ECLI:NL:RBAMS:2025:9402

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
21 november 2025
Publicatiedatum
2 december 2025
Zaaknummer
AMS 25/6141 en AMS 25/6140
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Huisvestingsvergunning en toepassing van de hardheidsclausule in bestuursrechtelijke context

In deze zaak hebben eisers, een echtpaar dat sinds 1988 samen met hun moeder in een vijfkamerwoning woont, een aanvraag ingediend voor een huisvestingsvergunning na het overlijden van hun moeder. De gemeente Amsterdam heeft deze aanvraag afgewezen, met als argument dat de woning niet passend is voor hen, omdat zij geen gezin met kinderen vormen. Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen deze afwijzing en verzocht om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter heeft de zaak op 21 november 2025 behandeld en geconcludeerd dat de gemeente onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de hardheidsclausule niet van toepassing was. De voorzieningenrechter oordeelde dat er voldoende aanwijzingen waren voor de psychische nood van eiser, die verband hield met het verlies van zijn moeder en de dreigende verhuizing. De voorzieningenrechter heeft daarom besloten om zelf in de zaak te voorzien en heeft de gemeente opgedragen om de huisvestingsvergunning te verlenen. Tevens is het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen, omdat de voorzieningenrechter zelf een beslissing heeft genomen. De gemeente is veroordeeld tot het vergoeden van de proceskosten aan eisers.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummers: AMS 25/6141 (voorlopige voorziening) en AMS 25/6140 (beroep)
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 november 2025 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen
[eiser 1] en [eiser 2], uit [woonplaats] , hierna respectievelijk eiser en eiseres en gezamenlijk: eisers
(gemachtigde: mr. B. Blanckenburg),
en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. F.M.E. Schuttenhelm).

Inleiding

1.1.
Eisers hebben een aanvraag ingediend voor een huisvestingsvergunning voor de woning aan de [adres] . Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 21 maart 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 15 oktober 2025 op het bezwaar van eisers is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening.
1.2.
Verweerder heeft op het verzoek en beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 21 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van verweerder.
1.4.
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist zij ook op het beroep van eisers daartegen. [1]
1.5.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Totstandkoming

2.1.
Eisers wonen sinds 1988 samen met hun moeder in de woning aan de [adres] . Het betreft een vijfkamerwoning en werd door hun moeder gehuurd van [bedrijf] . De moeder van eisers is overleden op [datum] 2024. Eisers hebben op
20 november 2024 een verzoek gedaan aan [bedrijf] tot voortzetten van de huurovereenkomst. [bedrijf] heeft naar voren gebracht dat dit in beginsel niet kan omdat eisers niet in aanmerking komen voor een huisvestingsvergunning. De reden hiervan is dat volgens het beleid van de gemeente zo’n grote woning is bedoeld voor een gezin met minimaal één kind. [bedrijf] heeft aangegeven contact op te nemen met de gemeente of er een mogelijkheid bestaat om met toestemming van de gemeente een uitzondering te maken. Verweerder heeft daarop per e-mail van 21 maart 2025 gereageerd en houdt vast aan de passendheidscriteria zoals opgenomen in artikel 2.8.1. en 2.8.2 van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2024 (hierna: Hvv). Er is dus geen toestemming om een huisvestingsvergunning te verlenen en om de huurovereenkomst op naam van eisers voort te zetten.
2.2.
Eisers hebben daar bezwaar tegen gemaakt. Zij hebben onder meer een verslag van de psychiater van eiser overgelegd van 29 september 2025. Hieruit volgt volgens eisers dat eiser met zware psychische problemen kampt en het voortzetten van de huurovereenkomst noodzakelijk is voor effectief herstel en het beperken van grote risico’s (zoals suïcide).
2.3.
In het bestreden besluit van 15 oktober 2025 heeft verweerder overwogen dat de aanvraag terecht is afgewezen. Een vijfkamerwoning wordt in eisers situatie niet passend geacht. Het belang van een eerlijke woningverdeling gaat voor. Daarbij vormen eisers geen huishouden. [bedrijf] heeft bovendien vervangende woningen aangeboden, waardoor eisers niet dakloos zullen worden. Ten slotte heeft verweerder overwogen dat de medische stukken geen blijk geven van een verband tussen de klachten van eiser en de woning. De aanvraag kan daarom ook niet op grond van hardheid worden toegewezen.
2.4.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen dit besluit en hebben om een voorlopige voorziening verzocht. Eisers zijn daarnaast een dagvaardingsprocedure gestart tegen [bedrijf] om de huurovereenkomst voort te kunnen zetten na het overlijden van hun moeder, op grond van 7:268 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek. De voorzieningenrechter heeft vernomen dat de civiele procedure in afwachting van de uitkomst van onderhavige zaak is aangehouden.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. De voorzieningenrechter constateert dat niet in geschil is dat eisers niet voldoen aan de passendheidscriteria die behoren bij een vijfkamerwoning. Zij vormen immers geen gezin met minimaal één kind. Het verzoek en het beroep richten zich op de vraag of verweerder kon besluiten om in dit geval geen toepassing te geven aan de hardheidsclausule [2] of op grond van het evenredigheidsbeginsel de vergunning te verlenen.
4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom geen toepassing is gegeven aan de hardheidsclausule en het besluit niet zorgvuldig is voorbereid. Er waren in de bezwaarfase reeds voldoende aanwijzingen om een GGD-arts opdracht te geven om in samenwerking met de behandelend artsen van eiser te beoordelen of de problematiek van eiser verband hield met het kunnen blijven wonen in de woning. De voorzieningenrechter wijst hiervoor op de brief van de psychiater van
29 september 2025. De psychiater concludeert daarin dat er momenteel sprake is van suïcidaliteit, dissociatie, herbelevingen en wanhoop, geluxeerd door het overlijden van de moeder van eiser vorig jaar. Daarnaast is eiser op 13 oktober 2025 door zijn psychotherapeut doorverwezen naar de spoedeisende psychiatrie in Amsterdam. De arts verklaart dat zijn hulp niet meer toereikend is wegens suïcidale ideatie, verstoorde rouw en inadequate agressieregulatie. Deze stukken gaven reeds een onderbouwing van de psychische noodtoestand van eiser. Dat in de stukken door de artsen niet rechtstreeks een link met de woning is gelegd, is niet voldoende voor verweerder om geen nader onderzoek te laten doen naar de gevolgen voor eiser bij een gedwongen verhuizing. Eisers hebben in dat kader onbetwist naar voren gebracht dat een psychiater daar in principe ook geen uitspraken over doet indien er geen medische aanleiding voor is. Behandeld artsen mogen van de KNMG [3] -gedragscode immers geen medische verklaringen opstellen die geen behandeldoel hebben. Daarom kan verweerder juist een GGD-arts inschakelen om de medische situatie te koppelen aan de specifieke aanvraag. Nu verweerder dat heeft nagelaten, terwijl er voldoende aanwijzingen waren dat eiser in een psychische noodtoestand verkeerde en het mogelijk risicovol zou zijn om hem gedwongen te laten verhuizen, is er sprake van een gebrekkig onderzoek. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. De voorzieningenrechter vernietigt daarom het bestreden besluit.
5. De voorzieningenrechter stelt vast dat in de onderhavige procedure een nadere verklaring van de psychotherapeut van eiser is overgelegd van 19 november 2025 waaruit blijkt dat er een groot risico is op psychiatrische decompensatie bij stress, instabiliteit en onzekerheid. De psychotherapeut adviseert om de psychische kwetsbaarheid van eiser zeer zwaar te wegen bij besluiten. In concreto betekent dit volgens hem dat wegnemen van zijn vertrouwde woonruimte desastreuze gevolgen zal hebben. Gelet op deze verklaring, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, juncto artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf een beslissing te nemen in plaats van verweerder ruimte te bieden om het gebrek in het besluit te herstellen. Niet alleen de medische situatie van eiser speelt mee bij het oordeel om zelf in de zaak te voorzien, maar ook het feit dat verweerder heeft aangegeven een begeleidingstraject via de GGD te willen opstarten om de situatie van eiser te stabiliseren met als inzet een gedwongen verhuizing op termijn. Hoewel het een stap in de goede richting is, levert dit traject naar het oordeel van de voorzieningenrechter nog te veel en te lang onzekerheid op voor eiser wat gelet op de medische stukken onverantwoord is. Eiser heeft bovendien reeds hulpverleners op meerdere leefgebieden die betrokken zijn. De voorzieningenrechter merkt op dat zij het eens is met verweerder dat zwaar gewicht moet worden toegekend aan het algemene belang van een rechtvaardige verdeling van de schaarse woningen, en zeker sociale huurwoning van deze grootte. De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat de gevolgen van de woningnood niet in alle gevallen kan worden afgewend op de burger. De conclusie is dan ook dat eisers voldoende hebben onderbouwd dat hun belang in dit geval zwaarder weegt dan het algemeen belang en dat het weigeren van de vergunning in dit specifieke geval leidt tot bijzondere hardheid. Het beroep op de hardheidsclausule slaagt.
6.
Voorgaand betekent dat de voorzieningenrechter zal bepalen dat verweerder aan eisers een huisvestingsvergunning verleent voor [adres] . Omdat het beroep gegrond is en de voorzieningenrechter zelf een beslissing neemt, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening zal daarom worden afgewezen.
7. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eisers vergoeden en krijgen eisers ook een vergoeding van hun proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen eisers een vast bedrag per proceshandeling. Eisers hebben in bezwaar gevraagd om vergoeding van de proceskosten. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend, een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend en heeft aan de zitting van de voorzieningenrechter deelgenomen. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 647,-. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 907,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 4.015,-.
8. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- herroept het primaire besluit;
- bepaalt dat verweerder aan eisers een huisvestingsvergunning verleent voor
[adres] en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 388,- (2 x € 194,-) aan eisers moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 4.015,- aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 21 november 2025 door
mr. M.H.W. Franssen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr.P. Tanis, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Voetnoten

1.Artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Artikel 4.3.2. van de Hvv.
3.Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst.