Op 1 mei 2025 werd verdachte samen met een medeverdachte betrapt op het voorhanden hebben van een geladen pistool en munitie in een drukke uitgaansgelegenheid in Amsterdam. Verdachte werd tevens verdacht van mishandeling van een beveiliger, maar werd hiervoor vrijgesproken wegens noodweer.
De rechtbank baseerde de veroordeling op bewijsmiddelen waaronder camerabeelden, getuigenverklaringen en technisch DNA-onderzoek dat het DNA van verdachte op het patroonmagazijn van het vuurwapen aantoonde. Verdachte probeerde het personeel te beletten het wapen te inspecteren, wat medeplegen bevestigt.
Verdachte heeft een lang strafblad met eerdere veroordelingen, waaronder vermogens- en geweldsdelicten, en pleegde de feiten tijdens proeftijd van eerdere voorwaardelijke straffen. De rechtbank achtte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend gelet op de ernst van het feit en de maatschappelijke risico's.
De rechtbank veroordeelde verdachte tot 9 maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest en verlengde de proeftijd van een eerdere voorwaardelijke straf met één jaar. Tevens werd gedeeltelijke tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke straf opgelegd.
De uitspraak benadrukt het gevaar van het onbevoegd voorhanden hebben van vuurwapens in de openbare ruimte en het belang van handhaving van de rechtsorde en veiligheid in drukke uitgaansgebieden.