ECLI:NL:RBAMS:2025:9695
Rechtbank Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek billijke vergoeding wegens niet ernstig verwijtbaar handelen werkgever
In deze zaak vordert verzoeker een billijke vergoeding op grond van artikel 7:682 lid 1 onderdeel Pro c BW, omdat de arbeidsovereenkomst met toestemming van het UWV is opgezegd wegens omstandigheden als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 onderdeel Pro b BW. Verzoeker stelt dat de gemeente Amsterdam ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door geen parkeervergunning of alternatieve vervoersvoorziening te verstrekken, ondanks het advies van de bedrijfsarts.
De kantonrechter beoordeelt de re-integratie-inspanningen van de gemeente Amsterdam vanaf de ziekmelding op 17 december 2020. Uit de medische adviezen blijkt dat verzoeker in januari en februari 2021 een tijdelijke parkeervergunning had en dat een permanente vergunning toen niet noodzakelijk was omdat verzoeker meerdere niet-werkgerelateerde aandoeningen had waardoor re-integratie niet mogelijk was.
Vanaf april 2024, toen de re-integratie in spoor 1b startte, beschikte verzoeker weer over een parkeervergunning en kon zij enkele uren per week werken. De gemeente heeft de adviezen van de bedrijfsarts opgevolgd en het UWV heeft geoordeeld dat de re-integratieverplichtingen zijn nagekomen. Hoewel communicatie over de parkeervergunning niet altijd optimaal was, is niet gebleken van ernstig verwijtbaar handelen.
De kantonrechter concludeert dat het verzoek om billijke vergoeding wordt afgewezen en veroordeelt verzoeker in de proceskosten van de gemeente Amsterdam.
Uitkomst: Het verzoek om billijke vergoeding wordt afgewezen wegens ontbreken van ernstig verwijtbaar handelen door de werkgever.