ECLI:NL:RBAMS:2025:9458

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
28 november 2025
Publicatiedatum
4 december 2025
Zaaknummer
AMS 25/6162 en 25/6180
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen buiten behandeling stellen aanmelding voor basisschool van een kind met mogelijke ondersteuningsbehoefte

In deze zaak heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Amsterdam op 28 november 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen een verzoekster en de stichting Amstelwijs, die als bevoegd gezag fungeert voor een basisschool. De verzoekster had haar zoon aangemeld voor OBS [school 1], maar de aanmelding werd door de school buiten behandeling gesteld. De school had zorgen over de onderwijsbehoefte van de jongen, die al meer dan een jaar niet naar school ging. De ouders weigerden mee te werken aan observaties die de school had voorgesteld om de onderwijsbehoefte vast te stellen. De voorzieningenrechter oordeelde dat de school de aanmelding ten onrechte buiten behandeling had gesteld, omdat dit in strijd was met het belang van het kind. De rechter benadrukte dat het recht op onderwijs voorop staat en dat de school de verantwoordelijkheid heeft om een passende onderwijsplek te vinden. De voorzieningenrechter vernietigde het besluit van de school en droeg hen op om binnen twee weken een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van de verzoekster, met inachtneming van de uitspraak. Tevens werd het griffierecht aan de verzoekster vergoed.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummers: AMS 25/6162 (vovo) en 25/6180 (beroep)
uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 november 2025 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen

[verzoekster] , uit [woonplaats] , eiseres/verzoekster, hierna: verzoekster,

en
Amstelwijs, stichting voor openbaar primair onderwijs,te Amstelveen, verweerder,
(gemachtigde: mr. R.P.J. Hendrikx).

Procesverloop

1.1.
Verzoekster heeft [naam zoon] op [datum] 2025 aangemeld op OBS [school 1] . Verweerder is het bevoegd gezag van [school 1] [1] . Verweerder heeft de aanmelding bij het besluit van 22 september 2025 buiten behandeling gesteld en is met het bestreden besluit van 29 oktober 2025 op het bezwaar van verzoekster bij die beslissing gebleven.
1.2.
Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld en verzocht een voorlopige voorziening te treffen, strekkende tot het direct plaatsen van [naam zoon] op [school 1] .
1.3.
Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 21 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verweerder,
[naam 1] , [functie 1] van verweerder en [naam 2] , [functie 2] van [school 1] .
1.5.
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist zij ook op het beroep van verzoekster daartegen. [2]
1.6.
De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Achtergrond en besluitvorming
2.1.
De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. [naam zoon] is geboren op [geboortedatum] 2019 en op dit moment dus 6 jaar oud. Hij is in oktober 2023 begonnen op OBS [school 2] . Daar heeft hij een aantal weken onderwijs gevolgd. In december 2023 hebben zijn ouders [naam zoon] aangemeld voor de [school 3] (hierna: [school 3] ) waar hij in januari 2024 is gestart. Op 4 juli 2024 is hij daar uitgeschreven; op het uitschrijvingsformulier heeft de school als reden ‘onbekend’ vermeld. Uit het informatieoverzicht van [school 1] over [naam zoon] van augustus en september 2025 volgt dat [school 3] in een telefonisch overleg heeft verklaard dat [naam zoon] tot en met mei 2024 op school heeft gezeten. Zij hebben een zorggesprek met ouders gevoerd. [school 3] wilde [naam zoon] extra ondersteunen en laten observeren. Ouders waren daarin niet meewerkend. Hij is uitgeschreven zonder dat er een nieuwe school voor hem was.
2.2.
In juli 2024 hebben de ouders [naam zoon] aangemeld bij [school 1] . Deze aanmelding heeft niet tot een toelating geleid. Uit het dossier, met name een e-mailwisseling tussen [school 1] en de ouders van oktober 2024, blijkt dat de school toestemming heeft verzocht om informatie over een eventuele zorg/ondersteuningsbehoefte van [naam zoon] te mogen aanvragen bij [school 3] , OBS [school 2] en het kinderdagverblijf. Deze toestemming is niet verleend door de ouders. Ouders meenden dat de school niet voldoende heeft onderbouwd waarom [naam zoon] een ondersteuningsbehoefte zou hebben. [naam zoon] is volgens ouders geen zorgleerling. Nadat de school ouders nogmaals heeft gewezen op de verzochte informatie en toestemming, hebben ouders op 21 oktober 2024 laten weten dat zij een andere school voor [naam zoon] zullen zoeken. Zij bleven van mening dat ook uit het onderwijskundig rapport van [school 3] niet volgt dat [naam zoon] een ondersteuningsbehoefte heeft. Op 4 november 2024 heeft [school 1] laten weten de aanmelding verder niet in behandeling te nemen op grond van artikel 4:5 van de Awb jo. artikel 63, vierde lid van de Wet op het primaire onderwijs (Wpo). Hiertegen zijn de ouders verder niet meer opgekomen.
2.3.
Uit het dossier blijkt verder dat de leerplichtambtenaar op 3 oktober 2024 is geïnformeerd door [school 1] dat er een onvolledige aanvraag lag. [naam zoon] was vanaf 3 november 2024 leerplichtig, vanaf dat moment is de leerplichtambtenaar betrokken bij deze zaak. Op enig moment hebben de ouders een klacht tegen de leerplichtambtenaar ingediend. Uit de behandeling van de klacht blijkt dat de leerplichtambtenaar de ouders in december 2024 heeft verwezen naar het [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1]). Verder blijkt dat ouders geen betrokkenheid van het [bedrijf 1] wensten, zie hierna in 2.4. In de klachtbehandeling is een aanbeveling opgenomen, namelijk eerder het gesprek met ouders aangaan en overgaan tot handhaving als het gesprek lijkt te stranden. Uit een e-mail in het dossier van de leerplichtambtenaar van 20 oktober 2025 blijkt dat zij ervan uitgaat dat op de school een zorgplicht rust en zij verantwoordelijk zijn voor het zoeken naar een passende onderwijsplek voor [naam zoon] . Verder wijst zij op de mogelijkheid om een geschil in te dienen bij de Geschillencommissie. De voorzieningenrechter concludeert daar enigszins terughoudend uit – omdat zij geen zicht heeft op het gehele dossier – dat handhaving op dit moment dus (nog steeds) niet aan de orde lijkt.
2.4.
Uit een gespreksverslag van 9 december 2024 van het [bedrijf 1] volgt dat vader contact heeft opgenomen om te kijken op welke wijze het [bedrijf 1] een bijdrage kan leveren aan een oplossing. Vader verwachtte volgens het verslag dat [bedrijf 1] een verklaring opstelt waarin zij omschrijven dat [naam zoon] geen extra ondersteuningsbehoefte heeft. [bedrijf 1] heeft in reactie aangegeven dat zij geen betrokkenheid hebben gehad bij [naam zoon] en dus geen inschatting konden maken wat de ondersteuningsbehoeften van hem zijn. [bedrijf 1] heeft verder aangegeven dat het voor [bedrijf 1] een prioriteit is dat alle kinderen naar school gaan op een zo passend mogelijke plek. [bedrijf 1] zoekt in de regel gezamenlijk met ouders en scholen naar een passende plek. Hierbij vinden zij de samenwerking tussen alle betrokkenen belangrijk en zij kunnen in dit geval bijvoorbeeld een rol hebben bij het initiëren van een bemiddelend gesprek. Vader’s reactie was dat hij vooralsnog geen reden ziet voor betrokkenheid van het [bedrijf 1], aangezien [naam zoon] geen extra ondersteuningsbehoeften heeft.
2.5.
Op [datum] 2025 hebben de ouders [naam zoon] opnieuw aangemeld bij [school 1] . Ook deze aanmelding is buiten behandeling gesteld op grond van artikel 4:5 van de Awb jo. artikel 63, vierde lid, van de Wpo. Verzoekster is hiertegen in bezwaar gegaan, heeft beroep ingesteld en verzocht een voorlopige voorziening te treffen om [naam zoon] direct op [school 1] te plaatsen. [naam zoon] gaat op dit moment al ruim 16 maanden, sinds 10 juli 2024, niet naar school.
Standpunten van partijen
3.1.
Verweerder stelt zich - kort gezegd - op het standpunt dat zij op grond van artikel 40, derde lid, van de Wpo een wettelijke verplichting heeft om onderzoek te doen naar het bestaan van eventuele zorg/ondersteuningsbehoefte van [naam zoon] . Zij heeft zorgen over [naam zoon] gebaseerd op een intake en de informatie van de [school 3] . De [school 3] heeft een beeld geschetst dat aanleiding gaf tot zorg. Er werd verteld dat [naam zoon] vanaf de eerste dag opvallend en zorgelijk gedrag vertoonde. [naam zoon] profiteerde onvoldoende van het leeraanbod en routines in de klas, was in zichzelf gekeerd, hij praatte hardop, repetitief tegen zichzelf, was regelmatig overprikkeld in de klas, beet en likte aan speelgoed, was niet goed zindelijk, sprak mompelend, was moeilijk verstaanbaar en er was in de visie van de [school 3] geen leeftijdsadequate motorische beheersing. Op didactisch vlak had [naam zoon] weinig laten zien. De ernst van het gedrag en de zorgen namen met de tijd toe. De [school 3] achtte externe hulp, observaties en extra begeleiding in groep 1/2 noodzakelijk en voorzag aanzienlijke problemen voor [naam zoon] in de meer klassikale setting van groep 3. Verweerder verwijst voor een verslag van het gesprek naar het informatieoverzicht van [school 1] over [naam zoon] van augustus en september 2025. Ter zitting heeft verweerder nog verwezen naar een ander informatieoverzicht dat is aangehecht aan een e-mail van [school 1] een de ouders van [naam zoon] van 22 augustus 2025 waaruit blijkt dat [school 3] aangeeft dat zij S(B)O als realistische uitstroombestemming zagen wanneer de extra ondersteuning onvoldoende zou renderen voor een start van [naam zoon] in groep 3.
3.2.
[school 1] heeft daarom twee observatiedagen voorgesteld, waarbij [naam zoon] op de tweede dag geobserveerd zou worden door een medewerker van [bedrijf 2] ([functie 3]) en [bedrijf 3] ([functie 4]). Doordat ouders hieraan niet meewerken kan [school 1] de onderwijsbehoefte van [naam zoon] niet vaststellen en ook niet inschatten of [school 1] aan de onderwijsbehoefte tegemoet kan komen. Verweerder kan daarom de aanmelding van [naam zoon] niet verder in behandeling nemen.
3.3.
Verzoekster stelt zich op het standpunt dat [naam zoon] tot tweemaal toe onrechtmatig is geweigerd door [school 1] . Verzoekster stelt dat het [bedrijf 1] in een gesprek met vader heeft bevestigd dat er geen sprake is van een ondersteuningsbehoefte en er ook geen sprake is van een zorgleerling. Als bewijs overleggen zij een geluidsopname van het gesprek. Het is in het belang van [naam zoon] om zo snel mogelijk weer toegang tot onderwijs te krijgen.
Beoordeling
4.1.
De voorzieningenrechter merkt ten eerste op dat het hier gaat om een complexe situatie. Het belang van [naam zoon] om zo spoedig mogelijk passend onderwijs te kunnen volgen moet daarbij voorop worden gesteld. De voorzieningenrechter merkt op dat, hoewel alle betrokken instanties het belang van [naam zoon] benoemen, het tot nu toe niet is gelukt de impasse te doorbreken. Alle partijen dragen bij aan het in stand houden van deze situatie. De voorzieningenrechter wijst op de houding van de ouders. Door meerdere betrokken instanties is deze houding als niet meewerkend getypeerd. Bovendien hebben zij heimelijk gesprekken opgenomen wat niet bijdraagt aan de vertrouwensband en de samenwerking die vereist is om tot een oplossing te komen. Daarbij blijven zij volharden in hun mening dat zij geen hulp nodig hebben en geen betrokkenheid wensen van een professionele onafhankelijke derde die bemiddelend kan optreden in de gesprekken over [naam zoon] en slaan zij (vrijblijvende) adviezen van deskundige organisaties zoals het [bedrijf 1] in de wind. Verzoekster heeft ter zitting toegelicht dat zij als ouders een eerlijke kans voor [naam zoon] willen. Hij zou moeten kunnen starten op regulier onderwijs omdat hij geen ondersteuningsbehoefte heeft. Mocht de school na een langere periode van observatie toch van mening zijn dat [naam zoon] naar een school voor speciaal (basis)onderwijs zou moeten, dan zullen de ouders daaraan meewerken. Hoewel het invoelbaar is dat ouders dit wensen, gaan zij eraan voorbij dat hun houding op dit punt eraan bijdraagt dat [naam zoon] op dit moment überhaupt geen onderwijs heeft.
4.2.
De voorzieningenrechter wijst ook op de afdoeningswijze van de aanmelding door verweerder. Hoewel zij ter zitting het belang van [naam zoon] voor passend onderwijs onderstrepen, leidt het buiten behandeling stellen van de aanvraag ertoe dat zij geen verantwoordelijkheid hebben in dit dossier. Immers, de zorgplicht die een school heeft om voor een leerling met een extra behoefte aan ondersteuning toelating op een andere school te bewerkstelligen, geldt op grond van artikel 40, vierde lid, alleen bij
weigeringvan die leerling. Door de buiten behandeling stelling blijft het dossier wederom liggen. De voorzieningenrechter begrijpt dat verweerder zich zorgen maakt over of toelating van [naam zoon] zonder te kunnen inschatten of [school 1] wel in de onderwijsbehoefte van [naam zoon] kan voorzien. Er zijn naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook terechte zorgen over [naam zoon] gelet op de informatie van [school 3] en de intake in combinatie met het feit dat hij al 16 maanden niet op school zit. Verweerder heeft ter zitting benadrukt dat toelating ertoe zou kunnen leiden dat [naam zoon] niet in een passende setting komt en moet worden overgeplaatst. Een dergelijke faalervaring ten aanzien van onderwijs is ook niet in het belang van [naam zoon] . Hoewel dit te volgen is, gaat verweerder voorbij aan het belang van [naam zoon] en zijn recht op onderwijs dat is verankerd in artikel 28 van het IVRK [3] . Het kan niet zo zijn dat een impasse tussen school en ouders ertoe leidt dat het kind geen onderwijs kan volgen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de school voldoende geëquipeerd dient te zijn om deze impasse te doorbreken.
4.3.
Op grond van het voorgaande komt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat verweerder de aanmelding ten onrechte buiten behandeling heeft gesteld. Verweerder dient ingevolge artikel 3 van het IVRK bij de besluitvorming de belangen van het kind de eerste overweging te maken. Hoewel verweerder op grond van de Wpo de aanmelding buiten behandeling kon stellen, is het naar het oordeel van de voorzieningenrechter in dit specifieke geval niet in het belang van het kind om voor deze afdoeningswijze te kiezen. Dit heeft immers tot gevolg dat de impasse voortduurt. Gelet op het feit dat [naam zoon] al 16 maanden niet naar school gaat en geen enkele betrokken instantie regie voert om deze impasse te doorbreken, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder in het belang van [naam zoon] een beslissing op de aanmelding had moeten nemen. Verweerder heeft bovendien wel informatie, hoewel niet recent en ook niet actueel, die erop wijst dat [naam zoon] een leerling is die extra ondersteuning behoeft. Hier lijkt verweerder ook vanuit te gaan.
4.4.
De voorzieningenrechter benadrukt dat dit dus niet betekent dat [school 1] ten onrechte heeft voorgesteld om [naam zoon] twee dagen te observeren om de onderwijsbehoefte te kunnen vaststellen. Verweerder heeft voldoende onderbouwd dat observatie een veel gebruikte en adequate methode is om de onderwijsbehoefte in kaart te brengen. Ook het [bedrijf 1] onderstreept dit en heeft ouders daarom geadviseerd om hieraan mee te werken.
4.5.
Ten slotte is het volgende nog van belang. Mocht verweerder de toelating van [naam zoon] op [school 1] weigeren omdat zij op basis van de wel beschikbare gegevens van oordeel is dat [naam zoon] een extra ondersteuningsbehoefte heeft waar [school 1] niet in kan voorzien, dan dienen zij ervoor zorg te dragen dat een andere school bereid is tot toelating op grond van artikel 40, vierde lid, van de Wpo. De voorzieningenrechter is zich er terdege van bewust dat verweerder mogelijk niet aan deze zorgplicht kan voldoen indien de zorg/ondersteuningsbehoefte van [naam zoon] niet in kaart kan worden gebracht. De voorzieningenrechter verwacht dat verweerder in dat geval op zeer korte termijn doorpakt en een professionele instantie inschakelt, zoals bijvoorbeeld de Raad voor de Kinderbescherming. Ook raadt de voorzieningenrechter de ouders van [naam zoon] aan om professionele begeleiding door een derde te accepteren, bijvoorbeeld mee te werken aan bemiddelingsgesprekken door bijvoorbeeld het [bedrijf 1] of de Kinderombudsman. [naam zoon] verdient deze houding. Door de huidige impasse wordt [naam zoon] immers al te lang de kans ontnomen om zich via onderwijs verder te ontwikkelen.
Conclusie en gevolgen
5.1.
Het beroep is gegrond. De voorzieningenrechter zal het bestreden besluit vernietigen omdat verweerder de aanmelding van [naam zoon] ten onrechte buiten behandeling heeft gesteld. Aangezien aan het primaire besluit hetzelfde gebrek kleeft en dit gebrek niet kan worden hersteld, zal de voorzieningenrechter zelf in de zaak voorzien door het primaire besluit te herroepen. Verweerder zal met inachtneming van deze uitspraak alsnog op de aanvraag van verzoekster moeten beslissen. Gelet op het belang van [naam zoon] om zo spoedig mogelijk passend onderwijs te kunnen volgen, verkort de voorzieningenrechter de termijn om op de aanvraag te beslissen naar twee weken. Omdat het beroep gegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter zal het verzoek daarom afwijzen.
5.2.
Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan verzoekster vergoeden. Eiseres heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- herroept het primaire besluit;
- draagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van verzoekster met inachtneming van deze uitspraak;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 388,- (2x € 194,-) aan verzoekster moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H.W. Franssen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P. Tanis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 28 november 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Verdrag inzake de rechten van het kind
Artikel 3, eerste lid
Bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, vormen de belangen van het kind de eerste overweging.
Artikel 28, eerste lid
De Staten die partij zijn, erkennen het recht van het kind op onderwijs (…_)
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 4:5, eerste lid
Het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien:
(…)
c. de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking,
mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen.
Wet op het primair onderwijs
Artikel 40, derde lid
Het bevoegd gezag beoordeelt of de aanmelding een kind betreft dat extra ondersteuning behoeft. Hiertoe kan het bevoegd gezag de ouders verzoeken gegevens te overleggen betreffende stoornissen of handicaps van het kind of beperkingen in de onderwijsparticipatie. Onder extra ondersteuning wordt niet verstaan ondersteuning ter bevordering van de beheersing van de Nederlandse taal met het oog op het voorkomen en bestrijden van onderwijsachterstanden.
Artikel 40, vierde lid
Indien de toelating van een leerling die extra ondersteuning behoeft, wordt geweigerd, vindt de weigering niet plaats dan nadat het bevoegd gezag er, na overleg met de ouders en met inachtneming van de ondersteuningsbehoefte van de leerling en het ondersteuningsaanbod van de betrokken scholen, voor heeft zorg gedragen dat een andere school bereid is de leerling toe te laten. Onder andere school kan ook worden verstaan een school voor speciaal onderwijs, een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs of een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs.
Artikel 63, vierde lid
Het bevoegd gezag van een bijzondere school kan beslissen een aanmelding voor toelating niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanmelding of voor de voorbereiding van de toelatingsbeslissing, mits de ouders de gelegenheid hebben gehad de aanmelding binnen een door het bevoegd gezag gestelde termijn aan te vullen. Een beslissing om de aanmelding niet te behandelen wordt aan de ouders bekendgemaakt binnen vier weken nadat de aanmelding is aangevuld of nadat de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken. De termijn voor het nemen van de toelatingsbeslissing wordt opgeschort met ingang van de dag waarop het bevoegd gezag krachtens de eerste volzin de ouders uitnodigt de aanmelding aan te vullen, tot de dag waarop de aanmelding is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.

Voetnoten

1.Zoals bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs (Wpo).
2.Artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
3.Verdrag inzake de rechten van het kind.