruto.
5.11.
Ook de gevorderde vergoeding wegens onregelmatige opzegging zal worden toegewezen, omdat zonder dringende reden is opgezegd tegen een eerdere dag dan die tussen partijen geldt. De vergoeding is gelijk aan het bedrag van het loon over de (wettelijke) opzegtermijn, te weten twee maanden, hetgeen neerkomt op een vergoeding van € 8.266,32 bruto.
5.12.
Het verzoek om de stichting te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding wordt eveneens toegewezen. De kantonrechter heeft hiervoor geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet terecht is gegeven, omdat daarvoor geen dringende reden aanwezig was. Een dringende reden valt niet zonder meer samen met ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werknemer. Gelet op de vastgestelde feiten en omstandigheden heeft [verzoeker] weliswaar verwijtbaar gehandeld maar is er geen grond om te oordelen dat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoeker] . Dat betekent dat de transitievergoeding verschuldigd is. De stichting wordt veroordeeld tot betaling van de transitievergoeding, die € 6.800,93 bruto bedraagt.
5.13.
Het verzoek van [verzoeker] om de stichting de veroordelen tot betaling van € 2.666,00 bruto aan achterstallig loon met de wettelijke verhoging wordt afgewezen. De stichting heeft onweersproken aangevoerd en met stukken onderbouwd dat zij dit bedrag al heeft betaald aan [verzoeker] .
5.14.
De door [verzoeker] verzochte bruto/netto specificaties waarin de bedragen en betalingen van de transitievergoeding, de vergoeding wegens onregelmatige opzegging en de billijke vergoeding zijn verwerkt, worden als onvoldoende weersproken toegewezen. De kantonrechter ziet aanleiding om de gevorderde dwangsom te beperken zoals in de beslissing hierna bepaald.
5.15.
Omdat is berust in de beëindiging van de arbeidsovereenkomst is de voorwaarde waaronder het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst is ingediend door de stichting niet in vervulling gegaan, zodat dit voorwaardelijke verzoek van de stichting geen behandeling behoeft.
5.16.
De proceskosten komen voor rekening van de stichting, omdat de stichting overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [verzoeker] worden begroot op € 1.681,00 (€ 732,00 aan griffierecht, € 814,00 aan salaris gemachtigde en € 135,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.
In de zaak EA 25-1020
Verzoeken de stichting
5.17.
De verzochte verklaringen voor recht en het verzoek van de stichting om [verzoeker] te veroordelen tot betaling van de gefixeerde vergoeding worden afgewezen. Hiervoor is immers geoordeeld dat het ontslag niet rechtsgeldig is.
5.18.
Het verzoek van de stichting om [verzoeker] te gebieden de bedrijfseigendommen, in het bijzonder de laptop en de iPad, in te leveren wordt afgewezen. [verzoeker] heeft erkend dat hij nog een laptop en een iPad in zijn bezit heeft, maar hij heeft aangevoerd dat deze zaken toebehoren aan de gemeente Amsterdam en niet aan de stichting. Daarnaast heeft [verzoeker] toegelicht dat hij de laptop en iPad op 17 oktober 2025 zou inleveren bij de gemeente Amsterdam. De stichting heeft dit verweer niet weersproken. Niet gebleken is dat [verzoeker] andere bedrijfseigendommen in zijn bezit heeft.
Tegenverzoek [verzoeker]
5.19.
In artikel 195 lid 1 Rv is bepaald dat de rechter op verzoek van de partij die daar op grond van artikel 194 lid 1 Rv recht op heeft, de wederpartij kan bevelen tot het verstrekken van inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens waarover de wederpartij beschikt.
Op grond van artikel 194 lid 1 Rv komt het recht op inzage, afschrift of uittreksel van a) bepaalde gegevens toe aan b) een partij bij een rechtsbetrekking, als zij c) daarbij voldoende belang heeft. Degene die inzage, afschrift of uittreksel verzoekt, moet zijn belang daarbij duidelijk omschrijven en zo nodig onderbouwen.
5.20.
[verzoeker] heeft verzocht om een kopie van zijn in- en uitkomende Outlook e-mails over de jaren 2023 tot en met 2025 omdat hier informatie in staat die hij wellicht wenst te gebruiken in de loonvorderingsprocedure die tussen partijen aanhangig is. Daarnaast heeft [verzoeker] verzocht om een kopie van de agenda van [verzoeker] over de jaren 2018 tot en met 2025 voor het geval de Belastingdienst vraagt naar de verantwoording van zijn aangifte.
Hiermee heeft [verzoeker] niet alleen onvoldoende concreet afgebakend waarom de gevraagde e-mails relevant zijn voor het loongeschil dat partijen nog verdeeld houdt, maar heeft daarmee ook niet aannemelijk gemaakt welk belang hij heeft bij al die informatie voor dat geschil. Hetzelfde geldt voor een kopie van zijn integrale agenda van de betreffende jaren die verzocht is voor het mogelijke geval dat de Belastingdienst uitleg van [verzoeker] verlangt. Het verzoek wordt afgewezen.
De proceskosten
5.21.
De proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6.De beslissing

De kantonrechter
in de zaak EA 25-784
6.1.
veroordeelt de stichting om aan [verzoeker] een billijke vergoeding te betalen van € 5.758,56 bruto,
6.2.
veroordeelt de stichting om aan [verzoeker] de vergoeding wegens onregelmatige opzegging te betalen van € 8.266,32 bruto,
6.3.
veroordeelt de stichting om aan [verzoeker] een transitievergoeding te betalen van € 6.800,93 bruto,
6.4.
veroordeelt de stichting tot afgifte van deugdelijke bruto/netto-specificaties over voornoemde bedragen binnen een maand na dagtekening van de beschikking, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 50,00 per dag voor iedere dag dat hieraan niet wordt voldaan, tot een maximum van € 1.000,00,
6.5.
veroordeelt de stichting in de proceskosten van € 1.681,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als de stichting niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
6.6.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,
6.7.
wijst het meer of anders verzochte af,
in de zaak EA 25-1020
6.8.
wijst de verzoeken van de stichting af,
6.9.
wijst het verzoek van [verzoeker] tot overhandiging van kopieën van de door hem gevorderde informatie af,
6.10.
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.F. Kuiken en in het openbaar uitgesproken op 28 november 2025.
51447

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 30 juni 2017, te vinden op www.rechtspraak.nl, onder nummer ECLI:NL:HR:2017:1187 (