ECLI:NL:RBAMS:2025:9447

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
20 november 2025
Publicatiedatum
4 december 2025
Zaaknummer
25/022939
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet DNAArt. 7 Wet DNAArt. 67 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaarschrift tegen DNA-afname bij veroordeling voor digitaal vervalsen van document

Veroordeelde is veroordeeld voor valsheid in geschrifte, waarbij een digitaal document digitaal werd vervalst en verstuurd. Het bezwaar richt zich tegen het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van veroordeelde op grond van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden.

De rechtbank overweegt dat bij dit soort digitale misdrijven doorgaans geen celmateriaal wordt achtergelaten en DNA-onderzoek daarom niet bijdraagt aan de opsporing, vervolging en berechting. De officier van justitie betoogde dat DNA-onderzoek technisch steeds meer mogelijk is en het bezwaar ongegrond moet worden verklaard.

De rechtbank oordeelt echter dat de aard van het misdrijf en de omstandigheden maken dat DNA-onderzoek niet van doorslaggevende betekenis kan zijn. Daarom wordt het bezwaar gegrond verklaard en wordt bevolen het celmateriaal te vernietigen. Tegen deze beslissing zijn geen rechtsmiddelen open.

Uitkomst: Het bezwaar tegen het bepalen en verwerken van het DNA-profiel wordt gegrond verklaard en het celmateriaal wordt vernietigd.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Strafrecht
Zittingsplaats Amsterdam
raadkamernummer : 25/022939
datum : 20 november 2025
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het bezwaar op grond van artikel 7 Wet Pro DNA-onderzoek bij veroordeelden (Wet DNA) van:

[veroordeelde],

geboren op [geboortedag] 1999 te [geboorteplaats] ([land van herkomst]),
woonplaats kiezend op het kantooradres van haar raadsman,
mr. M.J.C. Verlaan, [adres],
hierna te noemen: veroordeelde.

Procedure

Het bezwaarschrift is op 15 september 2025 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
De rechtbank heeft op 6 november 2025 het bezwaar in besloten raadkamer behandeld.
De rechtbank heeft de gemachtigde raadsman en de officier van justitie, mr. J.J. Smilde, op zitting gehoord.
Veroordeelde is, hoewel daartoe goed opgeroepen, niet in raadkamer verschenen.

Bezwaar

Het bezwaar richt zich tegen het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van veroordeelde.
Veroordeelde stelt dat sprake is van een uitzondering zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder b, van de Wet DNA, nu redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde.
Namens veroordeelde is aangevoerd dat zij is veroordeeld voor valsheid in geschrift, een feit waarbij doorgaans geen celmateriaal wordt achtergelaten. Veroordeelde heeft een digitaal document vervalst. In dit soort strafzaken zijn de achtergelaten sporen vrijwel altijd enkel digitaal.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie stelt dat het niet logisch is om op voorhand aan te nemen dat bij valsheid in geschrifte DNA-onderzoek in de toekomst niet van belang kan zijn. Er is technisch steeds meer mogelijk. Het bezwaar dient ongegrond verklaard te worden.

Beoordeling

Aan veroordeelde is een strafbeschikking opgelegd ter zake van het afleveren/voorhanden hebben van een vals/vervalst geschrift op een tijdstip. De rechtbank is bevoegd.
Het bezwaar is tijdig en op de juiste wijze ingediend. De veroordeelde kan daardoor in het bezwaar worden ontvangen.
Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA kan een bevel tot afname van celmateriaal enkel worden bevolen ter zake van een veroordeling van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, Sv.
De Wet DNA strekt ertoe gepleegde en eventuele toekomstige strafbare feiten van veroordeelde op efficiënte wijze op te sporen, alsmede veroordeelde te weerhouden van het plegen van nieuwe strafbare feiten. Daarbij is het uitgangspunt dat bij iedere veroordeelde als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA celmateriaal wordt afgenomen. De officier van justitie is verplicht een daartoe strekkend bevel te geven, tenzij zich een van de in het eerste lid genoemde uitzonderingen voordoet. Een van de uitzonderingen is, dat redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van veroordeelde, gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden, waaronder het misdrijf is gepleegd, niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde.
Blijkens de wetsgeschiedenis ziet de maatstaf 'aard van het misdrijf' op misdrijven waarbij DNA-onderzoek geen bijdrage kan leveren aan de opsporing vervolging en berechting van strafbare feiten.
In het onderhavige geval is de veroordeelde veroordeeld voor valsheid in geschrifte. Concreet betrof dit het digitaal vervalsen van een digitaal document, dat vervolgens digitaal werd verstuurd. Bij de opsporing van dit soort feiten is onderzoek van celmateriaal van zeer beperkt belang.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat in gelet op de feiten en omstandigheden in deze zaak het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van veroordeelde niet van doorslaggevende betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing en berechting van dit soort strafbare feiten begaan door veroordeelde.
Het bezwaar zal dan ook gegrond worden verklaard en het celmateriaal moet worden vernietigd.

Beslissing

De rechtbank verklaart het bezwaar gegrond en beveelt dat de officier van justitie ervoor zorg draagt dat het celmateriaal terstond wordt vernietigd.
Deze beslissing is gegeven door
mr. A.M. Grüschke, rechter,
in tegenwoordigheid van G. Jenuwein, griffier,
en uitgesproken op 20 november 2025.
Tegen deze beslissing staan geen rechtsmiddelen open.