ECLI:NL:RBAMS:2025:9613

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
5 december 2025
Publicatiedatum
8 december 2025
Zaaknummer
11740653 \ CV EXPL 25-8088
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot betaling van een vergoeding voor werkzaamheden bij de afwikkeling van een nalatenschap

In deze civiele zaak heeft eiser, die in persoon procedeert, een vordering ingesteld tegen gedaagde, met wie hij bevriend was en die als erfgenaam is aangewezen in het testament van een overleden vriend. Eiser stelt dat er een afspraak was dat gedaagde hem een vergoeding van € 30.000,00 zou betalen voor zijn werkzaamheden bij de afwikkeling van de nalatenschap. Gedaagde heeft deze stelling gemotiveerd betwist en de kantonrechter oordeelt dat eiser zijn vordering onvoldoende heeft onderbouwd. De procedure begon met een dagvaarding op 23 mei 2025, gevolgd door een conclusie van antwoord en een mondelinge behandeling op 6 november 2025. De kantonrechter heeft vastgesteld dat eiser niet duidelijk heeft gemaakt welke werkzaamheden hij heeft verricht en dat de bewijsvoering niet overtuigend is. De kantonrechter wijst de vorderingen van eiser af en veroordeelt hem in de proceskosten van gedaagde, die zijn begroot op € 1.221,00. Eiser moet deze kosten binnen veertien dagen na aanschrijving betalen, anders komen er extra kosten bij voor betekening. De wettelijke rente over de proceskosten wordt ook toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11740653 \ CV EXPL 25-8088
Vonnis van 5 december 2025
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats 1] ,
eiser,
hierna te noemen: [eiser] ,
procederend in persoon,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. H. Vosmeijer.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 23 mei 2025, met producties,
- de conclusie van antwoord,
- het tussenvonnis van 7 augustus 2025 waarin de mondelinge behandeling is bepaald,
- de op 4 november 2025 binnengekomen e-mail van [eiser] , met bijlagen,
- de mondelinge behandeling van 6 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt die zich in het dossier bevinden.
1.2.
Daarna is bepaald dat vandaag een vonnis wordt uitgesproken.

2.De feiten

2.1.
Partijen waren beiden bevriend met de heer [naam] (hierna: [naam] ). Hij is in 2021 overleden. Partijen zijn na het overlijden van [naam] met elkaar in contact gekomen.
2.2.
[naam] heeft [gedaagde] in zijn testament – subsidiair – aangewezen tot enig erfgenaam. Nadat de primair aangewezen erfgenaam de nalatenschap had verworpen, heeft [gedaagde] de nalatenschap van [naam] op 28 april 2021 beneficiair aanvaard. Volgens een verklaring van erfrecht van 26 mei 2021 is [gedaagde] daarom als vereffenaar van de nalatenschap aangewezen. In die verklaring van erfrecht staat ook dat [gedaagde] [eiser] heeft gevolmachtigd om haar te vertegenwoordigen bij het vereffenen van de nalatenschap van [naam] .
2.3.
[eiser] heeft met een op 29 augustus 2022 gedateerde factuur € 30.000,00 aan [gedaagde] gefactureerd. [gedaagde] heeft die factuur niet betaald.
2.4.
In brieven van 15 en 20 december 2022 heeft [eiser] [gedaagde] verzocht de factuur te betalen. Daaraan heeft [gedaagde] geen gehoor gegeven.
2.5.
In de periode van 25 januari 2023 tot en met 16 februari 2023 hebben partijen, samengevat, per e-mail gecorrespondeerd over de vraag of [gedaagde] € 30.000,00 aan [eiser] verschuldigd is. Daarna heeft [eiser] [gedaagde] in een brief van 12 april 2023 in gebreke gesteld wegens het uitblijven van betaling op de factuur. Vervolgens heeft [eiser] [gedaagde] in een brief van 3 juli 2024 gesommeerd tot betaling van de factuur.
Voornoemde correspondentie heeft niet tot betaling van [gedaagde] van de factuur van [eiser] geleid.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert – samengevat – dat de kantonrechter [gedaagde] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeelt tot betaling van € 25.000,00 en de proceskosten.
3.2.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid dan wel afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met een veroordeling van [eiser] in de proceskosten.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
[eiser] stelt dat [gedaagde] hem de opdracht heeft gegeven om haar als gevolmachtigde bij te staan bij de afwikkeling en vereffening van de nalatenschap van [naam] . Uit de eigen stellingen van [eiser] blijkt dat de door hem gestelde afspraak met [gedaagde] uitdrukkelijk geen betrekking heeft op het achterhalen van de omstandigheden rondom het overlijden van [naam] . Dat ligt ook voor de hand, omdat tijdens de mondelinge behandeling is vastgesteld dat beide partijen een eigen belang hadden om daarover klaarheid te krijgen.
4.2.
Volgens [eiser] hebben partijen afgesproken dat [gedaagde] aan hem een vaste vergoeding van € 30.000,00 zou betalen voor zijn werkzaamheden in verband met de bijstand van [gedaagde] bij de afwikkeling en vereffening van de nalatenschap van [naam] . [gedaagde] heeft dat gemotiveerd betwist. De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] zijn stelling daarop onvoldoende nader heeft onderbouwd. Dat oordeel wordt hierna toegelicht.
4.3.
Ter nadere onderbouwing van zijn stelling had [eiser] op zijn minst duidelijk moeten maken welke werkzaamheden hij heeft verricht ter uitvoering van de door hem gestelde afspraak. Dat heeft hij onvoldoende gedaan. [eiser] heeft volstaan met het overleggen van een lijst van werkzaamheden die hij heeft verricht maar die voor het overgrote deel betrekking hebben op het achterhalen van de omstandigheden rondom het overlijden van [naam] , waarop de door hem gestelde afspraak met [gedaagde] dus juist geen betrekking heeft.
4.4.
Verder geldt dat [gedaagde] de nalatenschap van [naam] beneficiair heeft aanvaard. De ratio van de beneficiaire aanvaarding is dat een erfgenaam zijn privévermogen kan beschermen tegen aanspraken van derden in verband met de nalatenschap. Tegen die achtergrond ligt het volstrekt niet voor de hand dat [gedaagde] desondanks in privé een verplichting tegenover [eiser] op zich heeft genomen om aan hem in het kader van de vereffening en afwikkeling van de nalatenschap een vaste vergoeding van € 30.000,00 te betalen. De enkele door [eiser] in dit verband genoemde omstandigheid dat [gedaagde] de nalatenschap van [naam] beneficiair heeft aanvaard, omdat zij de opbrengst uit de verkoop van de woning van [naam] wilde hebben, maakt dat niet anders.
4.5.
De door [eiser] overgelegde schriftelijke verklaring van zijn echtgenote, werpt ook geen ander licht op de zaak. De bewijsrechtelijke waarde van die schriftelijke verklaring is nihil omdat daaronder weliswaar haar naam staat vermeld, maar niet door haar is ondertekend. Maar los daarvan: In die “verklaring” heeft de echtgenote van [eiser] verklaard dat zij en [eiser] begin augustus 2022 overleg hebben gevoerd met [gedaagde] over het onderzoek naar het overlijden van [naam] en dat zij in dat verband hebben gesproken over een door [gedaagde] aan [eiser] te betalen vergoeding voor de werkzaamheden van [eiser] . Deze verklaring valt niet te rijmen met de door [eiser] zelf gestelde afspraak met [gedaagde] , die volgens hem uitsluitend betrekking had op het verlenen van bijstand bij de afwikkeling en vereffening van de nalatenschap van [naam] .
4.6.
Op grond van al het voorgaande komt de kantonrechter tot de conclusie dat de stellingen van [eiser] zodanig vaag zijn en dusdanige ongerijmdheden bevatten dat die moeten worden gepasseerd zonder daarnaar nader onderzoek te doen door bijvoorbeeld het horen van getuigen. Dit betekent dat de vorderingen van [eiser] worden afgewezen.
4.7.
[eiser] krijgt dus ongelijk en moet daarom de proceskosten van [gedaagde] betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde: € 1.086,00 (2,0 punten x tarief: € 543,00)
- nakosten:
€ 135,00
- totaal: € 1.221,00
4.8.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van [gedaagde] , begroot op € 1.221,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser] niet tijdig aan de proceskostenveroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiser] ook de kosten van betekening betalen,
5.3.
veroordeelt [eiser] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. van Harmelen, kantonrechter, bijgestaan door mr. L.J.P.C. Silven, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 5 december 2026.
De griffier is verhinderd dit vonnis mede te ondertekenen.