ECLI:NL:RBAMS:2025:9409

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
13 november 2025
Publicatiedatum
3 december 2025
Zaaknummer
13-133418-24
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14 OverleveringswetECLI:EU:C:2021:876
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenbeslissing over hoorrecht bij verzoek aanvullende toestemming vervolging in overleveringszaak

In deze strafrechtelijke tussenbeslissing van 13 november 2025 behandelt de rechtbank Amsterdam een verzoek van de officier van justitie tot aanvullende toestemming voor uitbreiding van vervolging van een overgeleverde persoon uit Duitsland. Het verzoek is ingediend op grond van artikel 14 van Pro de Overleveringswet.

De rechtbank beoordeelt of het hoorrecht van de overgeleverde persoon is geëerbiedigd, zoals vereist door het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 26 oktober 2021. Uit het proces-verbaal blijkt dat de advocaat van de overgeleverde persoon aanzienlijke bezwaren heeft, maar geen inzage in de dossiers heeft gekregen, waardoor een gedetailleerde verklaring niet mogelijk was.

Daarom verzoekt de rechtbank de officier van justitie om aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te vragen of alsnog inzage kan worden verleend aan de advocaat. Pas daarna moet de overgeleverde persoon of zijn advocaat opnieuw de gelegenheid krijgen om opmerkingen en bezwaren kenbaar te maken. De beslissing op het verzoek wordt aangehouden totdat deze vragen zijn beantwoord.

Uitkomst: De beslissing op het verzoek tot aanvullende toestemming wordt aangehouden totdat het hoorrecht volledig is gewaarborgd.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-133418-24
Datum beslissing: 13 november 2025
TUSSEN- BESLISSING
op de vordering ex artikel 14, derde lid, Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank op 4 november 2025, strekkende tot het in behandeling nemen van een verzoek om toestemming te verlenen voor uitbreiding van de vervolging als bedoeld in artikel 14, eerste lid, aanhef en onder g, OLW. Dit verzoek is ingediend door het
Amtsgericht Osnabrück, Duitsland, op 10 oktober 2025 en betreft:
[persoon] ,
geboren op [geboortedag 1] 1998 in [geboorteplaats] ,
nu gedetineerd in [geboorteland] ,
hierna te noemen: de overgeleverde persoon.

1.Beoordeling

Hoorrecht
Vereist is dat de overgeleverde persoon feitelijk de mogelijkheid heeft gehad om al zijn eventuele opmerkingen en bezwaren met betrekking tot het verzoek tot aanvullende toestemming kenbaar te maken, zoals bedoeld in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 26 oktober 2021. [1]
Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de stukken onvoldoende dat het verdedigingsrecht van de overgeleverde persoon is geëerbiedigd op het moment dat hij in de gelegenheid is gesteld om zich uit te laten over de aanvullende toestemming. Hoewel de overgeleverde persoon en zijn advocaat wel gehoord zijn op het verzoek, blijkt uit het proces-verbaal dat de advocaat verklaard heeft dat er aanzienlijke bezwaren zijn en dat hij geen inzage heeft gekregen in de dossiers. Daarom was het niet mogelijk om een gedetailleerde verklaring af te leggen.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de officier van justitie verzoeken om aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te vragen of de advocaat van de overgeleverde persoon alsnog inzage kan krijgen in de dossiers. Om het verdedigingsrecht van de overgeleverde persoon volledig te eerbiedigen zal hij, dan wel zijn advocaat, daarna nogmaals in de gelegenheid moeten worden gesteld om opmerkingen en bezwaren naar voren te brengen met betrekking tot het verzoek om aanvullende toestemming.

2.Beslissing

De rechtbank:
verzoekt de officier van justitie de hiervoor weergegeven vragen met betrekking tot het hoorrecht voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit en houdt de beslissing op het verzoek aan in afwachting van de beantwoording daarvan.
Deze beslissing is genomen op 13 november 2025 door
mr. B.M. Vroom-Cramer, voorzitter,
mrs. M. Scheeper en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.C. Hooibrink, griffier.

Voetnoten

1.Vgl. HvJ EU 26 oktober 2021, ECLI:EU:C:2021:876, punt 63.