ECLI:NL:RBAMS:2025:9411

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
2 december 2025
Publicatiedatum
3 december 2025
Zaaknummer
1316966725
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Overlevering op basis van Europees aanhoudingsbevel van Duitsland

Op 2 december 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak betreffende de overlevering van een opgeëiste persoon op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) dat is uitgevaardigd door het Kantongericht van Moers, Duitsland. De officier van justitie had op 16 oktober 2025 verzocht om de behandeling van het EAB, dat betrekking heeft op strafbare feiten die de opgeëiste persoon naar Duits recht zou hebben gepleegd. De opgeëiste persoon, geboren in Iran, is tijdens de zitting op 18 november 2025 verschenen, bijgestaan door zijn raadsman en een tolk. De rechtbank heeft de termijn voor uitspraak verlengd en de gevangenhouding bevolen.

De raadsman voerde aan dat het EAB ongenoegzaam was, omdat de maximumstraf in Nederland voor bepaalde feiten niet toereikend zou zijn voor overlevering. De officier van justitie betoogde echter dat het EAB voldoende informatie bevatte en dat de vereisten voor dubbele strafbaarheid waren voldaan. De rechtbank oordeelde dat het EAB aan de eisen voldeed en dat de feiten voldoende waren omschreven, inclusief de omstandigheden waaronder deze waren gepleegd. De rechtbank verwierp het verweer van de raadsman en concludeerde dat er geen weigeringsgronden waren voor de overlevering.

Uiteindelijk heeft de rechtbank besloten de overlevering toe te staan, waarbij zij de relevante wetsartikelen en de voorwaarden voor overlevering in acht nam. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer, met mr. J.G. Vegter als voorzitter, en is openbaar uitgesproken op dezelfde datum.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-169667-25
Datum uitspraak: 2 december 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 16 oktober 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 18 februari 2025 door het Kantongericht van Moers, Duitsland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon]
geboren op [geboortedag] 1993 in [geboorteplaats] (Iran),
inschrijvingsadres in de basisregistratie personen:
[adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 18 november 2025, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. J.W. Ebbink, advocaat in Haarlem (waarnemend voor mr. L.J. Woltring, advocaat in Haarlem), en door een tolk in de Duitse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Duitse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel van het Kantongericht van Moers van 17 december 2024 (ref. 800 Gs 674/24).
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Duits recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. [3]
3.1
Genoegzaamheid
Standpunt van de raadsman
De raadsman stelt zich op het standpunt dat de overlevering moet worden geweigerd omdat het EAB ongenoegzaam is. Volgens de raadsman is de maximumstraf die in Nederland staat op rijden zonder rijbewijs (feiten 1, 5, 14 en 18) niet toereikend om tot overlevering over te gaan en daarom is het EAB ten aanzien van deze feiten niet genoegzaam. Dat geldt ook voor het beledigen van een politieagent (feiten 3, 6, 8, 13 en 16). Voor feit 6 is verder onvoldoende duidelijk wanneer het feit is gepleegd. De omschrijving van de feiten 10, 11 en 12 is ongenoegzaam, omdat uit de omschrijving onvoldoende blijkt dat sprake zou zijn van drie losse feiten.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het EAB genoegzaam is. Het lijstfeit is in redelijkheid aangekruist voor feit 7 . Voor de overige feiten geldt dat is voldaan aan het vereiste van dubbele strafbaarheid. Duitsland heeft in het EAB aangegeven dat naar Duits recht minimaal twaalf maanden hechtenis kan worden opgelegd voor de feiten 1, 3, 5, 6, 8, 13, 14, 16 en 18 en dat is voldoende. De pleegdatum van feit 6 is ook voldoende duidelijk, omdat feit 6 in samenhang moet worden gelezen met feit 5. Voor de feiten 10, 11 en 12 geldt tot slot dat uit de omschrijving voldoende blijkt dat het om drie strafbare feiten gaat: spugen, beledigen en mishandelen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen.
De rechtbank is van oordeel dat het EAB genoegzaam is en overweegt hierover het volgende. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat uit de omschrijving van feit 6 duidelijk blijkt dat dit feit in samenhang moet worden gelezen met feit 5. Hierdoor is het voldoende duidelijk dat feit 6 (belediging van een politieagent) heeft plaatsgevonden op 22 februari 2023. Uit de omschrijving van het feitencomplex ten aanzien van de feiten 10, 11 en 12 blijkt voldoende dat het om drie handelingen gaat en welke het zijn.
De beoordeling van het standpunt van de raadsman dat ten aanzien van bepaalde feiten het Nederlandse strafmaximum niet toereikend is, is hieronder bij de strafbaarheid opgenomen omdat dit verweer niet kwalificeert als een genoegzaamheidsverweer.
Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

4.Strafbaarheid

4.1
Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst één van de strafbare feiten (feit 7) aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
oplichting.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
4.2
Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de andere feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer – kort gezegd - voldaan is aan het vereiste dat op de feiten naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Met betrekking tot het standpunt van de raadsman over de ontoereikendheid van het Nederlandse strafmaximum, overweegt de rechtbank dat bij het toetsen van de dubbele strafbaarheid moet worden nagegaan of er naar het recht van de
uitvaardigende lidstaatminimaal twaalf maanden hechtenis kan worden opgelegd. In dit geval heeft Duitsland in het EAB aangegeven dat er naar Duits recht minimaal twaalf maanden hechtenis kan worden opgelegd voor de feiten 1, 3, 5, 6, 8, 13, 14, 16, 18. Hiermee is voldaan aan het vereiste van artikel 7, eerste lid, onderdeel a, onder 2, OLW, zoals ook blijkt uit de overwegingen onder 4.2.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
overtreding van artikel 8, vierde lid, juncto artikel 8, derde lid, onderdeel b van de Wegenverkeerswet 1994, meermalen gepleegd;overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994;wederspannigheid;mishandeling;belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd;belediging;diefstal, meermalen gepleegd;overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994;opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen;opzettelijk niet voldoen aan een bevel of vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar bevoegd verklaard tot het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten;overtreding van artikel 160 van de Wegenverkeerswet 1994.

5.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

6.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 180, 184, 266, 267, 300, 310 en 350 Wetboek van Strafrecht, 8, 107, 160, 176 en 177 Wegenverkeerswet 1994 en 2, 5 en 7 OLW.

7.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan het Kantongericht van Moers, Duitsland, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. J.G. Vegter, voorzitter,
mrs. M. Westerman en C.M.S. Loven rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.J. Gauneau, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 2 december 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.