ECLI:NL:RBAMS:2025:9493

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
4 december 2025
Publicatiedatum
4 december 2025
Zaaknummer
13/249467-24
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Poging tot zware mishandeling en vernieling in hotelkamer te Amsterdam

Op 4 augustus 2025 heeft de verdachte in Amsterdam geprobeerd een medeverdachte zwaar te mishandelen door haar met een metalen bezemsteel te slaan. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte meerdere keren met kracht op het lichaam van het slachtoffer heeft geslagen, wat heeft geleid tot ernstige verwondingen. De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van poging tot doodslag, maar de poging tot zware mishandeling is bewezen verklaard. Daarnaast heeft de verdachte op dezelfde dag schade toegebracht aan een hotelkamer door meerdere tuinmeubelen en een schuifdeur te vernielen. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht maanden en een contactverbod van twee jaar met het slachtoffer. De benadeelde partij heeft een vordering ingediend voor immateriële schade, die door de rechtbank is toegewezen tot een bedrag van € 7.500,-, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum van het strafbare feit.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/249467-24
Datum uitspraak: 4 december 2025
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1995 te [geboorteplaats] ,
thans gedetineerd te: [detentie-instelling] ,
hierna: verdachte.

1.Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 20 november 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S.M. Hoogerheide, en van wat verdachte, zijn raadsvrouw, mr. S. Aytemur, de raadsvrouw van benadeelde partij [benadeelde partij] , mr. H.A.F.C. Tack, en de deskundigen M.B.F. van Berkel en L. Zijp naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 4 augustus 2025 te Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan
feit 1
primair
poging tot doodslag
(impliciet primair)althans poging tot zware mishandeling (
impliciet subsidiair)van [benadeelde partij] door haar met een metalen bezemsteel te slaan en/of te steken;
subsidiair
mishandeling van [benadeelde partij] door haar met een metalen bezemsteel te slaan en/of te steken;
feit 2
vernieling en/of beschadiging en/of het onbruikbaar maken en/of wegmaken van een schuifdeur, raam, tuinmeubelen, gordijnen en muren van het [hotel] .
De volledige tenlastelegging is opgenomen in
bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en
geldt als hier ingevoegd.

3.Waardering van het bewijs

3.1.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een vrijspraak van de onder 1 impliciet primair ten laste gelegde poging tot doodslag. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 impliciet subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling en de onder 2 ten laste gelegde vernieling en beschadiging wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder feit 1 primair ten laste gelegde feit, nu er geen sprake was van een aanmerkelijke kans op de dood dan wel zwaar lichamelijk letsel aangezien de metalen bezemsteel van aluminium was. De bezemsteel was van te licht en buigzaam materiaal om iemand mee te doden of zwaar lichamelijk letsel mee toe te brengen.
De rechtbank zou volgens de raadsvrouw wel tot een veroordeling van de onder 1 subsidiair ten laste gelegde mishandeling van [benadeelde partij] (hierna ook: [benadeelde partij] ) en de onder 2 ten laste gelegde vernieling van de schuifdeur en een tuinmeubel kunnen komen.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Vrijspraak poging tot doodslag
Met de officier van justitie en raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat op basis van het dossier niet is komen vast te staan dat verdachte met zijn handelen opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer, ook niet in voorwaardelijke vorm. De rechtbank zal verdachte van de poging tot doodslag vrijspreken.
3.3.2.
Poging tot zware mishandeling
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verdachte met zijn handelen heeft gepoogd [benadeelde partij] zwaar te mishandelen. Hiervoor moet komen vast te staan dat verdachte opzet heeft gehad op die zware mishandeling. Daarvan is niet alleen sprake indien verdachte willens en wetens heeft gepoogd aangeefster zwaar letsel toe te brengen, maar ook indien vastgesteld moet worden dat sprake was van zogenaamd ‘voorwaardelijk opzet’ op die zware mishandeling. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden.
De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
Uit het dossier en de verklaring van verdachte ter zitting blijkt dat verdachte meermaals met een metalen bezemsteel op het lichaam van [benadeelde partij] heeft ingeslagen. Dat slaan gebeurde met kracht, dusdanig dat de steel bij het slaan is gebroken. Ook het letsel dat [benadeelde partij] heeft geleden geeft blijk van de kracht waarmee geslagen werd. Verdachte is vervolgens doorgegaan met het inslaan op [benadeelde partij] met een van de delen van de metalen bezemsteel, waaraan inmiddels een scherpe rand zat, waarmee verdachte grote sneeën op verschillende onderdelen van het lichaam van [benadeelde partij] heeft kunnen veroorzaken. Verschillende sneeën waren zo diep dat die gehecht moesten worden, met het risico op ernstige, ontsierende en blijvende littekens op verschillende onderdelen van haar lichaam tot gevolg. Aldus bestond met het handelen een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk bestond.
Vervolgens moet worden vastgesteld dat verdachte de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel ook bewust heeft aanvaard. De rechtbank is van oordeel dat de gedragingen van verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer te zijn gericht op het teweegbrengen van zwaar lichamelijk letsel dat het, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg bewust heeft aanvaard. Uit het feitencomplex blijkt dat verdachte kennelijk meedogenloos en met kracht is blijven inslaan op [benadeelde partij] , terwijl zij in een verdedigende houding op haar bed lag. Van contra-indicaties is de rechtbank niet gebleken. Verdachte heeft hiermee voorwaardelijk opzet gehad op de zware mishandeling. De verwondingen die het slachtoffer aan het feit heeft overgehouden zijn ernstig, maar deze hadden met het gebruikte geweld nog veel ernstiger kunnen zijn.
De rechtbank acht de onder feit 1 impliciet subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling wettig en overtuigend bewezen.
De rechtbank oordeelt dat niet is komen vast te staan dat verdachte met de bezemsteel ook tegen het hoofd van slachtoffer heeft geslagen en dat hij de bezemsteel in de vagina van het slachtoffer heeft gestoken. De rechtbank zal hem van die onderdelen dan ook vrijspreken.
3.3.3.
Vernieling en beschadiging hotelkamer
Verdachte heeft bekend met een tuintafel het raam van de schuifpui van de hotelkamer te hebben ingeslagen. Hiermee heeft hij de schuifpui, het raam en de tuintafel vernield. Een medewerker van het hotel heeft daarnaast geconstateerd dat degene die in die kamer verbleef – verdachte heeft verklaard dat hij dat was – niet slechts de tuintafel maar meerdere tuinmeubelen heeft vernield en ook bloed op de gordijnen en muren heeft gesmeerd. De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het onder feit 2 tenlastegelegde.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in
bijlage IIvervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
feit 1
op 4 augustus 2024 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde partij] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen meerdere malen
- die [benadeelde partij] met een metalen bezemsteel heeft geslagen op/tegen haar armen en benen en heup en voeten, ten gevolge waarvan voornoemde metalen bezemsteel is gebroken, en
- vervolgens die [benadeelde partij] met voornoemde gebroken metalen bezemsteel heeft geslagen tegen haar armen en benen en voet, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
feit 2
op 4 augustus 2024 te Amsterdam, opzettelijk en wederrechtelijk een schuifdeur en/of een raam en meerdere tuinmeubelen en gordijnen en muren, die aan [hotel] (vestiging: [adres] ), toebehoorden heeft vernield en beschadigd, onbruikbaar gemaakt.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5.Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op het rapport van 3 oktober 2025 dat is geschreven naar aanleiding van de observatie van verdachte in het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC). De deskundigen rapporteren onder meer het volgende:
“Het is wegens een gebrek aan verifieerbare informatie voor de onderzoekers niet mogelijk om op basis van de vastgestelde psychopathologie een eventuele doorwerking te onderbouwen, noch uit te sluiten.
[…]
In algemene zin kan worden gesteld dat betrokkene een hoog recidiverisico heeft voor het toepassen van geweld, gegeven een aantal algemene risicofactoren zoals het plegen van geweldsdelicten in de voorgeschiedenis, het hebben van antisociale cognities en een gebrek aan copingvaardigheden.
[…]
Deze factoren zijn echter niet specifiek toe te passen op de tenlastegelegde feiten waardoor onderzoekers geen uitspraak kunnen doen over de kans op herhaling van een soortgelijk delict. Dit recidiverisico geldt overigens voor een groot deel van de gedetineerden, is niet per sé stoornis gerelateerd en zegt nog niets over de noodzaak tot behandeling.
[…]
De onderzoekers onthouden zich derhalve van een advies omtrent het toerekenen.”
De rechtbank kan evenmin ambtshalve een doorwerking van de vastgesteld psychopathologie vaststellen. Er is dan ook geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7.Motivering van de straffen en maatregelen

7.1.
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest. Daarnaast dient volgens de officier van justitie een tbs-maatregel met dwangverpleging te worden opgelegd.
7.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat moet worden volstaan met een gevangenisstraf van ten hoogste de duur die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Voorts heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat moet worden afgezien van het opleggen van een tbs-maatregel.
7.3.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de draagkracht van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Aard en ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling en een vernieling en beschadiging van een hotelkamer. Verdachte heeft [benadeelde partij] met een metalen bezemsteel meermaals tegen het lichaam geslagen. Hij heeft hierbij dusdanig hard geslagen dat deze bezemsteel is gebroken. Verdachte heeft hiermee een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en aangenomen moet worden dat het slachtoffer hier langdurig fysieke en mentale last van zal ondervinden. Verdachte heeft ter zitting verklaard dit feit te hebben gepleegd omdat hij boos op het slachtoffer was omdat zij ‘spul’ (de rechtbank begrijpt: drugs) van hem zou achterhouden. De rechtbank vindt het onbegrijpelijk dat verdachte dusdanig vergaand geweld heeft uitgeoefend op een persoon die hij innig kent, slechts voor zijn eigen gewin.
Daarnaast heeft verdachte delen van de hotelkamer waar hij eerder die avond verbleef, vernield, onbruikbaar gemaakt en beschadigd. Hij heeft hiermee veel schade voor- en onrust in het hotel gecreëerd. De rechtbank neemt verdachte beide feiten zeer kwalijk.
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 24 november 2025. Hieruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor onder meer geweldsdelicten en vermogensdelicten welke met (bedreiging met) geweld gepaard zijn gegaan.
Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsrapport van 6 november 2025 en het PBC-rapport van 3 oktober 2025. Hieruit volgt dat bij verdachte een antisociale persoonlijkheidsstoornis met narcistische trekken, psychopathie en een (ten minste lichte) stoornis in het gebruik van cannabis vastgesteld. Uit het rapport blijkt echter tevens, dat het niet mogelijk is gebleken om uitspraken te doen over een eventuele doorwerking van deze stoornissen in het bewezenverklaarde. Tegen die achtergrond kan niet worden vastgesteld dat de kans op herhaling door behandeling kan worden ingeperkt. De rechtbank acht in dit licht oplegging van de tbs-maatregel, zoals door de officier van justitie gevorderd, niet aangewezen.
Straf
Gelet op het gegeven dat de rechtbank de LOVS als uitgangspunt neemt bij het opleggen van de straf, wijkt deze straf af van wat de officier van justitie heeft gevorderd. De rechtbank acht, gelet op al het voorgaande, de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden passend en geboden.
Naast de gevangenisstraf vindt de rechtbank het noodzakelijk om een vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen in de vorm van een contactverbod. De gepleegde poging tot zware mishandeling heeft een grote impact gehad op het slachtoffer en zorgt bij haar voor een groot gevoel van onveiligheid; zo blijkt uit haar slachtofferverklaring. Daarbij schat de reclassering in haar rapport van 6 november 2025 het recidiverisico nog altijd in als hoog. Om herhaling te voorkomen en aangeefster te beschermen, zal de rechtbank aan verdachte een contactverbod opleggen met [benadeelde partij] , met de dadelijke uitvoerbaarheid daarvan, zoals hieronder in het dictum is omschreven. Dit contactverbod zal worden opgelegd voor de duur van twee jaar. Per overtreding van dit verbod, zal steeds een week hechtenis kunnen worden opgelegd, met een maximum van zes maanden.
Met de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat de oplegging van een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht, gezien de duur van de opgelegde gevangenisstraf praktisch niet meer tot een van de mogelijkheden behoort.

8.Beslag

Onder verdachte is het volgende voorwerpen in beslag genomen:
STK telefoontoestel (iPhone blauw), goednummer: PL1300-2024183703-G6536118;
STK bezem, goednummer: PL1300-2024183703-G6536374;
1 STK bezem, goednummer: PL1300-2024183703-G6536375;
1 STK beddengoed, goednummer: PL1300-2024183703-G6536376;
1 STK beddengoed, goednummer: PL1300-2024183703-G6536377;
1 STK beddengoed, goednummer: PL1300-2024183703-G6536378;
1 STK kleding, goednummer: PL1300-2024183703-G6536379;
1 FLS fles (flesje poppers): PL1300-2024183703-G6536381.
Verbeurdverklaring
Nu met behulp van goed 2 en 3 het onder feit 1 bewezen geachte is begaan, zullen deze voorwerpen worden verbeurdverklaard.
Teruggave
De rechtbank oordeelt dat de goederen 1 en 7 geen verband houden met de gepleegde feiten en om die reden aan verdachte kunnen worden teruggegeven.
De goederen 4 tot en met 6 zijn onder verdachte in beslag genomen maar behoren niet aan verdachte toe. De rechtbank zal de teruggave van het voorwerp aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt gelasten.
Bewaren rechthebbende
Nu nog niet is gebleken aan wie goed 8, het flesje met poppers, toebehoort, zal dit goed worden bewaard voor de rechthebbende.

9.Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert € 7.500,- aan vergoeding van immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente
,
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder feit 1 bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen.
De hoogte van de vordering is ter terechtzitting betwist waarbij de raadsvrouw heeft verwezen naar de hoogte van toegewezen immateriële schadevergoeding in vergelijkbare zaken. De rechtbank heeft voor het begroten van de schade acht geslagen op de Rotterdamse Schaal. De rechtbank oordeelt dat aansluiting kan worden gevonden bij middelzware littekenvorming waarvan volgens de Rotterdamse Schaal sprake is in het geval van een aantal duidelijk zichtbare littekens of één misvormend litteken. [benadeelde partij] heeft aan de poging tot zware mishandeling meerdere littekens overgehouden op verschillende plekken van haar lichaam die zowel voor haarzelf, als voor anderen, zichtbaar zullen blijven. De Rotterdamse Schaal schrijft voor dat voor dergelijk letsel een schadevergoeding kan worden toegewezen voor een bedrag van € 5.500,- tot € 16.000,-. Gelet op voorgaande acht de rechtbank de gevorderde immateriële schadevergoeding ter hoogte van € 7.500,- geheel redelijk en billijk. De rechtbank zal de vordering in zijn geheel toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd (4 augustus 2024).
Ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [benadeelde partij] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder feit 1 bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 7.500,- (zevenduizend vijfhonderd euro).

10.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 36f, 38v, 45, 302 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

11.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in
rubriek 4is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
feit 1
poging tot zware mishandeling;
en
feit 2
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen, onbruikbaar maken en beschadigen.
Veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvan
8 (acht) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Legt op de
vrijheidsbeperkende maatregeldat de veroordeelde voor de duur van
2 (twee) jarenop
geenenkele wijze - direct of indirect -
contactzal opnemen, zoeken of hebben met [benadeelde partij] .
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 1 (één) week voor
iedere keerdat niet aan de maatregel wordt voldaan.
De totale duur van de tenuitvoergelegde vervangende hechtenis bedraagt ten hoogste zes maanden.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte zich belastend zal gedragen jegens een bepaalde persoon of bepaalde personen, beveelt de rechter, gelet op artikel 38v, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, dat de opgelegde maatregel,
dadelijk uitvoerbaaris.
Beslag
Verklaart verbeurd:
  • 2 STK bezem, goednummer: PL1300-2024183703-G6536374;
  • 1 STK bezem, goednummer: PL1300-2024183703-G6536375.
Gelast de teruggave aan veroordeelde van:
  • 1 STK telefoontoestel (iPhone blauw), goednummer: PL1300-2024183703-G6536118;
  • 1 STK kleding, goednummer: PL1300-2024183703-G6536379.
Gelast de teruggave aan de redelijkerwijs rechthebbende van:
  • 1 STK telefoontoestel (Samsung zwart), goednummer PL1300-2024183703-G6593709;
  • 1 STK beddengoed, goednummer: PL1300-2024183703-G6536376;
  • 1 STK beddengoed, goednummer: PL1300-2024183703-G6536377;
  • 1 STK beddengoed, goednummer: PL1300-2024183703-G6536378.
Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van:
1 FLS fles (flesje poppers): PL1300-2024183703-G6536381.
Vordering benadeelde partij [benadeelde partij]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] toe tot een bedrag van € 7.500,- (zevenduizend vijfhonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (4 augustus 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij] aan de Staat € 7.500,- (zevenduizend vijfhonderd euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (4 augustus 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 72 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. H.H.J. Zevenhuijzen, voorzitter,
mrs. A.K. Glerum en J.V.L. van Well, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. R.T. Lo Dico en M. Pathuis, griffiers.
[(...)]