8.3Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen maatregel gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de omstandigheden van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verschillende strafbare feiten waaronder bedreigingen met de dood. Door de bedreigingen is het gevoel van veiligheid van de slachtoffers aangetast. Het feit dat verdachte deze slachtoffers heeft bedreigd tijdens de uitvoering van hun werk, neemt de rechtbank verdachte zeer kwalijk. Verdachte heeft zich ook schuldig gemaakt aan beledigingen. Door deze beledigingen heeft verdachte de slachtoffers aangetast in hun goede eer en naam. Verdachte heeft hele nare, kwetsende en in sommige gevallen racistische woorden gebruikt jegens de slachtoffers die op dat moment hun werk uitvoerden. Daarnaast heeft verdachte zich ook schuldig gemaakt aan twee diefstallen. Hij heeft daarmee het recht op eigendom geschonden en overlast veroorzaakt.
Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 26 september 2025. Hieruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten, waarbij zowel onvoorwaardelijke als voorwaardelijke straffen, al dan niet met (bijzondere) voorwaarden zijn opgelegd, en ook is eerder een ISD-maatregel opgelegd. Dit alles heeft verdachte er niet van weerhouden opnieuw over te gaan tot het plegen van meerdere strafbare feiten.
Rapportage
De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van Reclassering Inforsa van 17 januari 2025, opgemaakt door [reclasseringsmedewerker] . Dit rapport houdt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in:
Er is sprake van onstabiliteit op alle leefgebieden van verdachte. Verdachte heeft geen vaste woon- of verblijfplaats, geen dagbesteding en er is sprake van schuldenproblematiek. Verdachte is langdurig bekend met verslavingsproblematiek, hetgeen in directe relatie staat met zijn delictgedrag. Daarnaast is er sprake van psychiatrische- en lichamelijke problematiek. Verdachte heeft vrijwel altijd een ongemotiveerde, afwijzende houding ten aanzien van de reclassering en de bijbehorende interventies gehad. Om tot structurele gedragsverandering te komen acht de reclassering een langdurige opname in een forensische kliniek, gericht op zowel de psychiatrische- als verslavingsproblematiek, geïndiceerd. De forse verslavings- en gedragsproblematiek, het gebrek aan probleembesef en responsiviteit en het hoge risico op recidive en escalatiegevaar, maken dat hulpverlenings- en reclasseringsbemoeienis binnen een vrijwillig dan wel drangkader reeds een gepasseerd station zijn. De reclassering adviseert – bij schuldigverklaring - de onvoorwaardelijke ISD-maatregel voor de duur van twee jaar aan verdachte op te leggen. Gelet op de zorgelijke uitspraken en de woede die hij nog steeds jegens zijn regisseur van het AcVZ toont, wordt tevens een contact- en locatieverbod geadviseerd.
De reclassering heeft ter zitting het advies bevestigd.
De op te leggen maatregel
De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van de bewezen geachte feiten aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Hiervoor is bewezen verklaard dat verdachte misdrijven heeft begaan waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit het uittreksel Justitiële Documentatie van 26 september 2025 blijkt dat verdachte gedurende de vijf jaren voorafgaand aan de onderhavige feiten ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf/maatregel, terwijl de in dit vonnis bewezen verklaarde feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen/maatregelen en er, zoals blijkt uit de hiervoor genoemde rapportage, ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan. Blijkens het strafblad van verdachte is ook voldaan aan de eisen die de “Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers” van het Openbaar Ministerie stelt: verdachte is een zeer actieve veelpleger, die over een periode van vijf jaren processen-verbaal tegen zich zag opgemaakt worden voor meer dan tien misdrijven, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde feit. Verder eist de veiligheid van personen of goederen het opleggen van deze maatregel, gezien de ernst en het aantal door verdachte begane feiten, zijn problematiek en het recidiverisico.
De rechtbank acht zich voldoende voorgelicht op basis van het reclasseringsrapport en de toelichting van de reclasseringswerker en legt aan verdachte de onvoorwaardelijke ISD-maatregel op. De rechtbank heeft van verdachte begrepen dat de ISD-maatregel volgens hem niet zinvol zal zijn, maar de rechtbank ziet geen alternatieven ter voorkoming van aanhoudende recidive en heeft er geen vertrouwen in dat verdachte op eigen kracht zijn problematiek kan aanpakken. De beveiliging van de maatschappij dient nu voorop te staan.
Om de beëindiging van de recidive van verdachte en het leveren van een bijdrage aan de oplossing van zijn problematiek alle kansen te geven en voorts ter optimale bescherming van de maatschappij, is het van groot belang dat voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank de maatregel voor de maximale termijn van twee jaar opleggen en de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht niet in mindering brengen op de duur van de maatregel.
Vrijheidsbeperkende maatregel
Daarnaast ziet de rechtbank ter bescherming van de maatschappij en ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten aanleiding om aan verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel zoals bedoeld in artikel 38v Sr op te leggen.
Deze maatregel bestaat uit een contactverbod, inhoudende dat verdachte gedurende twee jaar geen direct of indirect contact mag hebben met [slachtoffer 4] , en een locatieverbod, inhoudende dat verdachte zich gedurende twee jaar niet mag ophouden in de [adres 3] . Voor iedere keer dat verdachte deze maatregel overtreedt, zal vervangende hechtenis worden opgelegd voor de duur van zeven dagen (met een maximum van zes maanden).
Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen en/of zich belastend zal gedragen jegens [slachtoffer 4] , beveelt de rechtbank, gelet op artikel 38v, vierde lid, Sr, dat de opgelegde maatregel, dadelijk uitvoerbaar is.