ECLI:NL:RBAMS:2025:9445

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
18 november 2025
Publicatiedatum
3 december 2025
Zaaknummer
13/219884-25; 13/146182-25; 13/218741-25; 13/165010-25; 13/181165-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Meervoudige strafzaak tegen verdachte wegens diefstal, huisvredebreuk, witwassen, en andere strafbare feiten

Op 18 november 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een meervoudige strafzaak tegen een verdachte die zich schuldig heeft gemaakt aan meerdere strafbare feiten, waaronder diefstal met geweld, huisvredebreuk, witwassen, en mishandeling. De verdachte, geboren in 2004 en zonder vaste woon- of verblijfplaats, werd op 4 november 2025 ter terechtzitting gehoord. De officier van justitie, mr. L. Bertels, eiste een gevangenisstraf van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, en een geldboete van 350 euro. De verdediging pleitte voor een lagere straf, gelijk aan de tijd die de verdachte al in voorlopige hechtenis had doorgebracht.

De rechtbank oordeelde dat de verdachte op 25 juli 2025 een tas met inhoud, waaronder 600 euro, heeft gestolen van [aangever 1] door deze te bedreigen en te slaan. Daarnaast heeft hij op 13 mei 2025 huisvredebreuk gepleegd bij [bedrijf] en witgewassen geld aangetroffen in zijn hotelkamer. Ook is hij beschuldigd van poging tot diefstal met braak in de woning van [aangever 2] op 17 mei 2025, en van mishandeling van [aangever 1] op 13 juni 2025. De rechtbank achtte de verdachte schuldig aan alle ten laste gelegde feiten.

De rechtbank legde een gevangenisstraf op van veertien maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk, en een geldboete van 350 euro. Tevens werd de verdachte veroordeeld tot het betalen van schadevergoeding aan de benadeelde partij, [aangever 1], ter hoogte van 978,50 euro, en werd een aantal goederen verbeurd verklaard. De rechtbank benadrukte de ernst van de feiten en de impact op de slachtoffers, en oordeelde dat de verdachte strafbaar was en geen rechtvaardigingsgronden had.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummers:
13/219884-25 (zaak A)
13/146182-25 (zaak B) (ttz gev.)
13/218741-25 (zaak C) (ttz gev.)
13/165010-25 (zaak D) (ttz gev.)
13/181165-25 (zaak E) (ttz gev.)
Datum uitspraak: 18 november 2025
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 2004 te [geboorteplaats] ,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
thans gedetineerd te: [detentieplaats] ,
hierna: verdachte.

1.Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 4 november 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. L. Bertels, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. S.C. van Klaveren, naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan:
Zaak Adiefstal met geweld en bedreiging met geweld van [aangever 1] op 25 juli 2025;
Zaak B
feit 1:huisvredebreuk bij [bedrijf] op 13 mei 2025;
feit 2:witwassen van € 7.452,20 op 13 mei 2025;
feit 3:aanwezig hebben van lachgas op 13 mei 2025;
Zaak C
feit 1:poging tot diefstal met braak in de woning van [aangever 2] op 17 mei 2025;
feit 2:vernieling van huisraad van [aangever 2] op 17 mei 2025;
Zaak D
feit 1:verlaten van de plaats ongeval op 28 mei 2025;
feit 2:rijden zonder rijbewijs op 28 mei 2025;
Zaak Emishandeling van [aangever 1] op 13 juni 2025.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3.Waardering van het bewijs

3.1.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft tot een bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten gerekwireerd.
3.2.
Standpunt van de verdediging
Ten aanzien van zaak B feit 1 en zaak E heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Ten aanzien van zaak A heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken nu niet kan worden vastgesteld dat verdachte de dader is.
Ten aanzien van zaak B feit 2 heeft de raadsman gesteld dat verdachte het aangetroffen geld heeft gespaard door regelmatig zwart te werken. Die verklaring kan niet worden uitgesloten en dus dient verdachte te worden vrijgesproken.
Ten aanzien van zaak B feit 3 heeft de raadsman naar voren gebracht dat die nacht meer mensen in de hotelkamer waren geweest en dat verdachte geen wetenschap had van het lachgas. Ook hiervan dient verdachte te worden vrijgesproken.
Ten aanzien van zaak C heeft de raadsman voor zowel feit 1 als feit 2 zich op het standpunt gesteld dat niet kan worden vastgesteld hoe het DNA-mengprofiel van verdachte in de woning terecht is gekomen. Verdachte dient van deze feiten te worden vrijgesproken.
Ten aanzien van zaak D heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van feit 1 en 2 nu op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat verdachte en niet een andere persoon die avond heeft gereden.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Zaak A: diefstal met geweld en bedreiging met geweld
Op basis van de bewijsmiddelen staat vast dat [aangever 1] (hierna: [aangever 1] ) op 25 juli 2025 is beroofd. Hij heeft hiervan aangifte gedaan. Verder is de beroving door getuigen waargenomen. De rechtbank stelt op basis van het volgende vast dat verdachte degene is geweest die [aangever 1] heeft bestolen.
[aangever 1] heeft in zijn aangifte verdachte bij naam genoemd als zijnde de dader. Hij heeft verklaard dat verdachte hem heeft geslagen en bedreigd en vervolgens zijn tas heeft weggenomen. Deze aangifte wordt ondersteund door het overige bewijs in het dossier. Op camerabeelden is te zien dat verdachte zich een aantal minuten voor het incident bevond op de [straatnaam 1] te Amsterdam. Deze straat ligt parallel aan de [straatnaam 2] waar het incident heeft plaatsgevonden. Verdachte bevond zich dus in ieder geval in de omgeving van het incident ten tijde van het incident. Bij de diefstal is de tas van [aangever 1] weggenomen. In die tas zou onder meer 600 euro aan contant geld zitten. Bij de aanhouding van verdachte op 26 juli 2025 is eveneens 600 euro aan contant geld bij hem aangetroffen. Ter zitting heeft verdachte verklaard dat er sprake was van een financieel conflict tussen hem en [aangever 1] . Zij zouden ook al meermaals contact hebben gehad over het aflossen van de schuld die [aangever 1] volgens verdachte bij hem zou hebben. Tot slot overweegt de rechtbank dat het signalement dat getuigen geven, te weten dat de dader in het zwart gekleed was, weliswaar niet heel concreet is, maar verdachte ook niet uitsluit als dader. Verdachte heeft immers verklaard op die dag een zwart trainingspak te hebben gedragen. Dat geldt ook voor het door getuigen gegeven signalement dat de dader mollig zou zijn. Dat de verdachte heeft verklaard dat hij niet mollig is en daarom niet de dader kan zijn, acht de rechtbank op zichzelf onvoldoende om hem uit te sluiten. Gelet op alle voornoemde omstandigheden, oordeelt de rechtbank dat is komen vast te staan dat verdachte degene is geweest die [aangever 1] op 25 juli 2025 heeft bestolen waarbij hij gebruik heeft gemaakt van geweld en bedreiging met geweld, om deze diefstal te vergemakkelijken.
3.3.2.
Zaak B
Huisvredebreuk
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 ten laste gelegde feit, de huisvredebreuk bij het [bedrijf] , heeft begaan. Dit blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen en de bekennende verklaring van verdachte ter zitting.
Witwassen
In de kluis van de hotelkamer in het [bedrijf] waarin verdachte op 13 mei 2025 verbleef is een bedrag van € 7.452,25 aan contant geld aangetroffen. Verdachte is al een aantal jaar dakloos en heeft geen vast inkomen. Op grond daarvan acht de rechtbank het vermoeden gerechtvaardigd dat het voorwerp in de tenlastelegging uit enig misdrijf afkomstig is, wat betekent dat van de verdachte mag worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
Verdachte heeft ter zitting verklaard dat het aangetroffen geld zijn spaargeld betreft. Hij verklaarde geregeld zwart te werken en het bedrag in de afgelopen jaren te hebben gespaard. Verder heeft hij verklaard dat hij een deel van zijn spaargeld wel op een bankrekening heeft gestort, maar dat hij ook graag een deel contant bewaart. Dit contante geld wilde hij liever niet bij zich hebben als hij op straat sliep dus dan bracht hij dit geregeld onder bij verschillende kennissen.
De rechtbank is van oordeel dat die verklaring die de verdachte hierover heeft gegeven niet als een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring kan worden aangemerkt. De rechtbank acht de verklaring noch concreet noch verifieerbaar nu verdachte niet goed kan aangeven met welk werk en bij welke werkgever hij het geld heeft verdiend. Daarbij oordeelt de rechtbank dat de verklaring ook geheel niet aannemelijk is. Het betreft een groot geldbedrag en verdachte is een dakloze man zonder vast inkomen. Daarbij kan hij niet uitleggen wat zijn overweging is geweest om een deel van zijn spaargeld wel op een bank te storten en een deel onder te brengen bij verschillende vrienden. Het aldus door de verdachte geboden tegenwicht tegen de verdenking van witwassen geeft onvoldoende aanleiding tot een nader onderzoek door het openbaar ministerie. Er is daarom geen andere conclusie mogelijk dan dat het ten laste gelegde voorwerp onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is. De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van het onder zaak B feit 2 ten laste gelegde.
Aanwezig hebben lachgas
Bij het binnentreden in de hotelkamer waar verdachte verbleef, hebben de verbalisanten een volle cilinder met lachgas aangetroffen. Voor het in strafrechtelijke zin aanwezig hebben van lachgas is het niet noodzakelijk dat dit verdovende middel ook aan verdachte toebehoort. Het is voldoende dat de middelen zich in de machtssfeer van verdachte bevonden.
Verdachte is alleen in de hotelkamer aangetroffen. Rondom het bed waar verdachte in heeft geslapen lagen lege flessen cilinders. De doos met de volle cilinder lag ook in de hotelkamer. De rechtbank acht dan ook geenszins aannemelijk geworden dat verdachte geen wetenschap had van de aanwezigheid van die cilinders met lachgas waarvan nog één vol zat. Nu verdachte alleen in de kamer is aangetroffen en de beschikkingsmacht had over de volle cilinder met lachgas, acht de rechtbank bewezen dat verdachte dat lachgas aanwezig heeft gehad.
3.3.3.
Zaak C: poging tot diefstal met braak en vernieling
Poging tot diefstal en vernieling
Uit het dossier volgt dat in de woning van [aangever 2] (hierna: [aangever 2] ) is ingebroken en verschillende goederen zijn vernield. In de woning is een grote ravage aangetroffen. Zo is er laminaat van de vloer getrokken, zijn spullen verplaatst, roosters uit muren gehaald en meubels opengesneden. De dader was duidelijk op zoek naar iets wat in de woning verborgen zou liggen. Hij zocht hiernaar op plekken die erom bekend staan dat die als verstopplek dienen voor waardevolle spullen zoals geld en sieraden, namelijk in de bekleding van banken, een bed en achter roosters. Op basis hiervan stelt de rechtbank vast dat er sprake is van een poging tot diefstal. Door op deze manier naar goederen te zoeken, heeft de dader ook de ten laste gelegde vernieling gepleegd.
Daderschap
Verdachte stelt dat hij deze feiten niet heeft gepleegd en nooit in de woning van [aangever 2] is geweest. Uit het dossier blijkt dat er meerdere DNA-sporen zijn aangetroffen in de woning van [aangever 2] . Er is onderzoek gedaan naar het spoor dat op de koelkast is aangetroffen. Drie dactyloscopisch onderzoekers hebben geconcludeerd dat het spoor door verdachte is geplaatst. Anders dan de raadsman heeft aangevoerd is er sprake van een DNA-hoofdprofiel en niet slechts een DNA-mengprofiel. Dit DNA-spoor van verdachte is aangetroffen op de achterzijde van de koelkast die is verplaatst bij de inbraak in de woning. Aangezien bij de poging tot diefstal onder meer ook deze koelkast is verplaatst, gaat het volgens de rechtbank om een daderspoor. Dit DNA-spoor schreeuwt om een verklaring van verdachte over hoe dit daar terecht kan zijn gekomen. Verdachte heeft echter op geen enkel moment een verklaring gegeven die enigszins aannemelijk maakt dat zijn DNA op de achterzijde van die koelkast is aangetroffen in een woning waar hij nooit zou zijn geweest. De rechtbank stelt dan ook vast dat dit spoor daar door verdachte zelf is geplaatst terwijl hij de koelkast verschoof. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte degene is geweest die de poging tot diefstal met braak en de vernieling in de woning van [aangever 2] heeft gepleegd.
3.3.4.
Zaak D: verlaten plaats ongeval en rijden zonder rijbewijs
De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat verdachte degene is die op 28 mei 2025 in de auto van de heer [naam] (hierna: [naam] ) heeft gereden en het ongeluk heeft veroorzaakt. De getuige die het ongeluk heeft zien gebeuren, verklaart dat er één persoon uit de auto is gekomen. Deze persoon kwam met een fles drank de auto uit. Dit sluit aan bij de verklaring van aangever dat verdachte eerder die avond bij de nachtwinkel flessen drank heeft gekocht en in de auto is gaan nuttigen. Kort nadat het ongeluk heeft plaatsgevonden, is verdachte elders in Amsterdam aangetroffen en heeft hij ten overstaan van de politie verklaard dat hij die avond een ongeluk had gehad met een grijze Mercedes. De autosleutel die bij de verongelukte auto hoort is ook bij verdachte aangetroffen. Het alternatieve scenario dat ter zitting door de verdediging is aangevoerd, te weten dat de autosleutel na het ongeluk aan verdachte zou zijn overhandigd, wordt op geen enkele manier door het dossier ondersteund. De rechtbank acht dit dan ook geheel onaannemelijk. Gebleken is dat slechts één persoon bij het ongeluk betrokken is geweest. Nu verdachte met de sleutel is aangetroffen, verklaart dat hij een ongeluk heeft gehad, de autosleutel bij zich had en er slechts één persoon uit de auto is gekomen na het ongeluk wiens signalement overeenkomt met die van verdachte, acht de rechtbank bewezen dat verdachte degene is die het ongeluk heeft veroorzaakt. Hij heeft dus op die avond gereden terwijl hij niet in het bezit was van een rijbewijs en heeft de plaats van het ongeval verlaten terwijl hij wist dat hij zowel de auto als de lantaarnpaal had beschadigd.
3.3.5.
Zaak E: mishandeling
De rechtbank acht op grond van de aangifte en de bekennende verklaring van verdachte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder zaak E ten laste gelegde mishandeling van [aangever 1] heeft begaan.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in
bijlage IIvervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
Zaak A
op 25 juli 2025 te Amsterdam, een tas met inhoud (waaronder en geldbedrag van 600 euro, sleutels, bankpasje), die aan [aangever 1] , toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan van geweld en bedreiging met geweld tegen genoemde [aangever 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, door genoemde [aangever 1] een vuistslag te geven;
Zaak B
feit 1
op 13 mei 2025 te Amsterdam, in het besloten lokaal, bij [bedrijf] , in gebruik wederrechtelijk aldaar vertoevende zich niet op de vordering van of vanwege de rechthebbende aanstonds heeft verwijderd;
feit 2
op 13 mei 2025, te Amsterdam (van) een geldbedrag van 7452,20 euro, althans een of meer voorwerpen
Sub b
- voorhanden heeft gehad
terwijl hij, verdachte, wist, dat die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf;
feit 3
op 13 mei 2025 te Amsterdam, aanwezig heeft gehad 2 kg distikstofmonoxide (lachgas), een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;
Zaak C
feit 1
op of omstreeks 17 mei 2025 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een of meerdere goederen, die geheel of ten dele aan [aangever 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en die weg te nemen goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak,
- het slot van de voordeur van de woning van die [aangever 2] heeft uitgeboord, althans verwijderd en
- het kozijn van die voordeur heeft doen barsten en
- die woning is ingegaan en
- naar die voornoemde goederen heeft gezocht,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
feit 2
op omstreeks 17 mei 2025 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk
- een matras en
- een hoofdbord en
- een of meerdere bankstellen en
- laminaat
in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [aangever 2] , toebehoorde heeft vernield;
Zaak D
feit 1
, als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in Amsterdam aan de Anthony Fokkerweg ter hoogte van perceelnummer [nummer] , op 28 mei 2025 de voornoemde plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist, aan een ander, te weten [naam] en de Gemeente Amsterdam, schade was toegebracht;
feit 2
op 28 mei 2025 te Amsterdam als bestuurder van een motorrijtuig (een auto met kenteken [kenteken] ) heeft gereden op de weg, de Anthony Fokkerweg, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde;
Zaak E
op 13 juni 2025 te Amsterdam, [aangever 1] heeft mishandeld, door die [aangever 1] in het gezicht te slaan.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5.Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7.Motivering van de straffen en maatregelen

7.1.
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem bewezen geachte misdrijven zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Voor de door de officier van justitie bewezen geachte overtreding (zaak D, feit 2) heeft hij gevorderd dat een geldboete van 350 euro aan verdachte wordt opgelegd.
7.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat aan verdachte ten hoogste een gevangenisstraf dient te worden opgelegd die voor wat betreft de duur gelijk is aan de tijd die hij reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
7.3.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de draagkracht van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een groot aantal misdrijven en een overtreding. Verdachte heeft met zijn handelen veel problemen, schade en leed veroorzaakt bij vele mensen. Verdachte heeft onder meer met de mishandeling en diefstal met geweld en bedreiging met geweld de lichamelijke integriteit van [aangever 1] aangetast. Met de poging tot diefstal en vernieling in de woning van [aangever 2] heeft hij de privacy en het gevoel van veiligheid van [aangever 2] aangetast. Juist thuis hoort een ieder zich veilig te kunnen voelen. Verdachte heeft misbruik gemaakt van het feit dat het slachtoffer tijdelijk niet in de woning verbleef. Ook heeft verdachte veel overlast veroorzaakt door schade te berokkenen aan de gemeente en [naam] en door het weigeren om het [bedrijf] te verlaten. De rechtbank acht het bovendien zeer ernstig en zorgelijk dat verdachte zich in een zeer korte periode schuldig heeft gemaakt aan dit groot scala aan feiten.
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 15 oktober 2025. Hieruit blijkt dat verdachte eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.
Tevens heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsrapport van 24 oktober 2025. Hieruit volgt dat verdachte in 2021 gediagnosticeerd is met een normoverschrijdend gedragsstoornis, functioneren op beneden-gemiddeld intelligentieniveau, hechtingsproblematiek en een ouder-kind-relatie-probleem. De reclassering schrijft dat de zelfbepalende en weigerachtige houding van verdachte maakt dat justitiële interventies niet uitvoerbaar zijn. Zij adviseert dan ook om aan verdachte een straf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden.
Straf
De rechtbank heeft acht geslagen op de voor haar beschikbare oriëntatiepunten voor de straftoemeting en is gelet hierop van oordeel dat aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd. De rechtbank acht een gevangenisstraf voor de duur van veertien maanden waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar passend en geboden voor wat betreft de gepleegde misdrijven. Hoewel de rechtbank het wenselijk zou vinden dat verdachte enige behandeling zou ondergaan, is zij van oordeel dat deze behandelingen geen zin zullen hebben zolang verdachte aangeeft hieraan geen medewerking te zullen verlenen. De rechtbank zal daarom geen bijzondere voorwaarden verbinden aan het voorwaardelijke deel van de op te leggen straf. Dit voorwaardelijke deel acht de rechtbank wel noodzakelijk om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw enig strafbaar feit te plegen.
Voor wat betreft de overtreding acht de rechtbank een geldboete – zoals gevorderd door de officier van justitie – ter hoogte van 350 euro passend en geboden. Dit beide zal de rechtbank dan ook aan verdachte opleggen.

8.Beslag

Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:
  • 7.450 euro, goednummer: PL1300-2025116768-6656137;
  • 2,25 euro, goednummer: PL1300-2025116768-6656142;
  • 1 stuk fastgas, goednummer: PL1300-2025116778-6656139;
  • 600 euro, goednummer: PL1300-2025185943-G6688733;
  • Mercedes-Benz C180, goednummer: BZAL8271;
  • Autosleutel, goednummer: BZAL8266.
Verbeurdverklaring
Nu met betrekking tot de € 7.450,- het onder zaak B feit 2 bewezen geachte is begaan, wordt dit voorwerp verbeurdverklaard.
Onttrekking aan het verkeer
Nu met betrekking tot de fastgas het onder zaak B feit 3 bewezen geachte is begaan en het van zodanige aard is, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang, wordt dit voorwerp onttrokken aan het verkeer.
Teruggave aan rechthebbende
De overige goederen, € 600,- contant geld, € 2,25 contant geld, de autosleutel en de Mercedes-Benz zijn eveneens onder verdachte in beslag genomen. Deze goederen dienen alle aan de rechthebbenden te worden geretourneerd.

9.Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [aangever 1] vordert € 778,50 aan vergoeding van materiële schade en € 1.260,- aan vergoeding van immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente.
Materiële schadevergoeding
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder zaak A bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht.
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat niet is onderbouwd dat benadeelde de kosten van € 78,50 voor een nieuwe ID-kaart heeft moeten maken.
De rechtbank acht voldoende onderbouwd dat deze schade is geleden. Benadeelde was in het bezit van een ID-kaart totdat verdachte deze van hem heeft gestolen. De waarde van deze ID-kaart bedraagt € 78,50 en zal geheel worden toegewezen. De gevorderde vergoeding van de € 600,- die benadeelde in de tas had die van hem is weggenomen, zal de rechtbank niet toewijzen. Dit geld is namelijk onder verdachte in beslag genomen en zal aan de rechthebbende, zijnde de benadeelde partij, worden geretourneerd.
De rechtbank concludeert dat de vordering tot vergoeding van materiële schade zal worden toegewezen tot een bedrag van in totaal € 178,50 (zegge: honderdachtenzeventig euro en vijftig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is geleden (25 juli 2025).
De vordering zal voor de overige deel worden afgewezen.
Immateriële schadevergoeding
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder zaak A en zaak E bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen Verdachte heeft tweemaal een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van benadeelde partij door hem te mishandelen en beroven. Hierbij heeft verdachte benadeelde telkens bewust opgezocht. Verdachte en benadeelde begeven zich in dezelfde omgeving van Amsterdam. Benadeelde geeft aan door de gepleegde feiten alert te zijn geworden op straat en afstandelijk te zijn geworden naar de klanten in zijn winkel. Ook kan hij zich moeilijk concentreren.
Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 800,-. De rechtbank zal de vordering tot immateriële schadevergoeding dan ook toewijzen tot een bedrag van € 800,- (zegge: achthonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente. Aangezien de schade is geleden als gevolg van twee strafbare feiten op twee verschillende momenten, namelijk 13 juni 2025 en 25 juli 2025, en de schade is dus op meerdere tijdstippen ontstaan. De rechtbank de wettelijke rente daarom toewijzen vanaf halverwege de periode tussen 13 juni 2025 en 25 juli 2025, dus vanaf 4 juli 2025.
De vordering zal voor het overige deel worden afgewezen.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [aangever 1] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder zaak A en zaak D bewezen geachte feiten is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 978,50,- (negenhonderdachtenzeventig euro en vijftig cent).

10.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op
de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24c, 33, 33a, 36b, 36c, 36f, 45, 55, 57, 138, 300, 311, 312, 350, 420bis van het Wetboek van Strafrecht;
artikelen 3 en 11 van de Opiumwet; en
artikelen 7, 107, 176 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994.

11.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in
rubriek 4is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Zaak Adiefstal, voorafgegaan van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken;
Zaak B
feit 1:wederrechtelijk in het besloten lokaal vertoevende, zich niet op de vordering van of vanwege de rechthebbende aanstonds verwijderen;
feit 2:witwassen;
feit 3:opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
Zaak C
feit 1:poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;
feit 2:opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen;
Zaak D
feit 1:overtreding van artikel 7, eerste lid, onderdeel b van de Wegenverkeerswet 1994;
feit 2:overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994;
Zaak Emishandeling.
Veroordeelt verdachte voor de gepleegde misdrijven tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
14 (veertien) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een gedeelte, groot
4 (vier) maanden, van deze gevangenisstraf
niet ten uitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van
2 (twee) jaarvast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Veroordeelt verdachte ter zake van de gepleegde overtreding tot een
geldboetevan
€ 350,-(driehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 7 dagen.
Beslag
Verklaart verbeurd:
7.450 euro, goednummer: PL1300-2025116768-6656137;
Verklaart onttrokken aan het verkeer:
1 stuk fastgas, goednummer: PL1300-2025116778-6656139;
Gelast de teruggave aan de rechthebbende van:
  • 600 euro, goednummer: PL1300-2025185943-G6688733;
  • Mercedes-Benz C180, goednummer: BZAL8271;
  • Autosleutel, goednummer: BZAL8266;
Gelast de teruggave aan veroordeelde van:
2,25 euro, goednummer: PL1300-2025116768-6656142.
Vordering benadeelde partij [aangever 1]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [aangever 1] toe tot een bedrag van € 178,50 (honderdachtenzeventig euro en vijftig cent) aan vergoeding van materiële schade en € 800,- (achthonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (over € 178,50 vanaf 25 juli 2025 en over € 800,- vanaf 4 juli 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [aangever 1] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Bepaalt dat de vordering voor het overige wordt afgewezen.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [aangever 1] aan de Staat € 978,50 (negenhonderdachtenzeventig euro en vijftig cent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (over € 178,50 vanaf 25 juli 2025 en over € 800,- vanaf 4 juli 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 19 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. B. van Galen, voorzitter,
mrs. H.H.J. Zevenhuijzen en M. Samadi, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. R.T. Lo Dico, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 november 2025.
[…]