Uitspraak
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
€ 135,00
Rechtbank Amsterdam
In deze civiele zaak heeft eiser, die in persoon procedeert, een vordering ingesteld tegen gedaagde, met wie hij bevriend was en die als erfgenaam is aangewezen in het testament van een overleden vriend. Eiser stelt dat er een afspraak was dat gedaagde hem een vergoeding van € 30.000,00 zou betalen voor zijn werkzaamheden bij de afwikkeling van de nalatenschap. Gedaagde heeft deze stelling gemotiveerd betwist en de kantonrechter oordeelt dat eiser zijn vordering onvoldoende heeft onderbouwd. De procedure begon met een dagvaarding op 23 mei 2025, gevolgd door een conclusie van antwoord en een mondelinge behandeling op 6 november 2025. De kantonrechter heeft vastgesteld dat eiser niet duidelijk heeft gemaakt welke werkzaamheden hij heeft verricht en dat de bewijsvoering niet overtuigend is. De kantonrechter wijst de vorderingen van eiser af en veroordeelt hem in de proceskosten van gedaagde, die zijn begroot op € 1.221,00. Eiser moet deze kosten binnen veertien dagen na aanschrijving betalen, anders komen er extra kosten bij voor betekening. De wettelijke rente over de proceskosten wordt ook toegewezen.